Dit besluit is vervallen met ingang van 1 juni 2004 (Besluit Intrekking diverse besluiten, besluit van 14 mei 2004, nr. CPP2004/1013M).

1. Beoordeling Pensioenregelingen

Besluit van 13 november 1997, nr. DB97/4469M

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financien het volgende besloten.

1.1. Inleiding

In de belastingdienst bestaat mogelijk onduidelijkheid over de toepassing van de aanbevelingen van de werkgroep Fiscale behandeling pensioenen. Conform de toezegging van de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer wordt in deze brief weergegeven wat de kaders zijn waaraan voorgelegde pensioenregelingen tot aan het moment van inwerkingtreding van een wetsvoorstel ter zake moeten voldoen.

1.2. Het wetsvoorstel fiscale behandeling van pensioenen

Het wetsvoorstel fiscale behandeling van pensioenen zal binnen enkele weken aan de Ministerraad worden voorgelegd. Indien de Ministerraad ermee instemt, zal het voor advies naar de Raad van State worden gestuurd waarna indiening bij de Tweede Kamer volgt. Het wetsvoorstel is niet afhankelijk van enige specifieke datum van inwerkingtreding en kan op elk moment in werking treden.

1.3. Kaders voor de beoordeling van pensioenregelingen na het rapport van de werkgroep

In de Tweede Kamer is benadrukt dat de bestaande wetgeving en jurisprudentie geldt en dat voorop staat dat de belastingdienst niet op de wetgeving vooruit loopt.

In haar rapport heeft de werkgroep fiscale behandeling pensioenen aangegeven dat bepaalde ontwikkelingen op het pensioenterrein maatschappelijk aanvaardbaar zijn. In het rapport worden daarbij enerzijds beperkingen voorgesteld, anderzijds verruimingen. Voor de beperkingen geldt dat deze zonder wetgeving niet kunnen worden opgelegd. Voor de verruimingen geldt dat deels wetgeving vereist is. Vanzelfsprekend zijn de verruimingen waarvoor wetgeving vereist is niet toepasbaar zonder nadere wetgeving. Verruimingen, die zonder wettelijke maatregelen in de bestaande wetgeving passen, zijn in beginsel toepasbaar, voorzover zij maatschappelijk aanvaardbaar zijn. Dit kan zich voordoen bij de volgende in het rapport genoemde aanbevelingen; 1, 3, 6, 8, 9, 10, 12, 15, 16 en 26 (zie bijlage). Vanzelfsprekend dient daarbij steeds, met het oog op het binnenkort in te dienen wetsvoorstel, bij het beoordelen van een pensioenregeling een uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt te worden voor de toekomstige wetgeving.

1.4. Aanbevelingen van de werkgroep

1. Het pensioen wordt opgebouwd met een jaarlijks opbouwpercentage van maximaal 2 van het eindloon.

2. Voor andere dan eindloonsystemen dienen opbouwpercentages te worden vastgesteld die naar hun pensioenresultaat overeenkomen met 2% per jaar op eindloonbasis. Bij deze opbouwpercentages kan worden gewerkt met een glijdende schaal waarbij ter vereenvoudiging van de uitvoering kan worden gewerkt met intervallen van tien jaren.

3. Indien na het bereiken van de pensioenrichtleeftijd wordt doorgewerkt mag dat pensioen (inclusief AOW) vanaf 65-jarige leeftijd niet uitgaan boven 100% van het laatstgenoten salaris (100%-norm). Bij de vaststelling van de 100%-norm vóór 65 jaar blijft buiten aanmerking het verschil in premie volksverzekeringen vóór en na 65 jaar. Uitgezonderd van de 100%-norm is een aantal hierna nog te noemen componenten die wel kunnen leiden tot overschrijding, zonder dat dit tot bovenmatigheid leidt.

4. De 100%-norm geldt exclusief de navolgende, in aanbeveling 3 bedoelde, flexibiliseringselementen:

- indexering van pensioen van niet-actieven;

- variabilisering van de uitkeringen (100:75);

- positieve gevolgen van waarde-overdrachten;

- ruil tussen nabestaandenpensioen en ouderdomspensioen.

