Wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2003 Deel I)



VOORSTEL VAN WET


(…)

B. Artikel 18a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘ 2 percent ‘ vervangen door: 1,75 percent (opbouwpercentage).

2. In het tweede lid wordt ‘ 2,25 percent ‘ vervangen door: 2 percent (opbouwpercentage).

3. In het derde lid wordt ‘ 35 jaren ‘ vervangen door: 40 jaren.

4. In het zesde lid wordt ‘ 2 percent ‘ vervangen door: 1,75 percent.


C. Artikel 18b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘ 1,4 percent ’ vervangen door: 1,23 percent.

2. In het tweede lid wordt ‘ 1,58 percent ‘ vervangen door: 1,4 percent.


D. Artikel 18c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘ 0,28 percent ‘ vervangen door: 0,25 percent.

2. In het tweede lid wordt ‘ 0,32 percent vervangen door: 0,28 percent

(…)

M. In artikel 38b wordt "1 juni 2004" vervangen door: 1 januari 2005.


N. Na artikel 38b wordt een artikel ingevoegd, luidende:


Artikel 38c

Voor op 31 december 2002 bestaande pensioenregelingen blijven tot 1 januari 2005 de artikelen 18a, 18b en 18c zoals die luidden op 31 december 2002 van toepassing.




Memorie van Toelichting

(…)

3. Combinatie van werk en levensloop

Introductie levensloopfaciliteit.

De behoeften en wensen van mensen ten aanzien van werken, de zorg voor kinderen, gezin of ander levensverband, en leren kunnen per levensfase wisselen. In bepaalde periodes van het leven kan de behoefte bestaan om tijd te besteden aan de zorg of studie zonder hiervoor de plaats in het arbeidsproces op te geven. In de Bouwstenennota financiering langdurend zorgverlof wordt de periode tussen 30 en 50 jaar aangeduid als het ‘spitsuur’ van het leven. Om werknemers meer mogelijkheden te geven om te variëren in de combinatie van werk en andere activiteiten is in het Strategisch Akkoord een levensloopfaciliteit voorgesteld. Met deze levensloopfaciliteit worden de mogelijkheden voor het opnemen van onbetaald verlof over de gehele levensloop heen, dus ook gedurende deze en andere drukke perioden in het leven, vergroot.

De financiële ruimte voor de opbouw van de levensloopfaciliteit wordt in het Strategisch Akkoord deels gezocht in het beperken en laten vervallen van de huidige fiscale en niet fiscale levensloop- en verlofregelingen. Fiscaal wordt de financiële ruimte gecreëerd door een beperking van het Witteveenkader (opbouwpercentage 1,75% bij eindloonregeling) en het laten vervallen van de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof. Een maatschappelijke gangbare pensioenregeling van 70% wordt met deze beperking opgebouwd in 40 jaar in plaats van in 35 jaar. Bij een arbeidsparticipatie tussen het 25ste en 65ste levensjaar kan derhalve nog steeds een pensioen van 70% worden opgebouwd.

Inperken Witteveenkader

Een van de speerpunten van het kabinetsbeleid is de mogelijkheden van verlof gedurende de arbeidzame periode verder te flexibiliseren en de arbeidsparticipatie van ouderen te bevorderen. Dit vindt onder meer zijn neerslag in de voorstellen voor de introductie van een levensloopfaciliteit in samenhang met een beperking van het Witteveenkader. Hierdoor wordt het accent in het beleid verschoven richting meer verlofmogelijkheden tijdens de arbeidzame periode. Doel van deze voorstellen is dat mensen meer gebruik kunnen maken van verlof in de periode tussen 30 en 50 jaar (vaak het ‘spitsuur’ van het leven genoemd). Daarnaast wordt beoogd dat mensen langer blijven deelnemen aan het arbeidsproces. Gelet op de vergrijzingsproblematiek is stimulering van de arbeidsparticipatie van vrouwen, allochtonen en ook ouderen van belang. De huidige fiscale mogelijkheden van pensioenopbouw passen minder in een beleid om mensen te stimuleren (langer) aan het werk te gaan.

Het huidige fiscale regime voor pensioenen (ook wel aangeduid als het "Witteveenkader") voorziet in de mogelijkheid van een pensioenopbouw tot een maximaal op te bouwen pensioen van 2% eindloon (2,25% middelloon) per jaar. Dat betekent dat in 35 jaar een pensioen van 70% van het eindloon kan worden bereikt. De overweging om een dergelijke ruime norm te creëren was ingegeven door de overweging om een grote mate van flexibiliteit te creëren voor de invulling van verlofmogelijkheden na afloop van de arbeidzame periode. Met de invoering van het Witteveenkader in juni 1999 hebben individuele deelnemers steeds meer de gelegenheid gekregen verbeteringen in hun pensioenregeling aan te brengen die zijn afgestemd op de individuele behoefte. Bij de doelstelling van het kabinet om de mogelijkheden voor verlof tijdens de arbeidzame periode verder te flexibiliseren en de arbeidsparticipatie van ouderen te bevorderen past, zoals hiervoor is aangegeven, een heroverweging van deze ruime norm. Dit is de reden waarom thans wordt voorgesteld de pensioennorm, evenals in de lijfrentesfeer, te beperken tot een maatschappelijk gangbare pensioenregeling.

