Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (tekst 2003, het besluit van 31 maart 2003, nr. WDB 2003/141M, Stcrt. nr. 64 is verwerkt)

Artikel 1 Reikwijdte

Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 6, 8, 8a, 11, 12, 13, 15a, 15b, 15c, 15d, 16, 16a, 16b, 16c, 17, 18, 19f, 25, 28, 29, 31, 32b, 33, 35b, 35d, 35e, 35k, 35l en 35m van de Wet op de loonbelasting 1964 en, artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

Artikel 2 Definities

1. Deze regeling verstaat onder:

a. wet: de Wet op de loonbelasting 1964;

b. besluit: het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965;

c. huispersoneel: de werknemer die ten behoeve van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend huiselijke of persoonlijke diensten in diens huishouding verricht;

d. verbonden vennootschap: een verbonden vennootschap, bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van de wet;

e. inhoudingsplichtigenverklaring: de verklaring dat degene aan wie die verklaring is afgegeven ten aanzien van artiesten dan wel beroepssporters als inhoudingsplichtige is aangewezen;

f. jaaropgaaf: de opgave van het in het kalenderjaar genoten loon, de ingehouden belasting en andere gegevens die van belang kunnen zijn voor de heffing van de inkomstenbelasting;

g. belasting, ingeval artikel 27, tweede lid, eerste volzin, van de wet van toepassing is: het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen;

h. heffingskorting: de heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk III van de wet;

i. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, tram, metro, veerpont of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig.

2. In deze regeling wordt onder een uitkering ingevolge een sociale verzekeringswet mede verstaan de toeslag die ingevolge de Toeslagenwet wordt verleend op die uitkering.

Artikel 3 Niet-inhoudingsplichtigen

1. Niet als inhoudingsplichtige worden beschouwd:

a. het Internationaal Gerechtshof;

b. het Permanente Hof van Arbitrage;

c. de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht;

d. de Verenigde Naties en zijn gespecialiseerde organisaties;

e. de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie;

f. de Europese Gemeenschappen;

g. de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol);

h. het Europees Ruimte-Agentschap/het Europese Centrum voor de ruimtevaarttechniek (ESA/ESTEC);

i. het Europees Octrooibureau;

j. Europol;

k. de Internationale Dienst voor nationaal landbouwkundig onderzoek (ISNAR);

l. het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (CTA);

m. het gemeenschappelijk centrum voor onderzoek op het gebied van kernenergie (GCO, voorheen Euratom);

n. de African Management Services Company BV (AMSCO);

o. het Iran United States Claims Tribunal;

p. het Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen (CFC);

q. de Internationale Nikkel Studie Groep (INSG);

r. de Organisation for the Prohibition of Chemical Weapens (OPCW);

s. de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM);

t. Eurojust;

u. het Internationaal Strafhof.

2. De leden en functionarissen van de in het eerste lid genoemde volkenrechtelijke organisaties die diplomatieke voorrechten genieten en geen Nederlander zijn, worden niet als inhoudingsplichtige beschouwd ten aanzien van degenen die in hun persoonlijke dienst werkzaam zijn

Artikel 4 Aangewezen inhoudingsplichtige bij de hulp van een thuiswerker

In afwijking van de artikelen 6 en 7 van de wet wordt ten aanzien van de hulp van de thuiswerker die doorgaans voor een opdrachtgever arbeid verricht, de opdrachtgever van die thuiswerker als inhoudingsplichtige aangewezen.

Artikel 5 Aangewezen inhoudingsplichtige bij een artiest dan wel een beroepssporter

1. In afwijking van artikel 8a van de wet wordt, voorzover de voor het optreden van een artiest dan wel de sportbeoefening van een beroepssporter overeengekomen gage, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de wet wordt verstrekt aan degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring, als inhoudingsplichtige aangewezen: degene aan wie die verklaring is afgegeven.

2. Voorzover degene aan wie een inhoudingsplichtigenverklaring is afgegeven gage van artiesten dan wel beroepssporters verstrekt aan een ander aan wie een zodanige verklaring is afgegeven, wordt in zijn plaats die ander als inhoudingsplichtige aangewezen.

3. Een inhoudingsplichtigenverklaring kan op verzoek door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden afgegeven aan:

a. de artiest dan wel beroepssporter die als leider van een gezelschap optreedt;

b. de leider van een gezelschap die, of het lichaam in de zin van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat het optreden van artiesten dan wel de sportbeoefening van beroepssporters overeenkomt;

c. degene met wie of degene door wiens bemiddeling het optreden van artiesten dan wel de sportbeoefening van beroepssporters wordt overeengekomen;

d. degene die als onderneming uitoefent het verrichten van administratieve werkzaamheden voor derden, en de inhoudingsplicht en de daarmee samenhangende verplichtingen overneemt van degene met wie de artiest dan wel de beroepssporter het optreden respectievelijk de sportbeoefening is overeengekomen.

4. De inspecteur geeft geen inhoudingsplichtigenverklaring af indien de persoon of het lichaam, bedoeld in het derde lid, niet in Nederland woont of is gevestigd.

5. De inhoudingsplichtigenverklaring is van toepassing gedurende de termijn van ten hoogste vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van afgifte.

6. Degene aan wie de inhoudingsplichtigenverklaring is afgegeven, bewaart het origineel van deze verklaring bij zijn loonadministratie en verstrekt een kopie van deze verklaring aan degene die op grond van artikel 8a, eerste lid, van de wet inhoudingsplichtige zou zijn, ter bewaring bij diens loonadministratie.

7. De inspecteur trekt bij voor bezwaar vatbare beschikking de inhoudingsplichtigenverklaring in, indien:

a. de verklaring haar belang heeft verloren;

b. de op de verklaring vermelde gegevens niet juist zijn dan wel niet meer juist zijn;

c. degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring niet meer in Nederland woont of is gevestigd;

d. degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring bij herhaling de inhoudingsplicht of de daarmee samenhangende verplichtingen niet nakomt;

e. degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring geen kopie van die verklaring verstrekt aan degene die op grond van artikel 8a van de wet inhoudingsplichtige zou zijn.

Artikel 6 Bij overeenkomst aangewezen inhoudingsplichtige bij een beroepssporter

In afwijking van artikel 8a van de wet wordt, indien met de minister van Financiën is overeengekomen dat de belasting zal worden ingehouden door een ander dan degene met wie de sportbeoefening is overeengekomen ten aanzien van de beroepssporter, eveneens als inhoudingsplichtige aangewezen: degene die op grond van de overeenkomst de inhouding overneemt.

Artikel 7 Niet tot het loon behorende aanspraken

Tot het loon behoren niet:

a. aanspraken op een eenmalige uitkering bij het beëindigen van de dienstbetrekking anders dan wegens arbeidsongeschiktheid of overlijden van de werknemer, vervroegd uittreden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;

b. aanspraken op een eenmalige uitkering bij het beëindigen van de dienstbetrekking wegens arbeidsongeschiktheid, vervroegd uittreden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, indien deze uitkering driemaal het loon van een maand niet overtreft;

c. aanspraken op uitkeringen en verstrekkingen in door de minister van Financiën aan te wijzen gevallen.

Artikel 8 Loon voor de toepassing van enkele regelingen

Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdelen m en o, en artikel 15a, eerste lid, onderdeel g, van de wet en artikel 7, onderdeel b, van deze regeling wordt het loon in aanmerking genomen met inachtneming van het volgende:

a. artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de wet vindt geen toepassing;

b. tantièmes en toevallige bijzondere beloningen, alsmede tot het loon behorende aanspraken worden niet in aanmerking genomen.

Artikel 9 Aanvullende voorwaarden vrijstelling bij telewerken

1. De schriftelijk vastgelegde regeling, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel q, onder 1°, van de wet moet voorzien in een gedagtekende overeenkomst die ten minste bevat:

a. naam en adres van de werknemer en de inhoudingsplichtige, en

b. de dag of dagen in de week waarop de werknemer in de werkruimte, bedoeld in het tweede lid, pleegt te werken.

2. De inrichting van de werkruimte in de woning, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel q, onder 2°, van de wet moet voldoen aan de in de artikelen 5.15 en 6.30 van het Arbeidsomstandighedenbesluit gestelde voorwaarden.

Artikel 10 Aanvullende voorwaarden vrijstelling bij woon-werkverkeer waarbij tevens een of meer andere werknemers worden vervoerd

Artikel 16b, vijfde lid, van de wet is van toepassing indien de inhoudingsplichtige de volgende gegevens administreert en voor controle beschikbaar houdt:

a. de in onderdeel c van artikel 16b, vijfde lid, bedoelde schriftelijk vastgelegde overeenkomst;

b. een lijst met de namen en adressen van de bestuurders en de meerijders, en

c. een lijst met de dagen, plaatsen en afstanden waarop de meerijregeling is toegepast.

Artikel 11 Geclausuleerd verlof

Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel r, onder 2° van de wet, wordt als geclausuleerd verlof aangewezen: verlof dat voor specifieke doeleinden wordt toegekend, zoals buitengewoon verlof, zwangerschapsverlof, bevallingsverlof, kraamverlof, ouderschapsverlof, bindingsverlof, adoptieverlof, calamiteitenverlof, zorgverlof, educatief verlof, politiek verlof en palliatief verlof.

Artikel 12 Schriftelijke vastlegging regeling voor verlofsparen

1. Een regeling voor verlofsparen moet schriftelijk zijn vastgelegd. In de vastlegging moet ten minste zijn opgenomen:

a. dat de regeling ten doel heeft het treffen van een voorziening voor het sparen van geld (geldsparen) of tijd (tijdsparen) of een combinatie daarvan uitsluitend ten behoeve van het opnemen van een periode van extra verlof – tijdens het bestaan of na beëindiging van de dienstbetrekking - van in totaal niet meer dan een jaar;

b. dat de aanspraken ingevolge de regeling voor verlofsparen niet kunnen worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid worden;

c. dat het extra verlof niet kan worden opgenomen binnen een jaar voorafgaand aan de ingang van een ouderdomspensioen of van een voorziening voor vervroegde uittreding;

d. dat de regeling openstaat voor tenminste driekwart van de werknemers die tot de inhoudingsplichtige in dienstbetrekking staan of geacht worden te staan;

e. in geval van geldsparen: de instelling waarbij het geld wordt gespaard;

f. in geval van afzonderen van geld bij tijdsparen: de instelling waarbij geld wordt afgezonderd;

g. een bepaling ingevolge welke de werknemer schriftelijk verklaart dat hij geen aanspraken ingevolge een regeling voor verlofsparen heeft bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen of, zo hij deze wel heeft, wat de omvang daarvan is.

