Dit besluit is vervangen door het besluit van 24 september 2002, nr. CPP2002/1640M.

Pensioenregeling. Aanwijzing als zodanig van onzuivere buitenlandse regelingen

Besluit van 22 mei 1996, nr. DB96/841M

Inzake bovenvermeld onderwerp heeft de plaatsvervangend Directeur-Generaal der Belastingen namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

1. Inleiding

Artikel 11, vijfde lid LB bepaalt dat Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een pensioenregeling die niet voldoet aan de voorwaarden van het derde lid zo nodig onder voorwaarden kan aanwijzen als een pensioenregeling. Voorheen was deze bepaling opgenomen in art. 11, derde lid, laatste volzin.

Mijn beleid met betrekking tot de aanwijzing van een onzuivere buitenlandse pensioenregeling in de situatie waarin een tijdelijk hier te lande tewerkgestelde werknemer zijn deelneming daaraan voortzet, is neergelegd in mijn besluit van 25 augustus 1993, DB93/2174M (Infobulletin 93/569). Daarbij heb ik aangekondigd dat ik dit beleid na de inwerkingtreding van Brede Herwaardering II (1 januari 1995) in heroverweging zou nemen. Thans heb ik besloten mijn beleid vanaf die datum in vorenbedoelde situatie voort te zetten onder toepassing van de volgende voorwaarden:

2. Voorwaarden

a. Nederland heeft met het land van uitzending een Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting naar het inkomen gesloten dat bepalingen moet bevatten omtrent het uitwisselen van inlichtingen als nodig om uitvoering te geven aan de bepalingen van dat verdrag en aan de nationale wetgeving van de verdragsluitende Staten, dan wel het land van uitzending is een EU-land waarop de richtlijn 77/799/EEG inzake de wederzijdse bijstand (Pb EG 1977, L 336, blz. 15) van toepassing is;

b. de Nederlandse werkgever zegt de pensioenregeling toe aan zijn tijdelijk hier te lande tewerkgestelde werknemer;

c. de Verzekeringskamer stemt in met de verzekering van deze pensioenregeling in het buitenland door ontheffing te verlenen van het bepaalde in art. 2, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet;

d. de werknemer is voor een periode van maximaal 5 jaar naar Nederland uitgezonden;

e. de werknemer was reeds voordat hij zich in Nederland heeft gevestigd deelnemer aan de buitenlandse pensioenregeling en hij zet zijn deelname voort;

f. de werknemer is niet in Nederland geworteld;

g. de fiscale faciliëring (vrijstelling aanspraak en aftrek premies) is niet gunstiger dan die welke van toepassing zou zijn bij een zuivere pensioenregeling in de zin van art. 11, derde lid, LB;

h. de fiscale faciliëring is niet gunstiger dan die in het land van uitzending;

i. bij het verzoek om aanwijzing worden de volgende stukken overgelegd:

1. een verklaring van de in het land van uitzending bevoegde belastingautoriteit waaruit blijkt dat:

a. de buitenlandse regeling een in het land van uitzending gebruikelijke pensioenregeling is; en

b. de te zijner tijd te verrichten uitkeringen in welke vorm dan ook en met inbegrip van het deel van de uitkeringen dat gerelateerd kan worden aan het in Nederland opgebouwde pensioenkapitaal, in het land van uitzending betrokken zullen worden in een belastingheffing naar het inkomen;

2. een kopie van de arbeidsovereenkomst;

3. een kopie van de desbetreffende pensioenregeling;

4. de ontheffingsbeschikking van de Verzekeringskamer;

5. bewijzen van voortzetting van de deelneming aan de buitenlandse pensioenregeling;

6. een overzicht van de fiscale faciliëring in vergelijking met een Nederlandse werknemer die een gelijkwaardige positie bekleedt (met onder meer de elementen van de pensioengrondslag en het percentage van het loon dat voor de pensioenopbouw bestemd is).

Verder dient in het verzoek aangegeven te worden:

- de naam en het adres van de werkgever;

- de inspecteur van de Belastingdienst die bevoegd is ten aanzien van de werkgever;

- het SoFi-nummer dan wel het adres van de werknemer;

- de vermoedelijke verblijfsduur van de werknemer;

- of de werknemer reeds eerder in Nederland heeft gewoond en zo ja, de termijn hiervan.

3. Goedkeuring t.a.v. reeds aangewezen buitenlandse pensioenregelingen

Zoals in de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel Brede Herwaardering II (Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 23 046, pagina 19) is aangegeven, blijft de aanwijzing van een onzuivere pensioenregeling waarvoor geen toegelaten verzekeraar optreedt als bedoeld in art. 11b, eerste lid, onderdelen a, b, d en e, LB na 1 januari 1995 niet automatisch van kracht. Om praktische redenen keur ik goed dat de reeds per individuele werknemer aangewezen pensioenregeling aangewezen blijft, mits een looptijd van 5 jaar nog niet is verstreken en de gestelde voorwaarden worden nageleefd.

Tot slot merk ik op dat het Besluit van 25 augustus 1993, DB93/2174M (Infobulletin 93/569) is vervallen.