Gelet op het bovenstaande wordt thans voorgesteld de maximale begrenzingen van de opbouw van een ouderdomspensioen van 2% eindloon per dienstjaar en 2,25% middelloon per dienstjaar bij te stellen naar respectievelijk 1,75% en 2%. De mogelijkheden voor de opbouw van een beschikbare-premiepensioen worden eveneens navenant beperkt.

Voor lopende pensioenregelingen is voorzien in een overgangsregeling voor op 31 december 2002 bestaande pensioenregelingen. Voor deze regelingen blijft de huidige regelgeving van toepassing tot uiterlijk 1 januari 2005. Op deze wijze hebben sociale partners nog twee jaar de gelegenheid om nadere afspraken te maken over een aanpassing van lopende pensioenregelingen. Uiterlijk met ingang van 1 januari 2005 moeten ook dergelijke pensioenregelingen aan het nieuwe regime voldoen voor wat de aanspraken betreft die vanaf dat moment ontstaan. In samenhang met deze overgangsregeling wordt met het oog op de uitvoerbaarheid en de eenvoud de looptijd van de nog lopende overgangsregeling die gold voor op 1 juni 1999 bestaande pensioenregelingen verlengd tot 1 januari 2005.

 

Artikelsgewijze toelichting

(…)

Artikel VI, onderdeel B (Artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964)

In artikel 18a van de Wet op de loonbelasting zijn de voorwaarden en begrenzingen opgenomen met betrekking tot ouderdomspensioenen gebaseerd op een eindloonstelsel, een middelloonstelsel en een beschikbare-premiestelsel. Ingevolge de wijziging van het eerste lid wordt de maximaal toegestane opbouw van een ouderdomspensioen in een eindloonstelsel verlaagd van 2% naar 1,75% van het pensioengevend loon per dienstjaar. Ingevolge de wijziging van het tweede lid wordt de maximaal toegestane opbouw in een middelloonstelsel verlaagd van 2,25% naar 2% van het pensioengevend loon per dienstjaar. Met de wijziging van het derde lid wordt bewerkstelligd dat de mogelijkheid van tijdsevenredige opbouw in een beschikbare-premiestelsel wordt verlaagd van een pensioen dat na 35 jaar niet meer bedraagt dan 70% naar een tijdsevenredige opbouw van een pensioen dat na 40 jaar niet meer bedraagt dan 70% van het loon op dat tijdstip. De wijziging van het zesde lid vloeit voort uit de wijziging van het eerste lid.

Artikel VI, onderdeel C (Artikel 18b van de Wet op de loonbelasting 1964)

In artikel 18b van de Wet op de loonbelasting 1964 zijn regels gesteld met betrekking tot het niveau van het nabestaandenpensioen. De begrenzingen in het nabestaandenpensioen zijn afgeleid van het ouderdomspensioen (70% van het ouderdomspensioen). De beperkingen in de maximaal toegestane opbouw van een ouderdomspensioen hebben derhalve ook gevolgen voor de maximaal toegestane opbouw van een nabestaandenpensioen. De in het eerste en tweede lid genoemde opbouwpercentages zijn daarom verlaagd van 1,4% naar 1,23% voor een nabestaandenpensioen gebaseerd op een eindloonstelsel en van 1,58% naar 1,4% voor een nabestaandenpensioen gebaseerd op een middelloonstelsel.

Artikel VI, onderdeel D (Artikel 18c van de Wet op de loonbelasting 1964)

In artikel 18c van de Wet op de loonbelasting 1964 zijn nadere regels gesteld met betrekking tot het niveau van het wezenpensioen. Het wezenpensioen bedraagt 14% van het ouderdomspensioen. In lijn met de beperkingen in de opbouwmogelijkheden van een ouderdomspensioen worden de opbouwmogelijkheden voor een wezenpensioen verlaagd van 0,28% naar 0,25% voor een wezenpensioen gebaseerd op een eindloonstelsel en van 0,32% naar 0,28% voor een wezenpensioen gebaseerd op een middelloonstelsel.

(…)

Artikel VI, onderdeel M (Artikel 38b van de Wet op de loonbelasting 1964)

Artikel 38b van de Wet op de loonbelasting 1964 bevat een overgangsregeling voor op 1 juni 1999, de datum van inwerkingtreding van de Wet fiscale behandeling van pensioenen, bestaande pensioenregelingen. De looptijd van deze overgangsregeling wordt verlengd tot 1 januari 2005 zodat de in de artikelen 38b en 38c opgenomen overgangsregelingen dezelfde looptijd hebben.

Artikel VI, onderdeel N (Artikel 38c van de Wet op de loonbelasting 1964)

In artikel 38c van de Wet op de loonbelasting 1964 is een overgangsregeling getroffen voor op 31 december 2002 bestaande pensioenregelingen. Voor die regelingen blijven de artikelen 18a, 18b en 18c, zoals die luidden op 31 december 2002, tot 1 januari 2005 van toepassing. Uiterlijk met ingang van 1 januari 2005 moeten ook dergelijke pensioenregelingen aan het nieuwe regime voldoen voor wat de aanspraken betreft die vanaf dat moment ontstaan. Dit geldt ook voor verbeteringen van het pensioen, bijvoorbeeld als gevolg van salarisstijgingen die vanaf dat moment plaatsvinden (back-service in eindloonregelingen). Ook in dat geval betreft het immers aanspraken die na de inwerkingtreding van het nieuwe regime ontstaan. Voor aanspraken die zijn ontstaan onder het oude regime (inclusief de in dit artikel opgenomen overgangsregeling voor op 31 december 2002 bestaande pensioenregelingen) blijven de destijds geldende begrenzingen van toepassing.