2. In afwijking van het eerste lid mag een regeling voor verlofsparen voorzien in de mogelijkheid van afkoop van de aanspraken bij beëindiging van de dienstbetrekking.

Artikel 13 Verlofsparen: geldsparen en tijdsparen

1. Geldsparen ingevolge een regeling voor verlofsparen vindt plaats door inhouding op het loon, waarbij het ingehouden loon wordt aangewend voor het treffen van een geldelijke voorziening in een periode van extra verlof. Daarbij wordt de duur van de verlofperiode bepaald door het ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten - hierna te noemen: verlofspaarloon - en verkrijgt de werknemer een aanspraak op het verlofspaarloon ten behoeve van de betaling van loon gedurende de verlofperiode.

2. Tijdsparen ingevolge een regeling voor verlofsparen vindt plaats door het sparen van vakantieverlof of compensatieverlof waarbij de gespaarde tijd wordt aangewend voor het opnemen van een periode van betaald extra verlof. Daarbij wordt de duur van de verlofperiode bepaald door de gespaarde tijd - hierna te noemen: verlofspaartijd – en verkrijgt de werknemer een aanspraak op de verlofspaartijd. Bij tijdsparen kan de inhoudingsplichtige de met de verlofspaartijd overeenkomende tegenwaarde in geld afzonderen ten behoeve van de betaling van het loon van de werknemer gedurende de verlofperiode.

3. Het ingevolge een regeling voor verlofsparen ter zake van geldsparen ingehouden loon moet worden overgemaakt naar een geblokkeerde rekening - hierna te noemen: verlofspaarrekening - bij de in de regeling voor verlofsparen aangewezen instelling, waar het tegoed voor iedere werknemer afzonderlijk wordt geadministreerd. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de ter zake van tijdsparen afgezonderde tegenwaarde in geld. Bij samenloop van geldsparen en tijdsparen met afzondering van de tegenwaarde in geld dienen het ingehouden loon en het afgezonderde geld afzonderlijk te worden geadministreerd.

4. De op een verlofspaarrekening gekweekte inkomsten worden op de rekening bijgeschreven.

5. Als instelling bedoeld in het derde lid kunnen optreden rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die een rekening die voldoet aan de in het derde lid gestelde voorwaarden publiek mogen aanbieden, mits deze instellingen de verplichting ingevolge de regeling voor verlofsparen voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekenen tot het binnenlandse ondernemingsvermogen, alsmede fondsen die bij collectieve arbeidsovereenkomsten zijn overeengekomen.

6. Het tegoed op een verlofspaarrekening mag uitsluitend bestaan uit:

a. in geval van geldsparen: het ingehouden loon en de daarop gekweekte inkomsten;

b. in geval van tijdsparen: de afgezonderde tegenwaarde in geld ter zake van de verlofspaartijd en de daarop gekweekte inkomsten; ingeval door ontwikkelingen na het moment van afzonderen het tegoed van de verlofspaarrekening onvoldoende is voor de doorbetaling van het loon tijdens de periode van het extra verlof, mag de inhoudingsplichtige het tegoed aanvullen tot het op dat moment benodigde bedrag.

7. De instelling waar de verlofspaarrekening is ondergebracht gaat over tot deblokkering van de verlofspaarrekening voor de betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voorzover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend.

8. Bij deblokkering van de verlofspaarrekening wordt het geld overgemaakt naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon tijdens de verlofperiode. Als overmaking naar de inhoudingsplichtige niet mogelijk is, maakt de instelling het geld over naar de werknemer; in dit geval wordt de instelling als inhoudingsplichtige aangemerkt. In geval bij deblokkering van de verlofspaarrekening het geld wordt overgemaakt naar de werknemer wordt bij tijdsparen geen hoger bedrag uitgekeerd dan de tegenwaarde in geld van de verlofspaartijd gerelateerd aan het laatstgenoten loon van de werknemer.

Artikel 14 Maximale opbouw in een jaar bij verlofsparen

1. In geval van geldsparen ingevolge een regeling voor verlofsparen bedraagt de inhouding per kalenderjaar:

a. indien aan het begin van het kalenderjaar het totale ingevolge een regeling voor verlofsparen ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten het loon op jaarbasis gerelateerd aan het laatste in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon nog niet te boven gaat: ten hoogste 10 % van het loon in het kalenderjaar;

b. indien aan het begin van het kalenderjaar het totale ingevolge een regeling voor verlofsparen ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten gelijk is aan of meer bedraagt dan het loon op jaarbasis gerelateerd aan het laatste in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon: nihil.

2. In geval van tijdsparen ingevolge een regeling voor verlofsparen bedraagt de te sparen verlofspaartijd per kalenderjaar:

a. indien aan het begin van het kalenderjaar de totale verlofspaartijd op jaarbasis gerelateerd aan de in het laatste loontijdvak van het voorafgaande kalenderjaar overeengekomen arbeidsduur een periode van extra verlof van een jaar nog niet te boven gaat: ten hoogste 10 % van het aantal arbeidsuren in het kalenderjaar;

b. indien aan het begin van het kalenderjaar de totale verlofspaartijd op jaarbasis gerelateerd aan de in het laatste loontijdvak van het voorafgaande kalenderjaar overeengekomen arbeidsduur gelijk is aan of meer bedraagt dan een periode van extra verlof van een jaar: nihil.

3. Bij een samenloop van geldsparen en tijdsparen worden voor de beoordeling of in het kalenderjaar nog aanspraken ingevolge een regeling voor verlofsparen kunnen worden opgebouwd, de bij het begin van het kalenderjaar bestaande aanspraken ingevolge geldsparen en ingevolge tijdsparen tezamen in aanmerking genomen. Indien op basis van de beoordeling van de eerste volzin in het kalenderjaar nog aanspraken kunnen worden opgebouwd, worden voor de beoordeling hoeveel aanspraken in het kalenderjaar kunnen worden opgebouwd, het in het kalenderjaar ingehouden loon en de in het kalenderjaar gespaarde verlofspaartijd tezamen in aanmerking genomen.

Artikel 15 Toegestane aangroei boven het plafond bij verlofsparen

Ook indien bij het begin van een kalenderjaar de in artikel 14 bedoelde begrenzing op basis waarvan wordt beoordeeld of in het kalenderjaar nog aanspraken ingevolge een regeling voor verlofsparen kunnen worden opgebouwd is bereikt, leiden nadien op het verlofspaartegoed gekweekte inkomsten niet tot de constatering dat de regeling niet meer voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een regeling voor verlofsparen.

Artikel 16 Wijze van beschikken over verlofspaartegoed

1. Over het tegoed van een verlofspaarrekening mag worden beschikt ten behoeve van:

a. de betaling tijdens de verlofperiode van loon tot een omvang die niet uitgaat boven het laatstgenoten loon;

b. de omzetting van een aanspraak ingevolge een regeling voor verlofsparen in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding die na de omzetting nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet gestelde begrenzingen.

2. In geval van overlijden van de werknemer kan de tegenwaarde van de aanspraak als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ter beschikking van de erfgenamen van de werknemer worden gesteld.

3. Bij aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking kunnen de aanspraken ingevolge een regeling voor verlofsparen worden ingebracht in een regeling voor verlofsparen van de inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienstbetrekking treedt. Indien de aanspraken ingevolge een regeling voor verlofsparen niet worden ingebracht in een regeling voor verlofsparen van de inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienstbetrekking treedt, worden voor de toepassing van de in artikel 14 gestelde grenzen alle aanspraken van de werknemer ingevolge een regeling voor verlofsparen tezamen in aanmerking genomen.

4. Indien de werknemer uitkeringen ontvangt in overeenstemming met de regeling voor verlofsparen, worden deze als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in aanmerking genomen. In afwijking van de eerste volzin wordt in geval van afkoop bij ontslag de uitkering aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.

5. Indien in strijd met de regeling voor verlofsparen geheel of gedeeltelijk over het verlofspaartegoed wordt beschikt, wordt de gehele aanspraak ingevolge de regeling voor verlofsparen aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer.

Artikel 17 Fooien en dergelijke prestaties van derden

Fooien en dergelijke prestaties van derden worden geacht te zijn genoten tot het bedrag waarvoor zij voor de toepassing van de Coördinatiewet Sociale Verzekering tot het loon behoren. Voorzover zij dit bedrag te boven gaan behoren zij niet tot het loon.

Artikel 18 Waarde aanspraak

De waarde van een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen en verstrekkingen te ontvangen, wordt gesteld op de bedragen die bij een derde worden gestort - of, voorzover geen stortingen worden verricht, zouden moeten worden gestort - teneinde de aanspraak te dekken.

Artikel 19 Waarde aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling in eigen beheer voor tenminste 25 werknemers

1. In afwijking in zoverre van artikel 18 wordt per kalenderjaar de waarde van een aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling ten behoeve van ten minste 25 werknemers of gewezen werknemers die gedurende het gehele voorafgaande kalenderjaar heeft bestaan, voorzover geen stortingen bij derden worden verricht, gesteld op het bedrag van de gemiddelde uitkering. De gemiddelde uitkering is het rekenkundige gemiddelde van de jaargemiddelden van de afgelopen vijf kalenderjaren. Het jaargemiddelde is het gezamenlijke bedrag van de ter zake door of namens de inhoudingsplichtige gedane uitkeringen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer, gedeeld door het aantal personen dat in het desbetreffende jaar gedurende ten minste zes maanden gerechtigd is geweest. Indien zulks tot een lagere gemiddelde uitkering leidt, worden het hoogste en het laagste jaargemiddelde buiten beschouwing gelaten en is de gemiddelde uitkering het rekenkundige gemiddelde van de jaargemiddelden van de andere drie kalenderjaren.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde regeling minder dan vijf gehele kalenderjaren heeft bestaan, is dat lid van overeenkomstige toepassing op het mindere aantal gehele kalenderjaren, met dien verstande dat bij een bestaansduur van de regeling van een of twee gehele kalenderjaren de laatste volzin niet van toepassing is.

