528

Wet van 18 december 2003 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Technische herstelwet 2003)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige daarmee samenhangende wetten, wijzigingen, bijstellingen alsmede enkele technische en redactionele

verbeteringen aan te brengen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

…………………

ARTIKEL VII

De Algemene wet inzake rijksbelastingen 6 wordt als volgt gewijzigd:

…………………

C. In artikel 30i worden de volgende wijzigingen aangebracht.

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «artikel 19b, eerste lid, of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964» vervangen door:
artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.
Voorts wordt «aanspraak ingevolge een pensioenregeling» vervangen door: aanspraak ingevolge een pensioenregeling of aanspraak op periodieke uitkeringen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «artikel 3.133 of 3.136» vervangen door: artikel 3.133, 3.136 of 7.2, tweede lid, aanhef en onderdeel g,.
Voorts wordt in het eerste lid, onderdeel c, «artikel 3.135» vervangen door: artikel 3.135 of 7.2, tweede lid, aanhef en onderdeel g,.

3. Het derde lid wordt vervangen door:
3. Ingeval de aanspraak is bedongen minder dan 10 jaren vóór het jaar waarin de aanspraak ingevolge een pensioenregeling of de aanspraak op periodieke uitkeringen tot loon wordt gerekend dan wel de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden genoten, wordt, indien de belastingplichtige dit verzoekt, in afwijking van het tweede lid, de revisierente gesteld op het door de belastingplichtige aannemelijk te maken bedrag dat ingevolge de artikelen 30f en 30h aan heffingsrente in rekening zou worden gebracht indien:
a. ingeval het betreft een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen: de mogelijkheid zou bestaan de aftrek van de premies voor de aanspraak ongedaan te maken door navorderingsaanslagen over de jaren van die aftrek, of
b. ingeval het betreft een aanspraak op periodieke uitkeringen: de mogelijkheid zou bestaan de aanspraak tot inkomen uit werk en woning te rekenen in het jaar waarop de aanspraak is ontstaan en ter zake daarvan een navorderingsaanslag op te leggen.
Hierbij worden de bedragen van die navorderingsaanslagen gesteld op 50 percent van de premies, bedoeld in de vorige volzin onderdeel a, danwel van de aanspraak, bedoeld in de vorige volzin onderdeel b, en wordt het einde van het in artikel 30f, derde lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak gesteld op 31 december van het jaar waarin de aanspraak ingevolge een pensioenregeling of de aanspraak op periodieke uitkeringen tot loon wordt gerekend dan wel de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden genoten.

…………………

ARTIKEL XVII

1. Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

2. Artikel I, onderdeel M en artikel II, onderdelen C en D, werken terug tot en met 1 januari 2001.

3. Artikel IV, onderdeel J, werkt terug tot en met 1 januari 2002.

4. Artikel I, onderdeel O, artikel II, onderdeel E, artikel III, artikel IV, onderdelen D tot en met I, artikel V en artikel VI werken terug tot en met 1 januari 2003.

5. Artikel VII, onderdeel A eerste lid en de artikelen XI, XII, XIII en XIV, werken terug tot en met 1 april 2003.

6. Artikel VIII, onderdeel C, werkt terug tot en met 4 september 2003.

7. Artikel I, onderdelen J en K, en artikel XVI, werken terug tot en met 1 januari 2004.

8. Artikel I, onderdelen B, C, D, E, F, G, H, artikel IV, onderdeel A, en artikel XV treden in werking met ingang van 1 januari 2005.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ’s-Gravenhage, 18 december 2003

 

Beatrix

 

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn

Uitgegeven de negenentwintigstedecember 2003

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner



Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 2002/2003, 2003/2004, 29 026.

Handelingen II 2003/2004, blz. 1138–1148; 1563–1564; 1661.

Kamerstukken I 2003/2004, 29 026 (A, B).

Handelingen I 2003/2004, zie vergaderingen d.d. 8 en 9 december 2003 en 15 en 16 december 2003.


1 Stb. 2001, 1, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2003, Stb. 527.

2 Stb. 2000, 216, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2003, Stb. 527.

3 Stb. 1995, 635, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2003, Stb. 527.

4 Stb. 1969, 469, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2003, Stb. 527.

5 Stb. 1984, 546, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 december 2002, Stb. 614.

6 Stb. 1959, 301, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2003, Stb. 527.

7 Stb. 1990, 221, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2003, Stb. 527.

8 Stb. 1991, 561, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2003, Stb. 527.

9 Stb. 1992, 709, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2003, Stb. 527.

10 Stb. 1999, 331, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 december 2002, Stb. 617.

11 Stb. 1994, 762, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 juli 2003, Stb. 314.

12 Stb. 1998, 276, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 juli 2003, Stb. 314.

13 Stb. 1994, 874, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 december 2001, Stb. 639.

14 Stb. 1990, 104, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2003, Stb. 527.