5. Het nabestaandenpensioen exclusief wezenpensioen bedraagt maximaal 50% van het door de overledenen bereikbare eindloon in dezelfde functie.

6. Gelet op de tendens tot individualisering is opbouw met inachtneming van de AOW-uitkering voor een gehuwde persoon zonder toeslag acceptabel.

7. In elke pensioenregeling behoort een pensioenrichtleeftijd opgenomen te worden. Die pensioenrichtleeftijd dient te worden gesteld op minimaal 60 jaar en maximaal 65 jaar. Indien geen pensioenrichtleeftijd wordt opgenomen wordt uitgegaan van een pensioenrichtleeftijd van 65 jaar.

8. Gegeven de maximering van het opbouwpercentage, behoeft een begrenzing van de uittredingsleeftijd niet krap te worden gesteld. De uiterste leeftijden worden gesteld op 55 jaar (vroegste uittredingsleeftijd) en 70 jaar (uiterste uittredingsleeftijd). Bij vervroeging en uitstel ten opzichte van de pensioenrichtleeftijd vindt steeds actuariële herrekening plaats. Uiterlijk nadat de arbeidswerkzaamheden door pensionering (gedeeltelijk) zijn beëindigd kan (voor dat deel) geen pensioen meer worden opgebouwd en dient de uitkeringsfase in te treden.

9. Indien doorgewerkt wordt na het bereiken van de pensioenrichtleeftijd is verdere opbouw en actuariële oprenting desgewenst mogelijk tot de 100%- norm.

10. Men kan reeds pensioen genieten, terwijl de arbeidswerkzaamheden ook in die dienstbetrekking nog niet (geheel) zijn beëindigd (deeltijdpensioen).

11. Over variabele beloningsbestanddelen en loon in natura mag pensioen worden opgebouwd. Bij de opbouw over niet in het structurele salaris begrepen variabele looncomponenten zal het middelloonsysteem dan wel het beschikbare premiesysteem gehanteerd moeten worden.

12. Indien een werknemer aan het eind van zijn carrière terugtreedt naar een lager gekwalificeerde functie met een lager salaris (demotie), ontmoet het geen bezwaar dat de opbouw van pensioen wordt gecontinueerd alsof het oude salaris was gehandhaafd. De demotieperiode mag niet langer zijn dan maximaal 10 jaar voorafgaand aan de pensioenrichtleeftijd.

13. Salarisstijgingen over de laatste vijf jaren voorafgaande aan de pensioenrichtleeftijd mogen in aanmerking worden genomen tot de in de CAO-regeling afgesproken algemene loonindex verhoogd met 2%-punten dan wel tot de gerealiseerde loonstijging in de desbetreffende bedrijfstak verhoogd met 2%-punten. Met salarisstijging als gevolg van een gangbare functiewijziging en gangbare leeftijdsperiodieken mag echter in elk geval rekening worden gehouden.

14. Tegen inkoop van niet-verzekerde dienstjaren bestaan geen bezwaren, met dien verstande dat aldus de diensttijd uit het verleden niet op een groter aantal jaren kan worden geteld dan de werkelijk vervulde diensttijd in Nederland, eventueel inclusief de voor de sociale verzekeringswetgeving in aanmerking genomen periode van detachering in het buitenland.

15. Het begrip diensttijd wordt ruim opgevat. Hieronder worden mede verstaan periodes van ouderschapsverlof (binnen de wettelijke termijnen), sabbatical years, studieverlof en periodes na onvrijwillig ontslag.

16. De ruimte wordt geboden voor een tijdelijk overbruggingspensioen (TOP) ter compensatie van het ontbreken van AOW tussen de pensioenrichtleeftijd en de 65-jarige leeftijd. De maximale hoogte van het TOP is gelijk aan de AOW-inbouw in de regeling verhoogd met het verschil in premies volksverzekering voor en vanaf 65-jarige leeftijd, over het totale pensioen. Het TOP kan, mits actuarieel herrekend ook vóór de pensioenrichtleeftijd ingaan. Het TOP mag desgewenst versneld, in minimaal 10 jaar voorafgaand aan de pensioenrichtleeftijd, worden opgebouwd. Het TOP kan ook later ingaan dan de pensioenrichtleeftijd. In dat geval kan een nog niet volledige opgebouwde TOP worden aangevuld. Is het TOP volledig opgebouwd, dan kan het pensioen worden opgebouwd tot de 100%-norm. Wordt die norm overschreden dan dienen het TOP en het ouderdomspensioen in te gaan.