Artikel 20 Waarde aandelenoptierecht

1. De waarde van een niet ter beurze genoteerd aandelenoptierecht wordt gesteld op de som van de intrinsieke waarde en de verwachtingswaarde van het aandelenoptierecht. De waarde wordt uitgedrukt in een percentage (P) van de waarde (W) in het economische verkeer op het genietingstijdstip van de aandelen waarop dat recht betrekking heeft.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt P berekend volgens de formule P = I + V doch ten minste 4, waarin I voorstelt: {(W - U) / W} x 100, U is daarin de in de optie-overeenkomst vastgelegde uitoefenkoers; V voorstelt: (4,5 - 0,1t) x t - (0,09 - 0,002t) x I x t doch ten minste nihil, t is daarin de na het genietingstijdstip resterende looptijd van het aandelenoptierecht in jaren of gedeelten van jaren, doch ten hoogste 20.

3. Voor de toepassing van dit artikel worden I en V naar beneden afgerond op gehele getallen.

4. Indien P op het genietingstijdstip niet bepaalbaar is op de voet van het tweede lid, wordt de waarde van het aandelenoptierecht, bedoeld in het eerste lid, gesteld op de waarde in het economische verkeer.

5. Indien de inhoudingsplichtige of de werknemer aannemelijk maakt dat de op de voet van het eerste tot en met het derde lid vastgestelde waarde hoger is dan de waarde in het economische verkeer van het aandelenoptierecht, wordt de laatstbedoelde waarde in de plaats gesteld van de eerstbedoelde waarde.

Artikel 21 Waarde kleding meewerkende kinderen

De waarde van kleding voor een kind dat werkzaam is in de onderneming van zijn ouder wordt gesteld op € 30,75 per maand (€ 7,00 per week, € 1,40 per dag).

Artikel 22 Normeringen en beperkingen

1. Ingeval in dit hoofdstuk of in hoofdstuk IIA van de wet is bepaald dat een vergoeding of verstrekking gedeeltelijk tot de vrije vergoedingen onderscheidenlijk verstrekkingen behoort, wordt het niet vrije gedeelte van de vergoeding of verstrekking tot het loon gerekend.

2. Ingeval een in dit hoofdstuk of in hoofdstuk IIA van de wet opgenomen regeling zowel betrekking heeft op een vrije vergoeding als op een vrije verstrekking, geldt het vrijgestelde bedrag voor vrije vergoedingen en vrije verstrekkingen tezamen.

Artikel 23 Kosten werknemer bij gedeeltelijk vrije vergoedingen en verstrekkingen

1. Ingeval ter zake van een op grond van dit hoofdstuk niet volledig vrije vergoeding kosten voor rekening van de werknemer blijven, wordt het in de desbetreffende bepaling opgenomen of bedoelde bedrag van het niet vrije gedeelte van de vergoeding verlaagd met deze kosten van de werknemer, doch niet verder dan tot nihil.

2. Ingeval ter zake van een op grond van dit hoofdstuk niet volledig vrije verstrekking aan de werknemer een eigen bijdrage in rekening wordt gebracht, wordt het in de desbetreffende bepaling opgenomen of bedoelde bedrag voor het niet vrije gedeelte van de verstrekking verlaagd met de eigen bijdrage van de werknemer, doch niet verder dan tot nihil.

Artikel 24 Werkkleding

Voor de toepassing van artikel 15a, eerste lid, onderdeel b, van de wet wordt kleding slechts als werkkleding aangemerkt indien zij:

a. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen;

b. is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de inhoudingsplichtige gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70 cm².

Artikel 25 Verhuizing in het kader van de dienstbetrekking

1. Voor de toepassing van artikel 15a, eerste lid, onderdeel g, van de wet verhuist de werknemer in ieder geval in het kader van de dienstbetrekking ingeval hij binnen twee jaar na de aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking of na overplaatsing binnen de bestaande dienstbetrekking:

a. verhuist naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe plaats van zijn dienstbetrekking terwijl hij op een afstand groter dan 10 kilometer van deze plaats woonde;

b. door verhuizing de afstand tussen zijn woning en de plaats van zijn dienstbetrekking met ten minste 50% en ten minste 10 kilometer bekort.

2. Onder afstand als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de afstand gemeten langs de meest gebruikelijke weg.

Artikel 26 Openbaarvervoerkaart

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een recht op vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer, indien aannemelijk is dat het recht op vrij reizen mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer en voorzover de vergoedingen meer bedragen dan de volgende bedragen: per persoon die van dat recht gebruik kan maken, minderjarige kinderen en pleegkinderen van de werknemer daaronder niet begrepen, € 54,00 per jaar dan wel, indien recht bestaat op reizen per 1e klas, € 82,00 per jaar.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van het recht op vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer, indien aannemelijk is dat het recht op vrij reizen mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer en voorzover de waarde in het economische verkeer van de verstrekkingen hoger is dan de volgende bedragen: per persoon die van dat recht gebruik kan maken, minderjarige kinderen en pleegkinderen van de werknemer daaronder niet begrepen, € 54,00 per jaar, dan wel, indien recht bestaat op reizen per 1e klas, € 82,00 per jaar.

Artikel 27 Aangewezen regio's uitgezonden werknemers

1. Als regio’s bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel c, onder 4°, van het besluit worden aangewezen:

a. de landen in Azië (waaronder Hongkong en het gedeelte van Turkije dat ten oosten van de Bosporus is gelegen);

b. de landen in Afrika;

c. de landen in Latijns Amerika (waaronder de Nederlandse Antillen en Aruba);

d. de volgende landen in Europa: Albanië, Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Bosnië-Hercegovina, Bulgarije, Estland, Georgië, Hongarije, de Federale Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro, daaronder begrepen Kosovo), Kroatië, Letland, Litouwen, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Moldavië, Oekraïne, Polen, Roemenië, de Russische Federatie, Slovenië, Slowakije en Tsjechië.

2. Onder de in het eerste lid genoemde landen worden begrepen gebieden gelegen buiten de territoriale wateren van die landen waar deze in overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten kunnen uitoefenen.

Artikel 28 Maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is. Normaantallen

1. Tot de vrije vergoedingen behoren niet vergoedingen ter zake van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is, voorzover het aantal maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 bedraagt.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren niet verstrekkingen van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is, voorzover het aantal maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 bedraagt.

Artikel 29 Bedrijfsfitness

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van bedrijfsfitness, voorzover:

a. deze geheel of nagenoeg geheel plaatsvindt gedurende de werktijd, en

b. deelneming aan de fitness openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers of openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van deze werknemers.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen ter zake van bedrijfsfitness, voorzover:

a. deze geheel of nagenoeg geheel plaatsvindt gedurende de werktijd, en

b. deelneming aan de fitness openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers of openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van deze werknemers.

3. Onder bedrijfsfitness als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstaan: conditie- of krachttraining van werknemers welke plaatsvindt onder deskundig toezicht en welke georganiseerd of geïnitieerd wordt door de inhoudingsplichtige.

Artikel 30 Werkruimte

1. Tot de vrije vergoedingen behoren niet vergoedingen ter zake van werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, indien:

1°. ingeval de werknemer tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn belastbare loon, belastbare resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 en winst uit een of meer ondernemingen in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft;

2°. ingeval de werknemer niet tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn belastbare loon, belastbare resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 en winst uit een of meer ondernemingen in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft of niet in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren niet verstrekkingen van werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, indien:

1°. ingeval de werknemer tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn belastbare loon, belastbare resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 en winst uit een of meer ondernemingen in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft;

2°. ingeval de werknemer niet tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn belastbare loon, belastbare resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 en winst uit een of meer ondernemingen in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft of niet in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft.

Artikel 31 Normering vrije vergoedingen en verstrekkingen werkruimte

1. Tot de vrije vergoedingen behoren, onverlet de toepassing van artikel 30, niet vergoedingen ter zake van werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, voorzover deze meer bedragen dan 20% van de huur dan wel van de huurwaarde van de woning, met inbegrip van de werkruimte. In geval van een werkruimte in een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt vorenbedoelde huurwaarde bepaald op de voet van artikel 3.19, tweede lid, van die wet.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren, onverlet de toepassing van artikel 30, niet verstrekkingen van werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, voorzover deze meer bedragen dan 20% van de huur dan wel van de huurwaarde van de woning, met inbegrip van de werkruimte. In geval van een werkruimte in een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt vorenbedoelde huurwaarde bepaald op de voet van artikel 3.19, tweede lid, van die wet.

Artikel 32 Maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is. Normbedragen

1. Tot de vrije vergoedingen behoren, in zoverre in afwijking van het bepaalde in artikel 28, vergoedingen ter zake van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is, voorzover het aantal maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 bedraagt en voorzover deze vergoedingen meer bedragen dan € 1,50 voor een ontbijt, € 1,50 voor een koffiemaaltijd en € 3,00 voor een warme maaltijd.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren, in zoverre in afwijking van het bepaalde in artikel 28, verstrekkingen van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is, voorzover het aantal maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 bedraagt en voorzover de waarde in het economische verkeer van deze verstrekkingen hoger is dan de in het eerste lid genoemde bedragen.

3. Indien de in het eerste lid en tweede lid bedoelde vergoedingen en verstrekkingen mede betrekking hebben op maaltijden van de gezinsleden van de werknemer, worden de in het eerste lid genoemde bedragen verhoogd:

a. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt: met 80%;

b. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt, doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt: met 50%;

c. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt: met 30%.

