Dit besluit is vervallen met ingang van 1 juni 2004 (Besluit Intrekking diverse besluiten, besluit van 14 mei 2004, nr. CPP2004/1013M).

Loonbelasting en sociale verzekering.

Besluit van 11 oktober 1984, nr. 284-13448

1. Inleiding

Bij haar in 1969 aangevangen studie inzake een wettelijke pensioenplicht voor werknemers in het bedrijfsleven koos de Commissie Pensioenen van de Stichting van de Arbeid voor een pensioenregeling op basis van het zgn. levensjarenbeginsel (hierna: het LJB). Daarmee werd onder meer beoogd dat bij verandering van werkgever zo weinig mogelijk pensioenverlies optreedt. In 1982 heeft echter het toenmalige kabinet, gesteund door de meerderheid van de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gekozen voor een dienstjarensysteem met indexatie. De Commissie Pensioenen heeft deze keus als een gegeven aanvaard. Niettemin zijn en worden er voor werknemers pensioenregelingen getroffen die zijn gebaseerd op het LJB.

2. Het levensjarenbeginsel

Een pensioenregeling, die het LJB tot uitgangspunt heeft, kan, gelet op de studie van de Commissie Pensioenen in het kader van een mogelijke wettelijke pensioenplicht, worden omschreven als een ten behoeve van werknemers getroffen regeling voor oudedagsvoorziening en gezinsverzorging krachtens welke ten aanzien van de werknemer, die bij het bereiken van de 25-jarige leeftijd nog niet in dienst was, bij loonsverhoging een verhoging van pensioenrechten plaats vindt alsof de werknemer vanaf het bereiken van de 25-jarige leeftijd in dienst was, zulks ongeacht de vraag of, en zo ja waar, die werknemer sedert zijn 25ste jaar in dienstbetrekking heeft gewerkt.

Het LJB heeft dus tot gevolg dat de werknemer, die bij het bereiken van bijv. de 50-jarige leeftijd van werkgever verandert en bij de nieuwe werkgever gaat deelnemen aan een pensioenregeling volgens het eindloonsysteem, welke is gebaseerd op het LJB en welke uitgaat van een pensioenpercentage per (fictief) dienstjaar van 1 3/4, tot zijn 65ste jaar bij de nieuwe werkgever aan pensioenrechten opbouwt 15 x 13/4% = 26,25% van het aanvangssalaris, vermeerderd met 40 x 13/4% = 70% van het gehele bedrag aan salarisverhogingen sedert de indiensttreding bij de nieuwe werkgever. Een zelfde pensioenuitkomst wordt bereikt door de werknemer die op die leeftijd voor het eerst een dienstbetrekking aanvaardt.

3. De pensioendefinitie in de loonbelasting en het LJB

Een op het LJB gebaseerde pensioenregeling is naar mijn oordeel geen pensioenregeling in de zin van artikel 11, derde lid, letter a, van de Wet op de loonbelasting 1964. De toepassing van het LJB in pensioenregelingen betekent namelijk het loslaten van de strikte diensttijdnorm. Deze diensttijdnorm is één van de pijlers waarop de wettelijke pensioendefinitie rust. Niettemin ben ik van oordeel dat een regeling, waarin het LJB wordt toegepast, onder bepaalde voorwaarden als pensioenregeling kan worden aanvaard. In verband daarmede zijn in een aantal gevallen dergelijke regelingen met toepassing van letter b van voormelde bepaling aangewezen als pensioenregeling.

4. Maatregel

Teneinde te voorkomen dat iedere op het LJB gebaseerde pensioenregeling aan mij moet worden voorgelegd heb ik in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf, besloten de daarvoor in aanmerking komende pensioenregelingen met gebruikmaking van de aanwijzigingsbevoegdheid, welke is neergelegd in artikel 11, derde lid, letter b, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 6, derde lid, letter b, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering aan te wijzen als pensioenregeling.

5. Aangewezen pensioenregelingen

In verband met het vorenstaande zijn bij de gemeenschappelijke beschikking van 11 oktober 1984, nummer 284-13448, als pensioenregeling aangewezen de pensioenregelingen die niet voldoen aan het bepaalde in letter a van voormelde artikelen op grond van de enkele omstandigheden dat de regeling mede voorziet in verhoging van pensioenrechten welke voortvloeien uit de toepassing van het LJB, mits

a. de verhoging van de pensioenrechten uitsluitend in relatie staat tot de loonsverhogingen na de indiensttreding van de werknemer;

b. de verhoging van de pensioenrechten uitsluitend betrekking heeft op levensjaren na de 24-jarige leeftijd van de werknemer;

c. met betrekking tot die verhoging het pensioenpercentage per levensjaar niet meer bedraagt dan 1 3/4.

Bijlage

Loonbelasting en sociale verzekering. Aanwijzing van pensioenregelingen, gebaseerd op het levensjarenbeginsel

DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN EN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID, L. De Graaf,

Gelet op artikel 11, derde lid, letter b, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 6, derde lid, letter b, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering;

BESLUITEN:

met toepassing van voormelde artikelen de ten behoeve van werknemers getroffen of te treffen regelingen voor oudedagsvoorziening en gezinsverzorging, welke niet voldoen aan het bepaalde in letter a van voormelde artikelen op grond van de enkele omstandigheid dat de regelingen mede voorzien in verhoging van pensioenrechten welke voortvloeien uit de toepassing van het levensjarenbeginsel, aan te wijzen als pensioenregeling, mits

a. de verhoging van de pensioenrechten uitsluitend in relatie staat tot de loonsverhogingen na de indiensttreding van de werknemer;

b. de verhoging van de pensioenrechten uitsluitend betrekking heeft op levensjaren na de 24-jarige leeftijd van de werknemer;

c. met betrekking tot die verhoging het pensioenpercentage per levensjaar niet meer bedraagt dan 1 3/4.

De Staatssecretaris van Financiën,

namens deze,

De Directeur-Generaal der Belastingen,

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

L. DE GRAAF,

namens deze,

De Directeur-Generaal Sociale Zekerheid,

DRS. L . LAMERS.