Dit besluit is vervallen met ingang van 1 juni 2004 (Besluit Intrekking diverse besluiten, besluit van 14 mei 2004, nr. CPP2004/1013M).

1. Pensioenopbouw over een periodieke salarisvervangende uitkering (bijv. WAO-, WW-, VUT- of wachtgelduitkering)

Besluit van 12 september 1997, nr. DB97/1715M

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financien het volgende besloten.

1.1. Inleiding

Mij is de vraag voorgelegd of het is toegestaan om een periodieke salarisvervangende uitkering tot het pensioengevend salaris te rekenen. Hieronder wordt eerst ingegaan op een WAO-uitkering. In punt 6 komen andere periodieke salarisvervangende uitkeringen aan de orde.

1.2. Oud beleid bij een WAO-uitkering

In mijn mededeling van 17 januari 1991, nr. DB90/5336, Infobulletin 1991/103, heb ik aangegeven dat aanwijzing als pensioenregeling vereist was voor het geval de WAO-uitkering tot het pensioengevend salaris werd gerekend. Zonder aanwijzing zou de pensioenregeling naar mijn oordeel "onzuiver" zijn, omdat in beginsel niet wordt voldaan aan het vereiste dat de hoogte van het pensioen gerelateerd is aan de diensttijd en de genoten beloning. Gegeven de huidige stand van de maatschappelijke opvattingen over pensioen, kan voornoemde mededeling als achterhaald worden beschouwd.

1.3. Nieuw beleid bij een WAO-uitkering

In collectieve regelingen wordt een arbeidsongeschiktheidsuitkering (inclusief de WAO-uitkering) vaak impliciet al tot het pensioengevend salaris gerekend, doordat bij arbeidsongeschiktheid de pensioenopbouw (al dan niet tegen premiebetaling) wordt voortgezet op basis van het laatst genoten salaris vóór de arbeidsongeschiktheid.

Uitgaande daarvan ontmoet het thans uit het oogpunt van flexibilisering evenmin bezwaar, voor zoveel nodig met terugwerkende kracht, dat gedurende de periode waarin (mede) een periodieke salarisvervangende uitkering wegens arbeidsongeschiktheid wordt ontvangen, die uitkering in een collectieve of individuele pensioenregeling tot het pensioengevend salaris wordt gerekend. Gedurende die periode loopt de diensttijd voor de pensioenbepaling door; aanwijzing is derhalve niet meer noodzakelijk. De pensioenregeling als geheel dient binnen de ter zake geldende wettelijke grenzen te blijven, hetgeen ter beoordeling staat van de bevoegde inspecteur van de Belastingdienst. Voorts geldt de wettelijke voorwaarde dat het (overige) pensioengevend salaris niet aanzienlijk lager mag zijn dan onder de desbetreffende omstandigheden gebruikelijk is. Daarmee wordt beoogd oneigenlijk gebruik in de vorm van het uitstellen/afstellen van salaris te voorkomen.

Overigens maakt het niet uit of de pensioenpremie wordt ingehouden door de uitkerende instantie, of door de werkgever/inhoudingsplichtige die de WAO-uitkering doorbetaalt.

1.4. Samenloop WAO-uitkering en pensioen

Indien de pensioenopbouw met inachtneming van het vorenstaande plaatsvindt, kan bij (gedeeltelijke) pensionering vóór de 65-jarige leeftijd een samenloop ontstaan van de WAO-uitkering en het pensioen. Ter voorkoming van een bovenmatig pensioen, dient in die situatie het pensioen te worden gekort met de WAO-uitkering. Deze korting (tot maximaal het bedrag van de WAO-uitkering) kan als volgt plaatsvinden: (opbouwpercentage x diensttijd/70) x de WAO-uitkering.

1.5. Vennootschapsbelasting

Wellicht ten overvloede merk ik op dat het vorenstaande onverlet laat de bevoegdheid van de inspecteur om de zakelijkheid van de desbetreffende pensioenregeling te beoordelen.

1.6. Andere periodieke salarisvervangende uitkeringen

Dit besluit is van overeenkomstige toepassing indien een periodieke salarisvervangende uitkering wordt ontvangen in de vorm van een werkloosheids-, wachtgeld- en VUT-uitkering, of een uitkering (bijvoorbeeld een uitkering ingevolge een WAO-hiaatverzekering, DOP en FLO-uitkering) die naar aard en strekking overeenkomt met een van de voorgaande uitkeringen.

1.7. Slotopmerking

Voor de goede orde merk ik ten slotte op, dat deze mededeling onverlet laat hetgeen wordt bepaald bij of krachtens de wet- en/of regelgeving naar aanleiding van de aanbevelingen van de werkgroep "Fiscale behandeling pensioenen".