Artikel 33 Genot van een woning

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van het genot van een woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voor zover:

a. de vergoeding op jaarbasis meer bedraagt dan 18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bij een overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek, of

b. de vergoeding meer bedraagt dan het op verzoek van de werknemer door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de besparing.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van het genot van de woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voor zover:

a. de waarde in het economische verkeer op jaarbasis meer bedraagt dan 18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bij een overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek, of

b. de waarde in het economische verkeer meer bedraagt dan het op verzoek van de werknemer door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de besparing.

3. De in het eerste lid en tweede lid bedoelde vaststelling bij beschikking vindt slechts plaats, indien de werknemer aannemelijk maakt dat het bedrag van de besparing aanmerkelijk lager is dan de waarde in het economische verkeer van het genot van de woning.

4. De beschikking van de inspecteur, die te allen tijde bij nadere, voor bezwaar vatbare, beschikking kan worden herroepen, vindt toepassing met betrekking tot loontijdvakken die ten tijde van de beschikking nog niet zijn verstreken.

4. Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking beschouwd de vergoeding van het genot van een woning en de verstrekking in de vorm van het genot van de woning terzake van de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.

Artikel 34 Genot van bewassing, energie en water

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van bewassing, energie en water ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de vergoeding meer bedraagt dan het volgende bedrag:

a. voor bewassing: € 14,,50 per maand (€ 3,25 per week, € 0,65 per dag);

b. voor energie ten behoeve van verwarmingsdoeleinden: € 33,50 per maand (€ 7,75 per week, € 1,55 per dag);

c. voor energie ten behoeve van kookdoeleinden: € 18,50 per maand (€ 4,25 per week, € 0,85 per dag);

d. voor energie ten behoeve van andere dan verwarmings- en kookdoeleinden: € 12,00 per maand (€ 2,75 per week, € 0,55 per dag);

e. voor water: € 6,00 per maand (€ 1,50 per week, € 0,30 per dag).

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van bewassing, energie en water ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag.

Artikel 35 Inwoning

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van inwoning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de vergoeding meer bedraagt dan € 133,00 per maand (€ 30,75 per week, € 6,15 per dag).

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van inwoning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag.

3. Indien de in het eerste lid en tweede lid bedoelde vergoedingen en verstrekkingen mede betrekking hebben op inwoning door de gezinsleden van de werknemer, worden de in het eerste lid genoemde bedragen verhoogd:

a. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt: met 80%;

b. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt, doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt: met 50%;

c. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt: met 30%.

Artikel 36 Voordeelurenkaart

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van het recht op vermindering tot maximaal 50% van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer hoofdzakelijk buiten de ochtendspits (voordeelurenkaart) indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van het recht op vermindering tot maximaal 50% van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer hoofdzakelijk buiten de ochtendspits (voordeelurenkaart) indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer.

Artikel 37 Fiets voor woon-werkverkeer

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf van een fiets, voorzover de vergoeding meer bedraagt dan € 68,00 en niet meer bedraagt dan € 749, mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een fiets, voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan € 68,00 en niet hoger is dan € 749, mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan.

3. Tot de vrije verstrekkingen behoort de terbeschikkingstelling van een fiets met een catalogusprijs welke niet hoger is dan € 749 inclusief omzetbelasting, mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan.

4. De voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid geldende voorwaarden zijn:

a. de werknemer maakt op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik van de fiets;

b. in de drie voorafgaande jaren is ter zake van de aanschaf van een fiets geen vrije vergoeding betaald, en

c. in de drie voorafgaande jaren is als vrije verstrekking geen fiets verstrekt dan wel ter beschikking gesteld.

5. In afwijking in zoverre van het tweede lid behoort tot de vrije verstrekkingen de verstrekking van een fiets met een catalogusprijs welke niet hoger is dan € 749,00 inclusief omzetbelasting, die reeds vijf jaren voor woon-werkverkeer aan de werknemer ter beschikking was gesteld, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik van de fiets blijft maken.

6. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, voorzover de waarde van deze zaken niet hoger is dan € 250,00 per drie kalenderjaren, alsmede de vergoeding ter zake van een fietsverzekering, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets.

7. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, voorzover de waarde van deze zaken niet hoger is dan € 250,00 per drie kalenderjaren, alsmede de verstrekking van een fietsverzekering, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets.

Artikel 38 Telefoonabonnement met meerdere aansluitingen of nummers

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een telefoonabonnement van de werknemer dat voorziet in meerdere aansluitingen of nummers en waarvan het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is, voorzover de vergoeding meer bedraagt dan € 19,59 per maand (€ 4,50 per week, € 0,90 per dag).

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een telefoonabonnement van de werknemer dat voorziet in meerdere aansluitingen of nummers en waarvan het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is, voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag.

Artikel 39 Telefoon

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een mede voor de dienstbetrekking gebruikte telefoon, voorzover de kosten van de telefoon meer bedragen dan € 22,69 per maand (€ 5,22 per week, € 1,04 per dag).

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een mede voor de dienstbetrekking gebruikte telefoon, voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan de in het eerste lid genoemde bedragen.

3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien de waarde in het economische verkeer van het gebruik van de telefoon anders dan ten behoeve van de dienstbetrekking meer bedraagt dan € 454 op jaarbasis.

Artikel 40 Tweede of een volgende telefoon bij geheel of nagenoeg geheel zakelijk gebruik

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een tweede of een volgende telefoon van de werknemer die geheel of nagenoeg geheel ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking wordt gebruikt.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een tweede of een volgende telefoon van de werknemer die geheel of nagenoeg geheel ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking wordt gebruikt.

Artikel 41 Producten eigen bedrijf

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf bij de inhoudingsplichtige dan wel bij een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap tot een bedrag van ten hoogste:

a. 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten en

b. € 450 per kalenderjaar.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van ten hoogste:

a. 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten en

b. een bedrag van € 450 per kalenderjaar.

3. De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden verhoogd met de voor de twee voorafgaande kalenderjaren geldende bedragen voorzover deze bedragen nog niet zijn benut. De vorige volzin is niet van toepassing indien de dienstbetrekking in het desbetreffende kalenderjaar niet bestond.

4. Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot geldleningen.

Artikel 42 Personeelsfeesten, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen, in redelijkheid, ter zake van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen waaraan de deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid, voorzover de vergoedingen meer bedragen dan de laagste van de waarde in het economische verkeer van de voorzieningen en de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen; deze kosten worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het overigens in dit hoofdstuk bepaalde.

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid behoren vergoedingen tot de vrije vergoedingen voorzover de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen een bedrag van € 340,00 per kalenderjaar niet overtreffen. Ingeval een personeelsvoorziening betrekking heeft op een jubileum van de inhoudingsplichtige, wordt het bedrag van € 340,00 verhoogd tot € 454,00.

3. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen, in redelijkheid, van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen, waaraan de deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid, voorzover de waarde van de verstrekkingen hoger is dan de laagste van de waarde in het economische verkeer van de voorzieningen en de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen; deze kosten worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het overigens in dit hoofdstuk bepaalde.

4. In afwijking in zoverre van het derde lid behoren verstrekkingen tot de vrije verstrekkingen voorzover de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen een bedrag van € 340,00 per kalenderjaar niet overtreffen. Ingeval een personeelsvoorziening betrekking heeft op een jubileum van de inhoudingsplichtige, wordt het bedrag van € 340,00 verhoogd tot € 454,00.

Artikel 43 ARBO

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen die direct samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, tenzij de werknemer hierdoor een aanmerkelijke privé-besparing geniet.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen die direct samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, tenzij de werknemer hierdoor een aanmerkelijke privé-besparing geniet.

Artikel 44 Ongevallenverzekering

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van premies voor een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van een aanspraak op een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking.

Artikel 45 Outplacement

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van outplacement van de werknemer.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van outplacement van de werknemer.

Artikel 46 Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd

1. Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd behoren in ieder geval tot de vrije vergoedingen, indien zij € 3,00 per gewerkte week (€ 0,60 per gewerkte dag als niet op vijf dagen per week wordt gewerkt) niet te boven gaan.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien tijdens de werktijd consumpties, die geen deel uitmaken van een maaltijd, worden verstrekt.

Artikel 47 Vaste vergoedingen

Vaste vergoedingen behoren niet tot het loon, voorzover deze per kostencategorie naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd en daaraan voorts - op verzoek van de inspecteur - een steekproefsgewijs onderzoek van de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt.

Artikel 48 Buitenlandse regelingen inzake kinderopvang

De in artikel 16, eerste lid, onderdeel d, van de wet bedoelde buitenlandse regelingen zijn de regelingen die voldoen aan overeenkomstige eisen als gesteld in het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang.