De overgangsregeling is gekoppeld aan het bestaan van de pensioenregeling op 31 december 2002 en geldt voor alle werknemers die aan die pensioenregeling (gaan) deelnemen. De overgangsregeling geldt derhalve ook voor werknemers die eerst na 31 december 2002 (voor het eerst) gaan deelnemen aan een dergelijke op 31 december 2002 bestaande pensioenregeling.

 

Nota naar aanleiding van het verslag

(…)

3.2 Inperken Witteveenkader

De leden van de fractie van de LPF vragen wat de budgettaire en organisatorische consequenties zouden zijn van het uitstellen van de inperking van het Witteveenkader met een jaar. Voor het inperken van het Witteveenkader is voor 2003 een opbrengst van € 59 mln (cijfers 2003) ingeboekt. Voor 2003 geldt echter tegelijkertijd een overgangsregeling die een derving met hetzelfde bedrag met zich meebrengt. Indien de inperking van het Witteveenkader een jaar zou worden uitgesteld, komt voor 2003 uiteraard ook de overgangsregeling te vervallen, waardoor de budgettaire derving in 2003 per saldo nihil bedraagt. Uitstel van inperking van het Witteveenkader levert geen onoverkomelijke uitvoeringsproblemen op en zou partijen meer tijd geven om noodzakelijke aanpassingen door te voeren. Wel is daarbij van belang dat, waar mogelijk, overgangsregelingen aflopen op 1 januari en niet op enige andere datum in het jaar. Daarmee wordt voorkomen dat in een jaar meerdere pensioenregimes gelden.

De leden van de fractie van de LPF vragen hoe de inperking van het Witteveenkader zich verhoudt tot het feit dat veel mensen een pensioengat hebben. Ook de leden van de fractie van de PvdA vragen wat de gevolgen zijn voor het pensioentekort.
Voor het antwoord op deze vraag zouden we er in de eerste plaats op willen wijzen, dat voor de meeste werknemers op dit moment al een opbouw van 1,75% eindloon geldt. In die situaties heeft de voorgestelde beperking van het Witteveenkader geen gevolgen voor de omvang van het pensioentekort. Voor andere situaties leidt de maatregel in beginsel tot een afname van het pensioentekort. Onder een pensioentekort verstaan wij in dit kader het verschil tussen enerzijds het pensioen dat had kunnen worden opgebouwd als optimaal gebruik was gemaakt van de fiscale ruimte voor pensioenopbouw en anderzijds het feitelijk opgebouwde pensioen. Door een beperking van de eerstgenoemde ruimte neemt dit verschil en daarmee het pensioentekort af. Dat neemt niet weg dat er langer zal moeten worden gewerkt om in de tweede pijler eenzelfde pensioen op te bouwen als thans mogelijk is bij een opbouwpercentage van 2% eindloon en de mogelijkheden om het pensioen in de tweede pijler aan te vullen voor jaren waarin niet is gewerkt enigszins worden beperkt. Daar staat tegenover dat de mogelijkheden om de resterende pensioentekorten via de inkomstenbelasting te repareren niet worden beperkt. Volledigheidshalve wordt opgemerkt, dat het vervallen van de ongetoetste basisruimte niet tot een beperking leidt van de mogelijkheden om pensioentekorten te repareren via de inkomstenbelasting.

De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af of de regering bij de inperking van het Witteveenkader rekening heeft gehouden met onderbroken carrières van met name vrouwen en allochtonen. Tevens vragen zij zich af hoe de inperking zich verhoudt tot de zinsnede in het Nader Rapport, dat het kabinet de arbeidsparticipatie van vrouwen, allochtonen en ouderen wil vergroten.
Zoals deze leden reeds constateren, leidt een verlaging van het opbouwpercentage tot 1,75% eindloon er – in situaties dat thans wordt uitgegaan van een hoger opbouwpercentage dan 1,75% eindloon - toe, dat een groter aantal jaren moet worden gewerkt om een pensioen van 70% eindloon te realiseren. Ceteris paribus heeft dit derhalve – ook voor de door deze leden genoemde groepen – een gunstig effect op de arbeidsparticipatie. Dat neemt niet weg dat het voor werknemers met een voor een langere periode onderbroken carrière lastiger zal worden een pensioen van 70% eindloon te realiseren. In dit verband zouden we echter nogmaals willen wijzen op de fiscale ruimte om ook pensioen op te bouwen over perioden waarin een werknemer een tot zijn of haar huishouden behorend kind heeft verzorgd. Weliswaar loopt de pensioenopbouw in die perioden niet automatisch door, maar werkgevers en werknemers kunnen hier afspraken over maken. De fiscale wetgeving vormt hierbij geen belemmering.