17. Gegeven de vele uiteenlopende richtingen waarin de pensioenen zich ontwikkelen is het voor de praktische toepasbaarheid van het fiscale pensioenregime wenselijk nadere criteria op te stellen waarbinnen de pensioenflexibilisering zich kan ontwikkelen. Vanuit rechtsbeschermingsoogpunt enerzijds en de wens tot flexibele regelgeving anderzijds geniet uitwerking in een ministeriële regeling de voorkeur.

18. Er dient ter bevordering van de rechtszekerheid een wettelijke mogelijkheid geschapen te worden om beoogde (wijzigingen in) pensioenregelingen reeds vooraf ter beoordeling aan de belastingdienst voor te leggen. Een beslissing daarover zal dan door de inspecteur bij een voor bezwaar vatbare beschikking moeten worden genomen.

19. Pensioenregelingen die onbedoeld bovenmatig zijn kunnen via een glijclausule aangepast worden.

20. Loon dat gespaard wordt in het kader van een bedrijfsspaarregeling mag door de werknemer gedeblokkeerd worden voor de voldoening van pensioenpremies.

21. Er is geen reden strikt vast te houden aan het gelijkmatige karakter van de pensioenuitkeringen. Een variatie tussen de hoogste en de laagste uitkering van maximaal 100:75 is aanvaardbaar.

22. De uitwisselbaarheid van een nabestaandenpensioen en een ouderdomspensioen mag niet worden beperkt door een maximaal ambitieniveau. De keuze moet uiterlijk worden gemaakt op de pensioeningangsleeftijd.

23. De wettelijke voorwaarde dat pensioenpremies betaald door een werknemer alleen dan ten laste van zijn loon kunnen worden gebracht indien deze verplicht zijn, dient te vervallen.

24. Het bestaande besluit ten behoeve van de pensioenregelingen voor directeuren-grootaandeelhouders in de winstsfeer moet geactualiseerd worden.

25. Voor snel slijtende beroepen of anderszins bijzondere beroepen bieden de aanbevelingen voor de toekomst voldoende mogelijkheden een adequaat pensioen op te bouwen. Er is derhalve geen reden om voor deze beroepen afwijkende regels te stellen.

26. Teneinde desgewenst de overgang van bestaande VUT-regelingen naar het verruimde flexibel pensioensysteem mogelijk te maken is het bij wijze van overgangsregeling wenselijk en aanvaardbaar dat vanaf het tijdstip waarop de aanbeveling in werking treden thans bestaande VUT-regelingen kunnen worden omgezet in een prepensioenregeling. Na uiterlijk 10 jaar na het tijdstip waarop de aanbevelingen in werking treden dient de prepensioenregeling in overeenstemming te zijn met de nieuwe voorwaarden. De prepensioenregeling kan voorzien in een pensioen van maximaal 85% van het eindloon en mag worden opgebouwd in een periode van minimaal 10 jaar; het prepensioen kan niet eerder ingaan dan op 55-jarige leeftijd en dient uiterlijk op de pensioenrichtleeftijd te eindigen.

27. Er dient een anti-cumulatieregeling te komen voor samenloop binnen dezelfde dienstbetrekking, van een pensioenuitkering en VUT indien de samenloop ertoe leidt dat de 100%-norm wordt overschreden.

28. Bestaande pensioenregelingen die niet volledig passen binnen de nieuwe voorwaarden, worden binnen een termijn van vijf jaren na invoering van de aanbevelingen aangepast aan de nieuwe voorwaarden; zolang de regeling niet is aangepast binnen de vijfjaarstermijn en er wel reeds werknemers toetreden, kunnen zij eerst nog aan de bestaande regeling deelnemen.

29. Pensioenregelingen die krachtens aanwijzing gefacilieerd worden zullen eenmalig binnen vijf jaar opnieuw getoetst moeten worden.