Artikel 49 Vrije vergoedingen kinderopvang

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van kosten van kinderopvang voor de werknemer die op vijf of meer dagen per week beroepsmatige kinderopvang voor een of meer kinderen pleegt te genieten, voorzover zij meer bedragen dan het bedrag aangegeven in de desbetreffende volgende tabel:

Loon in geld (voor niet genoemde bedragen treedt het naast lagere in de plaats)

Niet voor belastingvrije vergoeding in aanmerking komend bedrag terzake van kinderopvang gedurende meer dan vijf uur per dag, niet zijnde buitenschoolse of naschoolse opvang

 

Voor het eerste kind

Voor elk volgend kind

Per maand

Per week

Per dag

Per maand

Per week

Per dag

Per maand

Per week

Per dag

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

-

-

-

39,00

9,00

1,80

39,00

9,00

1,80

1.360,00

313,75

62,75

76,10

17,50

3,50

45,35

10,50

2,10

1.625,00

375,00

75,00

110,25

25,50

5,10

45,35

10,50

2,10

2.155,00

497,25

99,45

178,50

41,25

8,25

52,90

12,25

2,45

2.685,00

619,50

123,90

240,65

55,50

11,10

71,90

16,50

3,30

3.215,00

742,00

148,40

299,85

69,25

13,85

89,85

20,75

4,15

3.745,00

864,25

172,85

362,00

83,50

16,70

108,75

25,00

5,00

4.275,00

986,50

197,30

423,65

97,75

19,55

127,60

29,50

5,90

4.805,00

1.108,75

221,75

466,50

107,75

21,55

140,25

32,25

6,45



Loon in geld (voor niet genoemde bedragen treedt het naast lagere in de plaats)

Niet voor belastingvrije vergoeding in aanmerking komend bedrag terzake van kinderopvang gedurende vijf uur per dag of minder, niet zijnde buitenschoolse of naschoolse opvang

 

Voor het eerste kind

Voor elk volgend kind

Per maand

Per week

Per dag

Per maand

Per week

Per dag

Per maand

Per week

Per dag

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

-

-

-

22,60

5,25

1,05

22,60

5,25

1,05

1.360,00

313,75

62,75

44,15

10,25

2,05

26,30

6,00

1,20

1.625,00

375,00

75,00

63,95

14,75

2,95

26,30

6,00

1,20

2.155,00

497,25

99,45

103,55

24,00

4,80

30,70

7,00

1,40

2.685,00

619,50

123,90

139,60

32,25

6,45

41,70

9,75

1,95

3.215,00

742,00

148,40

173,90

40,25

8,05

52,10

12,00

2,40

3.745,00

864,25

172,85

209,95

48,50

9,70

63,05

14,50

2,90

4.275,00

986,50

197,30

245,75

56,75

11,35

74,00

17,00

3,40

4.805,00

1.108,75

221,75

270,55

62,50

12,50

81,35

18,75

3,75


Loon in geld (voor niet genoemde bedragen treedt het naast lagere in de plaats)

Niet voor belastingvrije vergoeding in aanmerking komend bedrag ter zake van kinderopvang gedurende vijf uur per dag of minder, niet zijnde buitenschoolse of naschoolse opvang

 

Voor het eerste kind

Voor elk volgend kind

Per maand

Per week

Per dag

Per maand

Per week

Per dag

Per maand

Per week

Per dag

in euro’s

in euro’s

in euro’s

in euro’s

in euro’s

in euro’s

in euro’s

in euro’s

in euro’s

-

-

-

22,60

5,25

1,05

22,60

5,25

1,05

1.360,00

313,75

62,75

44,15

10,25

2,05

26,30

6,00

1,20

1.625,00

375,00

75,00

63,95

14,75

2,95

26,30

6,00

1,20

2.155,00

497,25

99,45

103,55

24,00

4,80

30,70

7,00

1,40

2.685,00

619,50

123,90

139,60

32,25

6,45

41,70

9,75

1,95

3.215,00

742,00

148,40

173,90

40,25

8,05

52,10

12,00

2,40

3.745,00

864,25

172,85

209,95

48,50

9,70

63,05

14,50

2,90

4.275,00

986,50

197,30

245,75

56,75

11,35

74,00

17,00

3,40

4.805,00

1.108,75

221,75

270,55

62,50

12,50

81,35

18,75

3,75



Loon in geld (voor niet genoemde bedragen treedt het naast lagere in de plaats)

Niet voor belastingvrije vergoeding in aanmerking komend bedrag ter zake van buitenschoolse opvang

 

Voor het eerste kind

Voor elk volgend kind

Per maand

Per week

Per dag

Per maand

Per week

Per dag

Per maand

Per week

Per dag

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

-

-

-

26,90

6,25

1,25

26,90

6,25

1,25

1.360,00

313,75

62,75

52,50

12,00

2,40

31,30

7,25

1,45

1.625,00

375,00

75,00

76,05

17,50

3,50

31,30

7,25

1,45

2.155,00

497,25

99,45

123,15

28,50

5,70

36,50

8,50

1,70

2.685,00

619,50

123,90

166,05

38,25

7,65

49,60

11,50

2,30

3.215,00

742,00

148,40

206,90

47,75

9,55

62,00

14,25

2,85

3.745,00

864,25

172,85

249,80

57,75

11,55

75,05

17,25

3,45

4.275,00

986,50

197,30

292,35

67,50

13,50

88,05

20,25

4,05

4.805,00

1.108,75

221,75

321,90

74,25

14,85

96,75

22,25

4,45



Loon in geld (voor niet genoemde bedragen treedt het naast lagere in de plaats)

Niet voor belastingvrije vergoeding in aanmerking komend bedrag ter zake van naschoolse opvang

 

Voor het eerste kind

Voor elk volgend kind

Per maand

Per week

Per dag

Per maand

Per week

Per dag

Per maand

Per week

Per dag

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

in euro's

-

-

-

21,45

5,00

1,00

21,45

5,00

1,00

1.360,00

313,75

62,75

41,85

9,75

1,95

24,95

5,75

1,15

1.625,00

375,00

75,00

60,65

14,00

2,80

24,95

5,75

1,15

2.155,00

497,25

99,45

98,20

22,75

4,55

29,10

6,75

1,35

2.685,00

619,50

123,90

132,35

30,50

6,10

39,55

9,25

1,85

3.215,00

742,00

148,40

164,90

38,00

7,60

49,40

11,50

2,30

3.745,00

864,25

172,85

199,10

46,00

9,20

59,80

13,75

2,75

4.275,00

986,50

197,30

233,00

53,75

10,75

70,15

16,25

3,25

4.805,00

1.108,75

221,75

256,60

59,25

11,85

77,15

17,75

3,55

Onder buitenschoolse opvang wordt verstaan kinderopvang die zowel voor als na schooltijd en tijdens de schoolvakanties plaatsvindt. Onder naschoolse opvang wordt verstaan kinderopvang die zowel na schooltijd als tijdens de schoolvakanties plaatsvindt.

2. Ingeval de werknemer voor meer dan een kind beroepsmatige kinderopvang pleegt te genieten, wordt als het in het eerste lid bedoelde eerste kind aangemerkt het kind voor wie het grootste aantal uren kinderopvang pleegt te worden genoten.

3. Voor de werknemer die op vier dagen, op drie dagen, op twee dagen of op een dag per week beroepsmatige kinderopvang pleegt te genieten, worden de in het eerste lid opgenomen, niet als vrije vergoeding in aanmerking komende bedragen gesteld op onderscheidenlijk viervijfde, drievijfde, tweevijfde en eenvijfde van het in de tabel aangegeven bedrag.

4. Voor het geval de kinderopvang bij de werknemer thuis plaatsvindt, wordt het in artikel 16c, tweede lid, van de wet opgenomen bedrag van € 9.400 per kind per kalenderjaar gesteld op € 783,25 per maand, € 180,75 per week en € 36,15 per dag.

5. Voor de toepassing van het eerste lid dient de werknemer gedagtekende facturen aan de inhoudingsplichtige te overhandigen waarbij een afschrift is gevoegd van de vergunning of de verklaring die door de gemeente aan de instelling of de natuurlijke persoon die de kinderopvang verricht, is afgegeven inhoudende dat de instelling of de natuurlijke persoon voldoet aan door de gemeente gestelde regels met betrekking tot de kwaliteit, en in welke facturen op duidelijke en overzichtelijke wijze zijn vermeld:

a. de instelling jegens welke of de natuurlijke persoon jegens wie de uitgaven worden gedaan;

b. de instelling of de natuurlijke persoon die de kinderopvang verricht, indien deze een andere is dan bedoeld in onderdeel a;

c. naam en leeftijd van de kinderen voor wie kinderopvang pleegt te worden genoten;

d. de perioden waarin en het aantal uren gedurende welke of het aantal dagen waarop gedurende meer dan vijf uur onderscheidenlijk vijf uur of minder, dan wel in de vorm van buitenschoolse opvang onderscheidenlijk naschoolse opvang per kind kinderopvang pleegt te worden genoten, en

e. het adres waar de kinderopvang pleegt plaats te vinden.

Voorts dient de werknemer een afschrift van de overeenkomst met de instelling of de natuurlijke persoon die de kinderopvang verzorgt aan de inhoudingsplichtige te overhandigen, in welke overeenkomst is opgenomen het adres waar de kinderopvang pleegt plaats te vinden.

6. De inhoudingsplichtige bewaart de in het vijfde lid bedoelde facturen en afschriften bij de loonadministratie.

7. Voor de toepassing van dit artikel wordt het loon in geld vermeerderd met de bedragen bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel j, onder 2°, 3° en 4°, van de wet.

Artikel 50 Vrije verstrekkingen kinderopvang

1. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van beroepsmatige kinderopvang, voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het met overeenkomstige toepassing van artikel 49, eerste, tweede, derde en vierde lid, te berekenen bedrag.

2. Ingeval de inhoudingsplichtige niet zelf de kinderopvang verricht, is het eerste lid slechts van toepassing indien hij beschikt over de in artikel 49, vijfde lid, vermelde bescheiden.

3. Artikel 49, zesde lid en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 51 Huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten

Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel, op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten, voorzover de waarde in het economische verkeer van die verstrekking hoger is dan het bedrag aangegeven in de volgende tabel:

 

Huisvesting

per maand
(in euro's)

per week
(in euro's)

per dag
(in euro's)

a.

aan boord van binnenschepen
- andere dan vissersschepen - en baggermaterieel:

    

1°.

voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont
- van een schip van meer dan 2000 ton:
- van een schip van meer dan 500, doch niet meer dan 2000 ton:
- van een ander schip of van baggermaterieel:


121,00
90,75
60,50


28,00
21,00
14,00


5,60
4,20
2,80

2°.

voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft:

49,00

11,25

2,25


b.


aan boord van zeeschepen - andere dan vissersschepen - en op boorplatforms:

     

1°.

voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont:

   

8,50

2°.

voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft:
- voor een kapitein en voor een officier:
- voor een andere werknemer:

   


4,00
2,00

c.

aan boord van vissersschepen:
voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft:

   


2,70

d.

in pakwagens van kermisexploitanten:
voor de werknemer die in een pakwagen woont en geen gezin heeft:


49,00


11,25


2,25

e.

voor de werknemer die niet is aangeduid in de onderdelen a, b, c en d:

nihil

nihil

nihil

Artikel 52 Bedragen bewassing, energie en water begrepen in bedrag inwoning en huisvesting

Voor de toepassing van artikel 35 en artikel 51 worden in het bedrag van inwoning dan wel in het bedrag van huisvesting geacht te zijn begrepen de bedragen van bewassing, energie en water, bedoeld in artikel 34.