De leden van de fractie van de VVD vragen om een aantal concrete voorbeelden van de betekenis van de inperking van het Witteveenkader voor normale pensioenopbouw.
Vooropgesteld dient te worden dat een opbouw van 1,75% eindloon een gangbare, normale pensioenopbouw is. Voor het merendeel van de situaties heeft de verlaging van het maximale opbouwpercentage derhalve geen gevolgen. Onderstaand wordt daarom uitsluitend ingegaan op situaties waarin op dit moment sprake is van een hogere pensioenopbouw dan 1,75% eindloon. Hierbij wordt uitgegaan van een werknemer die in totaal 35 jaar wil werken en in die periode (met een opbouwpercentage van 2% eindloon) een pensioen wilde opbouwen van 70% eindloon. Voor iedere zeven jaar dat deze werknemer op het moment van de inwerkingtreding van de inperking van het Witteveenkader verwijderd is van de genoemde 35 jaar dient 1 jaar langer te worden gewerkt om het beoogde pensioen van 70%-eindloon te kunnen opbouwen. Een werknemer die bijvoorbeeld al 28 jaar heeft opgebouwd op basis van een opbouwpercentage van 2%, dient in plaats van 7 jaar nog 8 jaar te werken om een pensioen van (28 x 2% + 8 x 1,75% =) 70% eindloon te realiseren. Een werknemer die op dat moment nog maar 7 jaar heeft gewerkt en in die periode eveneens heeft opgebouwd op basis van een opbouwpercentage van 2%, dient in plaats van 28 jaar nog 32 jaar te werken om een pensioen van (7 x 2% + 32 x 1,75% =) 70% eindloon te realiseren. In de structurele situatie heeft de verlaging van het opbouwpercentage tot gevolg dat in beginsel 40 jaar pensioenopbouw moet plaatsvinden om een pensioen van (40 x 1,75% =) 70% eindloon op te kunnen bouwen. Een werknemer die op 25-jarige leeftijd begint, zal in dit geval dus tot het bereiken van 65-jarige leeftijd moeten blijven werken om een pensioen van 70% eindloon op te bouwen, terwijl dit bij een opbouwpercentage van 2% in 35 jaar zou kunnen worden bereikt. Zoals hiervoor is aangegeven is een opbouw van 1,75% eindloon echter een gangbare, normale pensioenopbouw. Ook in de periode voor de invoering van het Witteveenkader werd in beginsel uitgegaan van een opbouw van 1,75% eindloon.

De leden van de fractie van de PvdA vragen meer informatie over de groepen werknemers die te maken hebben met een pensioengat. Zij vraagt de regering de groep werknemers die meer opbouwt dan 1,75% te omschrijven.
Een pensioentekort kan op veel verschillende manieren zijn ontstaan. De samenstelling van de groep werknemers met een pensioentekort is dan ook zeer divers. Zoals in de Verkenning Levensloop is aangegeven zijn in de groep werknemers die een pensioen van 70% eindloon niet halen de volgende groepen echter oververtegenwoordigd: vrouwen, met name gescheiden of ongehuwde of alleenstaande vrouwen, en allochtonen.
Ook de samenstelling van de groep werknemers die meer opbouwt dan 1,75% eindloon is zeer divers. In deze groep zijn directeuren-grootaandeelhouders echter oververtegenwoordigd. Daarnaast bestaat deze groep met name uit werknemers die gebruik maken van de door bepaalde pensioenfondsen geboden mogelijkheid om in aanvulling op het collectieve deel op individuele basis een hoger pensioen op te bouwen.

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom bij de inperking van het Witteveenkader geen langere overgangstermijn wordt gehanteerd. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen in dit verband een reactie op de argumentatie van de NOB inzake een overgangstermijn van vijf jaar, zoals die is gehanteerd bij de invoering van Wet fiscale behandeling van pensioenen. Bij de thans voorgestelde inperking van het Witteveenkader is voorzien in eerbiedigende werking voor op 31 december 2002 bestaande pensioenregelingen tot 1 januari 2005. De looptijd van deze overgangsregeling bedraagt derhalve twee jaar. De NOB is van mening dat in ieder geval een overgangstermijn van vijf jaar moet worden gehanteerd omdat het bij pensioenen gaat om langlopende verplichtingen. De omstandigheid dat pensioenregelingen langlopende verplichtingen zijn, betekent niet dat pensioenregelingen niet tussentijds kunnen worden aangepast. Bovendien is de overgangsregeling bij de inperking van het Witteveenkader qua looptijd weliswaar beperkter, maar qua vormgeving juist weer ruimer dan de overgangsregeling bij de invoering van de Wet fiscale behandeling van pensioenen. De overgangsregeling bij de invoering van de Wet fiscale behandeling van pensioenen geldt namelijk slechts zolang de betreffende pensioenregelingen in de overgangsrechtperiode niet dan wel slechts op ondergeschikte punten worden gewijzigd.

De leden van de fractie van de ChristenUnie spreken de wens uit ook ten aanzien van pensioenregelingen wetgeving voor langere termijn te creëren. De leden van de fractie van de VVD wijzen in dit verband op het feit dat zeer recent diverse pensioenregelingen, met name in het kader van de invoering van artikel 2b PSW, zijn aangepast. Met de leden van de fracties van de ChristenUnie en de VVD is het kabinet van mening dat wetgeving voor langere termijn te prefereren is. Het een langere tijd niet wijzigen van de regelgeving die pensioenregelingen raakt is echter geen doel op zich. Garanties dat over een bepaalde termijn geen wijzigingen in regelgeving die voor pensioenregelingen van belang kan zijn zullen worden voorgesteld, kunnen en willen wij niet geven. Het kabinet probeert telkens adequaat te reageren op maatschappelijke en economische tendensen ook wanneer hiervoor wijziging van regelgeving vereist is.

