Dit besluit is ingetrokken in het besluit Pensioenen: opbouw, eigen beheer en overgangsrecht. Stamrechten (besluit van 8 september 2008, nr. CPP2008/1727M, Stcrt. nr. 183).

BESLUIT van 2 juli 1999, nr. DB99/1896M

AOW-inbouw in nabestaandenpensioen en wezenpensioen

Inzake bovenvermeld onderwerp heeft de Plv. Directeur-Generaal der Belastingen namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

1. Inleiding

Met ingang van 1 juni 1999 is de Wet fiscale behandeling van pensioenen (Stb. 1999, nr. 211) in werking getreden, waarbij de Wet op de loonbelasting 1964 is gewijzigd. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel heeft de Eerste Kamer de koppeling van het nabestaanden-pensioen (NP) en het wezenpensioen (WzP) aan het oudedagspensioen (OP) aan de orde gesteld.

Ingevolge de nieuwe wettelijke bepalingen dient zowel bij het OP als bij het NP minimaal de AOW-uitkering voor een gehuwde te worden ingebouwd. Dat heeft tot gevolg dat een rechtstreekse koppeling van het NP aan het OP alleen mogelijk is als in het OP een hoger bedrag wordt ingebouwd dan wettelijk is vereist, namelijk minimaal 10/7 daarvan. Alleen dan wordt ook in het NP minimaal de AOW-uitkering voor een gehuwde ingebouwd. Ingeval daarentegen de AOW-inbouw in het OP minder bedraagt dan 10/7 maal de AOW-uitkering voor een gehuwde, leidt dit tot een verlaging van het aanvullend NP ten opzichte van de huidige praktijk. Bij het WzP kan dit zich in nog veel sterkere mate voordoen.

Ik heb aan de Eerste Kamer medegedeeld dat deze verkrapping niet is beoogd en dat de bestaande praktijk op dit punt kan worden voortgezet.

2. Goedkeuring

Volgens het nieuwe artikel 18a, achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt het maximaal bereikbare pensioen opgevat met inbegrip van ten minste een evenredig gedeelte van de AOW-uitkering voor een gehuwde. Ook in de nota n.a.v. het verslag aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1998/99, 26 020, nr. 6) en in de rekenvoorbeelden in de nadere memorie van antwoord aan de Eerste Kamer (Kamerstukken I 1998/99, 26 020, nr. 104d) wordt daarvan uitgegaan. In de situaties waarin de AOW-inbouw in het OP minder bedraagt dan 10/7 maal de AOW-uitkering voor een gehuwde, treedt een verkrapping op ten opzichte van de bestaande praktijk. Bovendien is in die gevallen een rechtstreekse koppeling van het NP aan het OP niet meer mogelijk. Dat geldt in nog sterkere mate voor het WzP. Deze gevolgen acht ik onwenselijk. Daarom keur ik goed, voorzover nodig in afwijking van de wettelijke bepalingen, dat het NP en het WzP op de gebruikelijke wijze rechtstreeks afgeleid worden uit het OP, namelijk door steeds 70%, resp. 14% c.q. 28%, daarvan te nemen. Voor de AOW-inbouw in het NP en WzP betekent dit dat slechts een inbouw behoeft plaats te vinden van 70%, resp. 14% c.q. 28%, van de inbouw die bij het OP in aanmerking is genomen.

Het volgende rekenvoorbeeld laat zien dat, door toepassing van dit besluit, de bestaande praktijk kan worden voortgezet.

Gegevens

Pensioengevend eindloon 100 000

AOW-uitkering gehuwde (afgerond) 14 000

Opbouw OP: 70% eindloon

Toepassing van de laagst mogelijke AOW-inbouw/franchise

a. inbouwmethode (inbouw 14 000)

OP NP (70% van OP) WzP (14% van OP)

max. bereikbaar pensioen 70 000 49 000 9800

waarvan inbouw AOW 14 000 9800 1960

- aanvullend pensioen 56 000 39 200 7840

b. franchisemethode (franchise 10/7 x 14 000 = 20 000)

pensioengevend loon 100 000

franchise 20 000

pensioengrondslag 80 000

- aanvullend OP (70%) 56 000

- aanvullend NP (70% OP) 39 200

- aanvullend WzP (14% OP) 7840

3. Toepassing factor

Het is mij gebleken dat in de praktijk nog steeds onduidelijkheid bestaat over het gebruik van de factor bij de in te bouwen AOW. Gedurende de periode die nodig is om een volledig OP van 70% op te bouwen (bij 2% per jaar is dat in 35 jaar), dient het volledige bedrag van de bruto AOW-uitkering voor een gehuwde (de enkelvoudige na-Oortse gehuwden-AOW, dus met inbegrip van de structurele verhogingen en de vakantie-uitkering, maar zonder de AOW-toeslag) te worden ingebouwd. De duur van de verzekerde periode voor de AOW (maximaal 50 jaar) speelt daarbij geen enkele rol. Om in een volledig OP van 70% een AOW-inbouw te kunnen realiseren ter grootte van de bruto AOW-uitkering voor een gehuwde, moet in de franchisemethode de vermenigvuldigingsfactor van 10/7 worden toegepast (zie het rekenvoorbeeld hierboven). De factor 8/7 komt dus niet meer aan de orde.

4. Wetgeving

De bovenstaande goedkeuring zal te gelegener tijd in de wet worden neergelegd.