Artikel 53 Kost aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms

1. Tot de vrije verstrekkingen behoren, in zoverre in afwijking van het bepaalde in artikel 32, verstrekkingen van kost aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms, voorzover de waarde in het economische verkeer van de kost hoger is dan € 4,35 per dag.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde verstrekkingen tevens betrekking hebben op gezinsleden van de werknemer, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag verhoogd:

a. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt: met 80%;

b. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt, doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt: met 50%;

c. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt: met 30%.

Artikel 54 Therapeutisch meeëten

Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van het in werktijd mee-eten van werknemers in de geestelijke en lichamelijke gezondheids- of welzijnszorg met de hen toevertrouwde patiënten, pupillen of bewoners, indien zij dit verplicht zijn op basis van de arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling op grond van opvoedkundige of therapeutische overwegingen of overwegingen van resocialiserende aard.

Artikel 55 Maaltijden in bedrijfskantines

Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van maaltijden in bedrijfskantines of andere soortgelijke ruimten op de plaats waar de arbeid wordt verricht, voorzover de waarde in het economische verkeer van die maaltijden hoger is dan € 1,95 voor een ontbijt, € 1,95 voor een koffiemaaltijd en € 3,70 voor een warme maaltijd.

Artikel 56 Kleding die blijft op de plaats waar de arbeid wordt verricht

Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van tijdens de vervulling van de dienstbetrekking gedragen kleding die blijft op de plaats buiten de woning van de werknemer waar de arbeid wordt verricht.

Artikel 57 Ziektekostenregeling met een zeer lage waarde

Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking in de vorm van een aanspraak ingevolge van een ziektekostenregeling met een waarde van ten hoogste € 27 per jaar.

Artikel 58 Collectieve ziektekostenregeling waarvan de waardering hoger zou zijn dan de kosten van een individuele verzekering

Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking in de vorm van een aanspraak ingevolge een collectieve ziektekostenregeling die overeenkomstig de door de ziektekostenverzekeraar in rekening gebrachte premie voor een deel wordt gedekt door een werknemersbijdrage die naar aard en omvang overeenkomt met de nominale premie ingevolge de Ziekenfondswet, voorzover deze aanspraak wordt gedekt door andere stortingen dan de hiervoor bedoelde bijdrage en voorzover de op de voet van artikel 18 te bepalen waarde van deze aanspraak hoger is dan € 2.688 per jaar.

Artikel 59 Rentevoordeel personeelsleningen

1. Tot de vrije verstrekkingen behoort het rentevoordeel ter zake van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening, voorzover de rente die ter zake van de geldlening in het economische verkeer verschuldigd zou zijn hoger is dan 4,4% per jaar.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort, in zoverre in afwijking van het eerste lid, het rentevoordeel ter zake van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening, voorzover de werknemer het geleende bedrag op een dusdanige wijze aanwendt dat een in de plaats van de lening voor de desbetreffende aanwending gekomen vergoeding of verstrekking hetzij geheel of nagenoeg geheel tot de vrije vergoedingen of vrije verstrekkingen zou hebben behoord, hetzij op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel q of onderdeel r , van de wet niet tot het loon zou hebben behoord.

Artikel 60 Splitsing pensioenregeling

1. Bij overschrijding van de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet opgenomen begrenzingen als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de wet kan de inhoudingsplichtige de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de begrenzingen verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen welk deel van de aanspraak binnen de begrenzingen blijft en welk deel de begrenzingen te boven gaat.

2. Met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde beschikking administreert de inhoudingsplichtige bij de loonadministratie afzonderlijk jaarlijks welk deel van de aanspraak tot het loon behoort en welk deel niet, alsmede de waarde van het deel dat jaarlijks in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Tevens administreert de inhoudingsplichtige naar rato van deze verdeling welk deel van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen als loon uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking zal worden genomen en welk deel als voordeel uit sparen en beleggen wordt behandeld.

3. Van de ingevolge het tweede lid geadministreerde verdeling van de aanspraak en waarde van het deel dat in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, alsmede de verdeling van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen, verstrekt de inhoudingsplichtige jaarlijks een opgave aan de inspecteur.

Artikel 61 Samenloop verschillende pensioenstelsels

1. Bij samenloop van verschillende pensioenstelsels in een pensioenregeling worden alle elementen van de pensioenregeling tezamen in acht genomen en in onderlinge samenhang bezien voor de vaststelling of de pensioenregeling moet worden aangemerkt als een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel, een middelloonstelsel of een beschikbare-premiestelsel.

2. In afwijking van het eerste lid dient voor elk onderdeel van de pensioenregeling dat niet past binnen het op grond van het eerste lid vastgestelde pensioenstelsel afzonderlijk te worden beoordeeld op welk van de drie aldaar genoemde stelsels dat onderdeel is gebaseerd.

3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid kan de inhoudingsplichtige de inspecteur verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen op welk stelsel de pensioenregeling of een onderdeel daarvan is gebaseerd.

4. Bij wijziging van een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd pensioen in een pensioen dat is gebaseerd op een eindloonstelsel of een middelloonstelsel blijven op de tot het moment van die stelselwijziging opgebouwde pensioenaanspraken de voorwaarden van toepassing die gelden voor een beschikbare-premiestelsel.

Artikel 62 Afwijkend loontijdvak bij werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is

Ten aanzien van de werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaam is, wordt in afwijking in zoverre van artikel 25, eerste lid, van de wet als loontijdvak aangemerkt:

a. indien het loon per week wordt uitbetaald: de week;

b. indien het loon per vier weken wordt uitbetaald: het tijdvak van vier weken;

c. indien het loon per maand wordt uitbetaald: de maand.

Artikel 63 Afwijkend loontijdvak bij werknemer met vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken

1. Ten aanzien van de werknemer wiens loon mede omvat de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken, wordt in afwijking in zoverre van artikel 25, eerste lid, van de wet als loontijdvak aangemerkt:

a. ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 20 of meer vakantiedagen: een door vermenigvuldiging met de factor 260/229 verlengd loontijdvak;

b. ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 19 of minder vakantiedagen: een door vermenigvuldiging met de factor 260/245 verlengd loontijdvak.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het aantal vakantiedagen in aanmerking genomen tot het krachtens de publiekrechtelijke regeling of de collectieve arbeidsovereenkomst voor een volwassen werknemer geldende aantal zonder rekening te houden met feestdagen en met extra vakantiedagen die aan de werknemer worden toegekend in verband met zijn leeftijd of de duur van zijn dienstverband.

Artikel 64 Afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren

1. Ten aanzien van de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer voor wie bij het begin van het kalenderkwartaal recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, dan wel die bij het begin van een kalenderkwartaal recht heeft op een gift, een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, dan wel die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming in de studiekosten ingevolge hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten, kan in afwijking in zoverre van artikel 25, eerste lid, van de wet voor loonbetalingen waarvan het inhoudingstijdstip in dat kwartaal is gelegen, dat kwartaal als loontijdvak worden aangemerkt. De vorige volzin wordt niet toegepast ten aanzien van de werknemer die niet te kennen heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak kan worden aangemerkt.

2. Indien in het kwartaal meer dan eens loon wordt verstrekt, wordt de op een inhoudingstijdstip verschuldigde belasting bepaald op de belasting die is verschuldigd over het in dat kwartaal in totaal verstrekte loon, verminderd met de reeds ingehouden belasting.

3. Bij toepassing van dit artikel is in geval van twee opeenvolgende dienstbetrekkingen artikel 23 van de wet niet van toepassing.

Artikel 65 Loonbelastingverklaring

1. De inhoudingsplichtige reikt aan de werknemer een loonbelastingverklaring met de daarbij behorende toelichting uit:

a. zodra hij ten aanzien van de werknemer inhoudingsplichtige wordt;

b. op verzoek van de werknemer;

c. zodra hij weet dat zich een wijziging heeft voorgedaan in de gegevens die de werknemer in de laatstelijk ingeleverde loonbelastingverklaring heeft verstrekt en die wijziging tot gevolg heeft dat de werknemer een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd.

2. De inhoudingsplichtige mag in plaats van het door de Belastingdienst verstrekte model van de loonbelastingverklaring gebruik maken van een eigen model loonbelastingverklaring, mits dat model minimaal de gegevens bevat van het model van de Belastingdienst, inclusief de gebruiksaanwijzing en de toelichting op de vragen, tenzij deze duidelijk niet betrekking hebben op de werknemer.

3. Het eerste lid, onderdeel a , is niet van toepassing ingeval de inhoudingsplichtige een nieuwe arbeidsverhouding met de werknemer aangaat binnen een jaar nadat de vorige arbeidsverhouding is beëindigd.

4. De werknemer verzoekt de inhoudingsplichtige om uitreiking van een loonbelastingverklaring indien zich een wijziging voordoet in de eerder door hem verstrekte gegevens en die wijziging tot gevolg heeft dat een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd.

5. De werknemer aan wie een loonbelastingverklaring is uitgereikt, is gehouden de daarbij gevraagde gegevens te verstrekken door de loonbelastingverklaring duidelijk, stellig en zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend, in te leveren bij de inhoudingsplichtige. De werknemer levert de ingevulde en ondertekende loonbelastingverklaring in voor de eerste loonverstrekking.

6. De inhoudingsplichtige tekent na terugontvangst van de loonbelastingverklaring daarop aan of de heffingskorting bij de werknemer wordt toegepast.

7. De inhoudingsplichtige bewaart de loonbelastingverklaring bij de loonadministratie tot ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd, dan wel waarin de loonbelastingverklaring door een andere is vervangen. Desgevorderd doet de inhoudingsplichtige de loonbelastingverklaring aan de inspecteur toekomen binnen een door deze gestelde termijn.