De leden van de fractie van de VVD vragen of regelingen, die in verband met artikel 2b PSW zijn vormgegeven als een regeling voor nabestaandenpensioen op risicobasis onder gelijktijdige verhoging van het opbouwpercentage ouderdomspensioen, kunnen blijven bestaan met een hogere opbouw ouderdomspensioen. Voor zover deze regelingen uitgaan van een hoger opbouwpercentage voor het ouderdomspensioen dan 1,75% eindloon, dienen ook deze regelingen te worden aangepast. Het is daarbij niet van belang dat het hogere ouderdomspensioen verband houdt met het vooralsnog niet gebruik maken van de mogelijkheden voor de opbouw van een nabestaandenpensioen. Volledigheidshalve merken we op dat de mogelijkheden om op de pensioeningangsdatum het opgebouwde nabestaandenpensioen om te zetten in een ouderdomspensioen niet worden beperkt.

De leden van de LPF-fractie vragen welk deel van de werkzame beroepsbevolking 40 jaar of langer werkt, en derhalve in staat is een pensioen van 70% op te bouwen. Ook vragen zij welk deel 35 jaar of langer werkt.
De leden van de PvdA-fractie vragen welk deel van de beroepsbevolking minder dan 40 jaar werkt.

Een verdeling van de werkzame bevolking dan wel de beroepsbevolking naar de uiteindelijke duur van de werkzame periode is niet voorhanden. Uit informatie over participatiegraden naar leeftijdscategorie in 2001 en onder bepaalde veronderstellingen zou (uitgaande van de huidige participatiegraden) kunnen worden afgeleid dat ongeveer 40 à 45% van de werkzame beroepsbevolking en ongeveer 35 à 40% van de totale beroepsbevolking komt tot een werkzame periode van 40 jaar of langer. Van de totale beroepsbevolking werkt dus 60 à 65% minder dan 40 jaar.
Op dezelfde manier kan worden afgeleid dat ongeveer 70% van de werkzame beroepsbevolking en ongeveer 60 à 65% van de totale beroepsbevolking komt tot een werkzame periode van 35 jaar of langer.
Zoals bekend is echter een belangrijke doelstelling van het kabinet, om de arbeidsparticipatie te bevorderen. Het is derhalve de bedoeling dat de in de bovengenoemde berekeningen gehanteerde participatiegraden in de toekomst zullen stijgen.

De leden van de fracties van de PvdA, ChristenUnie, Groenlinks en D66 vinden het op dit moment inperken van het Witteveenkader prematuur omdat nog niet duidelijk is welke levensloopregeling er gaat komen. In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de PvdA wanneer het advies van de SER verwacht wordt, dat naar het oordeel van deze leden bij de besluitvorming zou moeten worden betrokken, wordt opgemerkt dat wij op dit moment verwachten dat het advies van de SER in januari 2003 zal worden uitgebracht. Met betrekking tot de gevraagde duidelijkheid over de levensloopregeling verwijzen wij naar de elders in deze nota opgenomen antwoorden op de overige vragen die met betrekking tot de vormgeving van die regeling zijn gesteld.

De leden van de fractie van de PvdA vragen wat de verhouding is tussen de inperking van het Witteveenkader en het tot stand komen van een pensioenconvenant. De leden van de fractie van D66 vragen waarom het Witteveenkader wordt ingeperkt terwijl niet is gebleken dat de afspraken uit het vorige pensioenconvenant niet zijn nagekomen.
De voorgestelde inperking van het Witteveenkader staat in beginsel los van het vorige pensioenconvenant. Het pensioenconvenant was gericht op kostenbeheersing in de sfeer van de pensioenen. De thans voorgestelde aanpassing van het Witteveenkader staat los van kostenbeheersing, maar hangt samen met de beoogde flexibilisering van de huidige mogelijkheden om tijdens dan wel na afloop van het arbeidzame leven verlof op te nemen. De opbrengst van deze maatregel wordt aangewend ter financiering van de introductie van een levensloopregeling. In een mogelijk volgend pensioenconvenant, dat nu op de agenda van het najaarsoverleg staat, worden van de sociale partners verdere stappen gevraagd voor kostenbeheersing en bevordering arbeidsparticipatie.

De leden van de ChristenUnie informeren of de regering zicht heeft op de wijze waarop bij lopende CAO-onderhandelingen wordt gereageerd op verschillende fiscale maatregelen in het algemeen en de introductie van een levensloopfaciliteit in het bijzonder.
De leden van de ChristenUnie vragen of inperking van de fiscale pensioenopbouw zal kunnen leiden tot hogere looneisen.

Het kabinet zal, zoals gezegd, zo spoedig mogelijk met de sociale partners in overleg treden over loonmatiging en de invulling van de conditionele lastenverlichting. Hierbij zullen ook de levensloopfaciliteit en de werknemersspaarregelingen aan de orde komen.

 

Tweede nota van wijziging

Tweede nota van wijziging op het voorstel van wet houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2003 Deel I) (28 607)

1. Spaarloonregeling / levensloop

Het eerste onderdeel betreft de wettelijke vormgeving van het kabinetsvoorstel inzake spaarloon en levensloop aan de sociale partners, zoals deze is neergelegd in de brief van de Minister van Sociale Zaken van 9 november jongstleden aan uw Kamer en nader is uitgewerkt in de brief van de Minister van Financiën en mij van 11 november jongstleden aan uw Kamer. Ten opzichte van het voorliggende Belastingplan 2003 leidt dit voorstel tot de volgende wijzigingen:

a.(uitsluitend) de spaarloonregeling wordt gehandhaafd onder een gelijktijdige verlaging van de maximum inleg van € 788 naar € 470;
b.de huidige deblokkeringsvoorwaarden voor het spaarloon blijven in stand1 ;
c.de extra verhoging van de arbeidskorting uit het aanvullende pakket (€ 69) vervalt; en
d.de financieringsonderdelen uit het levenslooppakket worden uitgesteld tot 1 januari 2004. De daarmee samenhangende overgangsregelingen worden dienovereenkomstig aangepast.

1 De in het Belastingplan 2003 voorgestelde bepalingen m.b.t. vrijval van de gedeblokkeerde tegoeden voor de winstdelingsregeling en premiespaarregeling wijzigen niet.

(…)

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

(…)

VIII

Artikel VI, onderdeel N, wordt vervangen door:
N. Na artikel 38b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 38c
Voor op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip bestaande pensioenregelingen blijven tot twee kalenderjaren na dit tijdstip de artikelen 18a, 18b en 18c zoals die luidden op het moment direct voorafgaand aan het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, van toepassing.

(…)

Toelichting

Algemeen

In deze nota van wijziging zijn de aanpassingen van het wetsvoorstel opgenomen die voortvloeien uit de op 11 november 2002 aan de Tweede Kamer der Staten Generaal gezonden brief inzake het overleg met de sociale partners. Voorts is in deze nota opgenomen een tijdelijk fiscaal alternatief milieu- en energiepakket.

Spaarloonregeling / levensloop

Zoals hierboven reeds aangegeven, beval deze nota van wijziging de aanpassingen van het wetsvoorstel die voortvloeien uit de op 11 november 2002 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden brief inzake het overleg met de sociale partners. De aanpassingen houden in:

- handhaving van de spaarloonregeling met dien verstande dat de maximale inleg per jaar niet meer kan bedragen dan € 470 (het vervallen van de premiespaarregeling en de winstdelingsregeling wordt niet teruggenomen);
- de voor 2003 voorziene verhoging van de arbeidskorting met € 119 wordt teruggebracht naar een verhoging met € 50;
- De verlaging van de arbeidskorting met € 69 ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel kan niet meer worden verwerkt in de witte loonbelasting- en premietabellen met ingang van 1 januari 2003. Dit betekent dat met ingang van 1 april 2003 nieuwe witte loonbelastingtabellen zullen worden vastgesteld waarin de verlaging van de arbeidskorting is verwerkt en waarin de afwijking als gevolg van de teveel toegekende arbeidskorting over het eerste kwartaal van 2003 zoveel mogelijk ongedaan wordt gemaakt.
- het opschorten van de inperking van het Witteveenkader (opbouwpercentages pensioen) tegen de achtergrond van het uitstel van de invoering van een levensloopregeling;
- het opschorten van het afschaffen van de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof eveneens tegen de achtergrond van het uitstel van de invoering van een levensloopregeling;
- de inperking van het Witteveenkader en de afschaffing van de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (in samenhang met de invoering van een levensloopregeling).

Voor de budgettaire consequenties van deze aanpassingen moge worden verwezen naar de genoemde brief van 11 november 2002 en de daarin genoemde brief van 30 oktober jl.


Gewijzigd wetsvoorstel Belastingplan 2003 Deel I behandeld in de Eerste Kamer

(…)

ARTIKEL VI

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

(…)

B. Artikel 18a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «2 percent» vervangen door: 1,75 percent (opbouwpercentage).

2. In het tweede lid wordt «2,25 percent» vervangen door: 2 percent (opbouwpercentage).

3. In het derde lid wordt «35 jaren» vervangen door: 40 jaren.

4. In het zesde lid wordt «2 percent» vervangen door: 1,75 percent.


C. Artikel 18b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «1,4 percent» vervangen door: 1,23 percent.

2. In het tweede lid wordt «1,58 percent» vervangen door: 1,4 percent.


D. Artikel 18c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «0,28 percent» vervangen door: 0,25 percent.

2. In het tweede lid wordt «0,32 percent» vervangen door: 0,28 percent

(…)

M. Vervallen

(…)

N. Na artikel 38b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 38c

Voor op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip bestaande pensioenregelingen blijven tot twee kalenderjaren na dit tijdstip de artikelen 18a, 18b en 18c zoals die luidden op het moment direct voorafgaand aan het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, van toepassing.

(…)


ARTIKEL XXX

1. Onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke Referendumwet treedt deze wet in werking met ingang van 1 januari 2003, met dien verstande dat artikel I, onderdelen B, U, V, W en X, en artikel VI, onderdelen E, F, G, H en I, toepassing vinden nadat artikel 10.1 van de Wet IB 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2003 is toegepast.