Artikel 66 Identificatieplicht

1. De inhoudingsplichtige stelt zodra de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt diens identiteit vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor controle beschikbaar bij de loonadministratie.

2. Indien uit het afschrift van het in het eerste lid bedoelde document niet de aard en het nummer van dat document blijkt, administreert de inhoudingsplichtige de aard en het nummer van dat document bij de loonadministratie.

3. De inspecteur kan, al dan niet onder door hem te stellen voorwaarden en in overeenstemming met de desbetreffende uitvoeringsorganen van de sociale verzekering, bepalen dat de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften op een andere plaats worden bewaard.

4. De inhoudingsplichtige bewaart de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften tot ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd.

Artikel 67 Loonstaat

1. De inhoudingsplichtige legt voor iedere werknemer voor de eerste loonverstrekking in het kalenderjaar een loonstaat aan en houdt deze vervolgens bij. De loonstaat wordt opgemaakt overeenkomstig het door de inspecteur verstrekte model. De inhoudingsplichtige mag een van het model afwijkende loonstaat gebruiken, mits deze ten minste de mogelijkheid biedt op duidelijke wijze dezelfde gegevens te administreren als het model.

2. De inhoudingsplichtige wordt geacht aan het eerste lid te voldoen ingeval hij met behulp van elektronische apparatuur alle van belang zijnde gegevens vastlegt en hij die gegevens op elk gewenst tijdstip op schrift in de vorm van een van de in het eerste lid bedoelde loonstaten ter inzage kan verstrekken.

3. In overeenstemming met de desbetreffende uitvoeringsorganen van de sociale verzekering kan de inspecteur onder door hem te stellen voorwaarden ermee instemmen dat de inhoudingsplichtige de op de loonstaat te vermelden gegevens op een andere dan de in het eerste of het tweede lid bedoelde wijze administreert. De instemming kan te allen tijde worden ingetrokken indien de administratie niet zodanig is ingericht dat een deugdelijke controle gewaarborgd is.

4. De inhoudingsplichtige ontleent de in het hoofd van de loonstaat te vermelden gegevens aan:

a. de laatstelijk van de werknemer terugontvangen loonbelastingverklaring;

b. de door de werknemer of de Belastingdienst verstrekte opgave van het sociaal-fiscaalnummer.

5. In afwijking in zoverre van het vierde lid, aanhef en onderdeel a , vermeldt de inhoudingsplichtige in het hoofd van de loonstaat de gegevens die hem bekend zijn:

a. indien hij weet dat de laatstelijk van de werknemer terugontvangen loonbelastingverklaring onjuiste gegevens bevat;

b. zolang hij niet de laatstelijk uitgereikte loonbelastingverklaring ingevuld van de werknemer heeft terugontvangen;

c. indien de werknemer is vrijgesteld van de verplichting tot inlevering van de loonbelastingverklaring.

6. De inhoudingsplichtige houdt, behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 26b van de wet, de belasting in aan de hand van de gegevens vermeld in het hoofd van de loonstaat.

7. De inhoudingsplichtige houdt de loonadministratie ter plaatse waar hij in Nederland kantoor houdt of, indien zodanig kantoor niet wordt gehouden, ter plaatse waar hij in Nederland woont of gevestigd is, dan wel ter plaatse waar hij in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft. Bij gebreke daarvan houdt hij de loonadministratie onder zijn berusting. De inspecteur kan, in overeenstemming met de desbetreffende uitvoeringsorganen van de sociale verzekering, een andere plaats aanwijzen.

8. Ingeval de loonberekening door derden wordt uitgevoerd met behulp van mechanische of elektronische apparatuur kan de minister van Financiën, onder door hem te stellen voorwaarden en in overeenstemming met de desbetreffende uitvoeringsorganen van de sociale verzekering, bepalen dat de loonadministratie op een andere plaats wordt bewaard.

Artikel 68 Administratie uitkeringen, vergoedingen en verstrekkingen

1. De inhoudingsplichtige administreert bij de loonadministratie de gegevens met betrekking tot de volgende uitkeringen, vergoedingen en verstrekkingen die door hem niet tot het loon van de werknemer zijn gerekend:

a. vrije vergoedingen met een vast of gelijkmatig karakter;

b. vrije vergoedingen van kosten en verstrekkingen die verband houden met het vervoer per auto, anders dan per taxi;

c. uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdelen l, m, o, p en q, artikel 15a, eerste lid, onderdelen h en j, artikel 16c en artikel 17a, onderdeel b, van de wet;

d. vrije vergoedingen en verstrekkingen ter zake van een recht op vrij reizen als bedoeld in artikel 26;

e. vrije vergoedingen en verstrekkingen ter zake van regelmatig woon-werkverkeer.

2. Met betrekking tot vergoedingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, administreert de inhoudingsplichtige bij de loonadministratie voor iedere werknemer per uitbetalingstijdvak tevens het aantal kilometers waarvoor de vergoeding is verstrekt.

3. De inhoudingsplichtige kan de in de vorige leden bedoelde gegevens op een andere plaats administreren, mits:

a. hij dit onder vermelding van de nieuwe bewaarplaats vooraf meldt aan de inspecteur, en

b. de gegevens op verzoek van de inspecteur voor controle beschikbaar komen op de plaats waar de loonadministratie wordt gevoerd.

Artikel 69 Loonbelastingkaart en coderingslijst

De inhoudingsplichtige vult na het einde van het kalenderjaar voor iedere werknemer een door de inspecteur verstrekte loonbelastingkaart in mede volgens de aanwijzingen van de daarbij behorende coderingslijst, tenzij de op de loonbelastingkaart te verstrekken gegevens overeenkomstig daartoe door de inspecteur gegeven aanwijzingen worden verstrekt met behulp van geautomatiseerd te verwerken informatiedragers.

Artikel 70 Loonbelastingkaart huispersoneel

In afwijking in zoverre van de artikelen 67 en 69 legt de inhoudingsplichtige ten aanzien van huispersoneel voor iedere werknemer voor de eerste loonverstrekking in het kalenderjaar in plaats van een loonstaat een door de inspecteur verstrekte loonbelastingkaart huispersoneel aan en houdt deze vervolgens bij.

Artikel 71 Uitreiken formulieren

De inspecteur reikt aan de inhoudingsplichtige uit de formulieren van de loonbelastingverklaring, loonbelastingkaart en loonbelastingkaart huispersoneel. Deze kaarten mogen slechts worden gebruikt ten behoeve van het daarin vermelde kalenderjaar.

Artikel 72 Inleveren formulieren

1. De inhoudingsplichtige doet binnen een maand na het einde van het kalenderjaar aan de inspecteur toekomen de voor dat jaar bestemde loonbelastingkaarten en loonbelastingkaarten huispersoneel, dan wel de informatiedragers met de op de loonbelastingkaart te verstrekken gegevens van dat jaar.

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid doet de inhoudingsplichtige binnen twee maanden na het einde van het kalenderjaar aan de inspecteur toekomen de voor dat jaar bestemde loonbelastingkaarten meewerkend kind.

Artikel 73 Verplichtingen bij einde inhoudingsplicht

Degene die op enig tijdstip, anders dan tijdelijk, ophoudt inhoudingsplichtige te zijn, doet daarvan binnen een maand mededeling aan de inspecteur. Voor de toepassing van de artikelen 69, 70 en 72 wordt dat tijdstip gelijkgesteld met het einde van het kalenderjaar.

Artikel 74 Jaaropgaaf

1. De inhoudingsplichtige verstrekt aan de werknemer een jaaropgaaf.

2. Ten aanzien van de werknemer van wie in verband met gemoedsbezwaren geen premie voor de volksverzekeringen is geheven, bevat de jaaropgaaf de mededeling dat in plaats van premie voor de volksverzekeringen tot eenzelfde bedrag aan premievervangende belasting is ingehouden.

Artikel 75 Uitzonderingen voor het opmaken van loonbelastingverklaring, loonstaat en jaaropgaaf bij het enkel genieten van bepaalde subsidies

De artikelen 65, 66, 67, 69 en 74 zijn niet van toepassing ten aanzien van de werknemer die van de inhoudingsplichtige geen ander loon geniet dan de subsidie, bedoeld in artikel 2 van de Regeling compensatie inkomensachteruitgang ex-banenpoolers. De belasting met betrekking tot dit loon wordt geheven zonder toepassing van de heffingskorting.

Artikel 76 Uitzondering voor het opmaken van loonbelastingverklaring en loonstaat bij meewerkende kinderen

Ten aanzien van een in de onderneming van zijn ouder werkzaam kind zijn de artikelen 65 en 67 niet van toepassing zolang de belasting mag worden ingehouden op de voet van artikel 10g van het besluit. De belasting met betrekking tot het loon van het kind wordt geheven met toepassing van de heffingskorting.

Artikel 77 Uitzondering voor het opmaken van loonbelastingverklaring en loonstaat bij gerechtigden tot de bijstand

Ten aanzien van de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Algemene bijstandswet zijn de artikelen 65 en 67 niet van toepassing.

Artikel 78 Uitzondering voor het opmaken van loonbelastingverklaring en loonstaat bij gerechtigden tot de inkomensvoorziening kunstenaars.

Ten aanzien van de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars zijn de artikelen 65 en 67 niet van toepassing. De belasting met betrekking tot deze uitkeringen wordt geheven zonder toepassing van de heffingskorting.

Artikel 79 Geen loonbelastingverklaring

1. Artikel 65 is niet van toepassing ten aanzien van:

a. de werknemer die uitkeringen geniet wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid of uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet, indien degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of laatstelijk heeft gestaan, de voor de heffing van de belasting vereiste gegevens, daaronder begrepen het sociaal-fiscaalnummer,schriftelijk mededeelt aan de inhoudingsplichtige;

b. de in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar niet heeft bereikt en loon uit vroegere dienstbetrekking geniet indien de inhoudingsplichtige weet dat de werknemer tevens een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten geniet;

c. de in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet, dan wel loon uit vroegere dienstbetrekking geniet waarin niet zijn begrepen de uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet;

d. de in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en loon geniet in de vorm van uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet dan wel loon uit vroegere dienstbetrekking geniet waarin zijn begrepen de uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet;

e. de werknemer die loon geniet in de vorm van uitkeringen als bedoeld in artikel 3 van de Wet inschakeling werkzoekenden.