2. In afwijking van het eerste lid treden de artikelen VI, onderdelen B, C, D en N, en XI, onderdelen A, lid 1b en lid 4b, B, lid 1b en tweede lid, C, derde lid, G, J, lid 1b, lid 2b en lid 4b, en M, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

(…)

Nota naar aanleiding van het verslag Eerste Kamer

(…)

Artikel VI, onderdeel M

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom de aanpassing van de looptijd van de bij de invoering van de Wet fiscale behandeling van pensioenen in artikel 38b van de Wet op de loonbelasting opgenomen overgangsregeling van 1 juni 2004 naar 1 januari 2005, uit het Belastingplan is verwijderd.

De einddatum van de overgangsregeling die is gehanteerd bij de invoering van de Wet fiscale behandeling van pensioenen werd in de bij de Tweede Kamer ingediende versie van het Belastingplan 2003 Deel I aangepast. Het doel van deze aanpassing was het gelijktijdig (op 1 januari 2005) laten eindigen van de overgangsregeling bij de invoering van de Wet fiscale behandeling van pensioenen en de overgangstermijn bij de inperking van het Witteveenkader. Daarmee zou de helderheid en uitvoerbaarheid van de regelgeving naar onze mening worden bevorderd. In de tweede nota van wijziging is de inperking van het Witteveenkader per 1 januari 2003 uitgesteld. De inperking van het Witteveenkader zal op een later tijdstip, in samenhang met de invoering van een levensloopregeling, plaatsvinden. Op dit moment is nog niet duidelijk wanneer de wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964 betreffende de inperking van het Witteveenkader zal worden ingevoerd. Aansluiten van de einddatum van overgangsregeling voor de inperking van het Witteveenkader bij de einddatum van de overgangsregeling voor de invoering van het Witteveenkader is derhalve niet meer mogelijk. Bij de invoering van de Wet fiscale behandeling van pensioenen is een overgangstermijn van vijf jaar gehanteerd. Deze termijn is naar onze mening nog steeds voldoende ruim om pensioenregelingen aan te passen aan de Wet fiscale behandeling van pensioenen. Zoals uit het voorgaande volgt is er geen reden meer om de lengte van de overgangstermijn aan te passen.

Artikel VI, onderdeel N

De leden van de fractie van de VVD vragen of de inperking van het zogenoemde Witteveenkader voor pensioenen in overeenstemming is met de bestendigheid die in het belastingrecht behoort te worden nagestreefd.

Ook ik ben van mening dat bestendigheid in het belastingrecht dient te worden nagestreefd. Dat neemt niet weg dat het kabinet beoogt steeds adequaat te reageren op maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Dit vereist ook wet- en regelgeving die hierbij aansluit. De voorgestelde inperking van het Witteveenkader zou plaatsvinden in samenhang met de introductie van een levensloopregeling. De invoering van een levensloopregeling is voorlopig uitgesteld. De inperking van het Witteveenkader is in samenhang hiermee tevens uitgesteld. Het kabinet is van mening dat in de context van de invoering van een levensloopregeling, de inperking van het Witteveenkader een wijziging is die past binnen de beoogde bestendigheid van het belastingrecht.

De leden van de fracties van de PvdA en het CDA vragen waarom de inperking van het zogenoemde Witteveenkader nu bij Koninklijk Besluit plaatsvindt. In dit kader vragen zij naar de verhouding tussen artikel VII van de Wet fiscale behandeling van pensioenen en de voorgestelde inperking van het Witteveenkader.

De voorgestelde inperking van het Witteveenkader is gekoppeld aan de introductie van een levensloopregeling. De introductie van een levensloopregeling is voorlopig uitgesteld. Om te benadrukken dat de inperking van het Witteveenkader wat dit kabinet betreft slechts wordt uitgesteld, is er voor gekozen het voorstel voor de inperking van het Witteveenkader niet uit het wetsvoorstel te verwijderen, maar een bepaling op te nemen dat invoering daarvan op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip plaats zal vinden. Dit tijdstip kan dan in samenhang met de introductie van een levensloopregeling worden bepaald. Bij de introductie van een levensloopregeling zal uiteraard ook de inwerkingtreding van de voorgestelde inperking van het Witteveenkader aan het parlement worden voorgelegd. In die zin blijft de mogelijkheid voor parlementaire controle gewaarborgd. In artikel VII van de Wet fiscale behandeling van pensioenen (Staatsblad 1999, 211) is een delegatiebepaling opgenomen op grond waarvan bij algemene maatregel van bestuur wijzigingen kunnen worden aangebracht in de fiscale behandeling van pensioenen. Deze delegatiebepaling is uitsluitend bedoeld om te gebruiken wanneer de resultaten van het pensioenconvenant niet in overeenstemming zouden zijn met de gemaakte afspraken. In dit geval was het van groot belang om snel te kunnen reageren wanneer de afspraken in het convenant niet werden nageleefd. Omdat bij lagere regelgeving ingegrepen zou kunnen worden is in het tweede lid van artikel VII de verplichting tot parlementaire controle opgenomen. De thans voorgestelde inperking van het Witteveenkader gebeurt bij wet (het Belastingplan 2003), ongeacht de wijze van inwerkingtreding. Zoals hiervoor is aangegeven is het kabinet van mening dat bij de inperking van het Witteveenkader in de context van de introductie van een levensloopregeling voldoende parlementaire controle aanwezig is.

(…)




Wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2003 Deel II - overig fiscaal pakket)

VOORSTEL VAN WET

(…)

Artikel II

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

(…)

D. In artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, wordt na "artikel 19a, eerste lid, onderdeel d," ingevoegd: dan wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b,.

(…)

Artikel XXXV

1. Onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke Referendumwet treedt deze wet in werking met ingang van 1 januari 2003, met dien verstande dat:

(…)

b. artikel II, onderdeel D, terugwerkt tot en met 11 juli 2002;

(…)




Memorie van toelichting

2.2.3 Reparatie naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad van de regeling betreffende het afzien of prijsgeven van pensioenaanspraken bij buitenlandse pensioen BV's

Overeenkomstig het persbericht van 11 juli 2002 wordt met terugwerkende kracht tot en met die datum geregeld dat het afzien of prijsgeven van pensioenaanspraken die zijn ondergebracht bij een buitenlandse pensioen BV wordt aangemerkt als een belaste afkoop. Met ingang van 1 januari 1995 is het niet langer toegestaan pensioenaanspraken onder te brengen bij een niet in Nederland gevestigde pensioen BV. Voor bestaande pensioenaanspraken die reeds waren ondergebracht bij een niet in Nederland gevestigde pensioen BV is een overgangsregeling getroffen. In de huidige wettekst is niet adequaat tot uitdrukking gebracht dat het afzien of prijsgeven van pensioenaanspraken bij een in het buitenland gevestigde pensioen BV, net als voor pensioenaanspraken die zijn ondergebracht bij een in Nederland gevestigde verzekeraar, aangemerkt wordt als een belaste afkoop. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 juni 2002, nr. 36 282, (onder meer gepubliceerd in V-N 2002/32.18), geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis niet met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om, in afwijking van de letterlijke tekst van de betrokken wetsbepalingen, ook het prijsgeven van pensioenaanspraken jegens een verzekeraar die niet in Nederland is gevestigd met de sanctie van artikel 11c (thans 19b) Wet LB 1964 te treffen. Deze omissie wordt door onderhavige wetswijziging hersteld.




II Artikelsgewijze toelichting

Artikel II, onderdeel D (artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964)

In artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964 is geregeld dat het prijsgeven van een pensioenaanspraak die is ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt aangemerkt als een oneigenlijke handeling die ertoe leidt dat de pensioenaanspraak wordt aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Het gaat daarbij om directeurgrootaandeelhouders die hun pensioenaanspraak hebben ondergebracht bij een eigen pensioenlichaam dat of een eigen werkmaatschappij die in Nederland is gevestigd. Met de voorgestelde wijziging in artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt bewerkstelligd dat ook het prijsgeven van pensioenaanspraken waarvoor het overgangsrecht van artikel 36b van de Wet op de loonbelasting 1964 geldt, wordt aangemerkt als een oneigenlijke handeling. Ingevolge art. 36b is voor op 31 december 1994 bestaande pensioenaanspraken de voorwaarde inzake de verzekeraar buiten werking gesteld. De eerbiedigende werking geldt derhalve alleen voor de voorwaarde van de verzekeraar, oneigenlijke handelingen met betrekking tot deze pensioenaanspraken worden niet gesauveerd. Ingevolge art. 19b, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt het prijsgeven van een pensioenaanspraak aangemerkt als een oneigenlijke handeling. Abusievelijk is niet expliciet in de wettekst tot uitdrukking gebracht dat dit ook geldt met betrekking tot het prijsgeven van pensioenaanspraken waarvoor het overgangsrecht van art. 36b van de Wet op de loonbelasting 1964 geldt . De Hoge Raad heeft bij arrest van 7 juni 2002, nr. 36 282 (onder meer gepubliceerd in V-N 2002/32.18), geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis niet met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat bedoeld is om, in afwijking van de letterlijke tekst, ook het prijsgeven van pensioenaanspraken jegens een verzekeraar die niet in Nederland is gevestigd met de sanctie van artikel 11c (thans 19b) te treffen. Deze omissie wordt bij de voorgestelde wijziging met terugwerkende kracht tot en met 11 juli 2002 hersteld. Op 11 juli 2002 is de Tweede Kamer op de hoogte gesteld van deze voorgenomen wijziging en is dit bij persbericht kenbaar gemaakt. Deze wetswijziging beoogt oneigenlijk gebruik tegen te gaan. Snel ingrijpen van de wetgever was geboden ter voorkoming van aankondigingseffecten en ter wille van een steeds bedoelde rechtvaardige belastingheffing. Terugwerkende kracht tot het moment van het uitgeven van het persbericht is derhalve gerechtvaardigd volgens het met de Tweede Kamer afgestemde toetsingskader (Kamerstukken II, 1996-1997, 25 212, nr. 1).

(…)

Artikel XXXV

In het eerste lid, onderdeel b, is geregeld dat de wijziging in artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964, waarmee wordt bewerkstelligd dat ook het prijsgeven van pensioenaanspraken waarvoor het overgangsrecht van artikel 36b van de Wet op de loonbelasting 1964 geldt, wordt aangemerkt als een oneigenlijke handeling, terugwerkt tot en met 11 juli 2002. Bij persbericht is deze datum reeds aangekondigd.