2. Tenzij de werknemer met een loonbelastingverklaring andersluidende gegevens verstrekt, wordt de loonbelasting ingehouden:

a. zonder toepassing van de heffingskorting ten aanzien van de werknemer bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of onderdeel c;

b. met toepassing van de heffingskorting ten aanzien de werknemer bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.

3. Ten aanzien van de werknemer bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt de loonbelasting ingehouden zonder toepassing van de heffingskorting.

Artikel 80 Verstrekking sociaal-fiscaalnummer als geen loonbelastingverklaring behoeft te worden ingeleverd

Indien artikel 65 niet van toepassing is en de inhoudingsplichtige niet bekend is met het sociaal-fiscaalnummer van de werknemer, verzoekt de inhoudingsplichtige voor de eerste loonverstrekking de werknemer om opgave van zijn sociaal-fiscaalnummer. De werknemer doet deze opgave voor de eerste loonverstrekking toekomen aan de inhoudingsplichtige.

Artikel 81 Uitkeringen van publiekrechtelijke aard

Als uitkeringen van publiekrechtelijke aard die buiten aanmerking worden gelaten in het kader van de heffing van andere belastingen of in het kader van andere wettelijke regelingen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel c, van de wet worden aangewezen:

a. toeslagen in de zin van artikel 24, derde en vierde lid, van de Wet inschakeling werkzoekenden;

b. uitkeringen ingevolge de Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen;

c. uitkeringen ingevolge de Uitkeringswet KNIL-beroepsmilitairen;

d. subsidies als bedoeld in artikel 2 van de Regeling compensatie inkomensachteruitgang ex-banenpoolers.

Artikel 82 Naar het tabeltarief te belasten bezwaarlijk te individualiseren loon

1. Als loon dat bezwaarlijk kan worden geïndividualiseerd als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel d, van de wet worden aangewezen:

a. voordelen bestaande uit het niet op de werknemer verhalen van administratieve sancties die aan de inhoudingsplichtige zijn opgelegd ingevolge de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften;

b. geschenken ter gelegenheid van een jubileum van de inhoudingsplichtige;

c. geschenken ter gelegenheid van een persoonlijke feestdag van de werknemer;

d. aanspraken ingevolge een ziektekostenregeling die niet geheel of gedeeltelijk worden gedekt door een werknemersbijdrage voorzover deze door de inhoudingsplichtige in eigen beheer worden gehouden;

e. niet tot de vrije vergoedingen behorende vergoedingen ter zake van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is;

f. niet tot de vrije verstrekkingen behorende verstrekkingen van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is;

g. niet tot de vrije verstrekkingen behorende verstrekkingen van maaltijden in bedrijfskantines of andere soortgelijke ruimten op de plaats waar de arbeid wordt verricht;

h. verstrekkingen met een waarde in het economische verkeer van ten hoogste € 272,00 per jaar en ten hoogste € 136,00 per verstrekking, met overeenkomstige toepassing van het bij en krachtens artikel 13 dan wel artikel 17 van de wet bepaalde;

i. verstrekkingen van achtergestelde vliegvervoerbewijzen door luchtvaartmaatschappijen en aanverwante bedrijven;

j. niet tot de vrije vergoedingen behorende vergoedingen ter zake van regelmatig woon-werkverkeer voorzover deze vergoedingen tezamen met de desbetreffende vrije vergoedingen niet meer bedragen dan € 0,28 per kilometer en voorzover deze vergoedingen worden toegekend aan ambulante werknemers;

k. vergoedingen ter zake van een beperkt recht op geheel of gedeeltelijk vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer, dat niet dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer;

l. verstrekkingen van een beperkt recht op geheel of gedeeltelijk vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer, dat niet dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel j, wordt onder ambulante werknemers verstaan werknemers die in verband met de aard van hun werkzaamheden naar verschillende plaatsen van arbeid plegen te reizen.

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen k en l, wordt onder een beperkt recht verstaan een recht dat, behoudens in de maanden juli en augustus, van maandag tot en met vrijdag niet kan worden gebruikt tussen 07.00 en 09.00 uur of tussen 16.30 en 18.00 uur.

4. Met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde loon wordt het bedrag van de verschuldigde belasting bepaald aan de hand van het tabeltarief bedoeld in artikel 31, vierde lid, van de wet.

Artikel 83 Naar het enkelvoudige tarief te belasten bezwaarlijk te individualiseren loon

1. Als loon dat bezwaarlijk kan worden geïndividualiseerd als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel d, van de wet worden tevens aangewezen de op grond van artikel 42 niet tot de vrije vergoedingen behorende vergoedingen ter zake van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen, mits de deelname aan die voorzieningen openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid.

2. Als loon dat bezwaarlijk kan worden geïndividualiseerd als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel d, van de wet worden tevens aangewezen de op grond van artikel 42 niet tot de vrije verstrekkingen behorende verstrekkingen van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen, mits de deelname aan die voorzieningen openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid.

3. Met betrekking tot het in het eerste lid en tweede lid bedoelde loon wordt het bedrag van de verschuldigde belasting bepaald aan de hand van het enkelvoudige tarief bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de wet.

Artikel 84 Naar het enkelvoudige tarief te belasten loon met een bestemmingskarakter

Als loon met een bestemmingskarakter als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel e, van de wet worden aangewezen:

a. vergoedingen van de aan- en verkoopkosten van de woning van de werknemer bij bedrijfsverplaatsingen en andere zakelijke verhuizingen als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, onderdeel g, van de wet;

b. vergoedingen van parkeer-, veer- en tolgelden, alsmede overeenkomstige verstrekkingen;

c. reiskostenvergoedingen voorzover achteraf blijkt dat deze ingevolge artikel 16, derde lid, van de wet tot het loon moeten worden gerekend;

d. uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer geleden verlies wegens diefstal en dergelijke die hem in verband met het vervullen van de dienstbetrekking zijn overkomen;

e. uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer geleden schade ten gevolge van overstromingen, aardbevingen en dergelijke, die niet pleegt te worden verzekerd;

f. toeslagen als bedoeld in artikel 10, derde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en in artikel 21b van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 zoals dat luidde tot 1 januari 1992, alsmede toeslagen als bedoeld in artikel 19 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945;

g. niet tot de vrije vergoedingen behorende vergoedingen ter zake van een recht op openbaar vervoer als bedoeld in artikel 26;

h. niet tot de vrije verstrekkingen behorende verstrekkingen van een recht op openbaar vervoer als bedoeld in artikel 26;

i. loon als bedoeld in artikel 11a, tweede lid, van de wet.

Artikel 85 Aangewezen inhoudingsplichtigen bij eindheffing

Ter bevordering van een goede uitvoering van hoofdstuk V van de wet wordt, in afwijking van de artikelen 6 en 7 van de wet, het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als inhoudingsplichtige aangewezen met betrekking tot subsidies, bedoeld in artikel 81, onderdeel d .

Artikel 86 Door tussenkomst van de inhoudingsplichtige uitbetaalde uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringen

Degene tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat - of, indien krachtens artikel 8, tweede lid, van de wet een ander als inhoudingsplichtige is aangewezen, die ander - wordt geacht de uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten te verstrekken die door zijn tussenkomst worden uitbetaald.

Artikel 87 Doorbetaald loon uit tegenwoordige dienstbetrekking

1. De in Nederland wonende of gevestigde inhoudingsplichtige wordt geacht als onderdeel van het door hem verschuldigde loon van een in Nederland wonende werknemer ter beschikking te stellen het loon dat de werknemer geniet als werknemer van een andere inhoudingsplichtige indien:

a. de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking tevens werkzaam is als werknemer van die andere inhoudingsplichtige onder de verplichting het hem toekomende loon en de bijbehorende vrije vergoedingen af te staan aan de inhoudingsplichtige, en

b. die andere inhoudingsplichtige het bedoelde loon en de bijbehorende vrije vergoedingen rechtstreeks afdraagt aan de inhoudingsplichtige en aan de werknemer geen vrije verstrekkingen verstrekt die niet vooraf aan de inhoudingsplichtige zijn medegedeeld.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een niet in Nederland wonende werknemer ingeval het aan de inhoudingsplichtige afgestane loon voor de toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting niet anders zou worden behandeld dan het door deze inhoudingsplichtige aan de werknemer uit te betalen loon.

3. Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing als de inspecteur die bevoegd is ten aanzien van degene die zonder toepassing van deze leden belasting had moeten inhouden op gezamenlijk verzoek van de bedoelde personen bij voor bezwaar vatbare beschikking, die te allen tijde bij nadere, voor bezwaar vatbare, beschikking kan worden herroepen, heeft vastgesteld dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan.

Artikel 88 Meerdere gevallen van loon uit vroegere dienstbetrekking

Een inhoudingsplichtige die aan een of meer werknemers loon uit een vroegere dienstbetrekking - niet zijnde uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet - verstrekt, wordt ook geacht te verstrekken:

a. het loon uit een vroegere dienstbetrekking dat door zijn tussenkomst wordt uitbetaald;

b. de uit de vroegere dienstbetrekking genoten aanspraak op uitkeringen ingevolge een ziektekostenregeling.

Artikel 89 Berekening van de belasting bij aanvullingen op uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten

Degene tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat - of, indien krachtens artikel 8, tweede lid, van de wet een ander als inhoudingsplichtige is aangewezen, die ander - berekent de belasting over de door hem verstrekte aanvullingen op uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten over het gezamenlijke bedrag en brengt op de aldus berekende belasting in mindering de op de uitkeringen ingehouden belasting.

Artikel 90 Berekening van de belasting bij samenloop van pensioenuitkeringen

[VERVALLEN]

Artikel 91 Samenvoeging van loon

Een inhoudingsplichtige wordt, in de gevallen bedoeld in de artikelen 86 en 88 alsmede indien hij loon uit meer dan een vroegere dienstbetrekking verstrekt, geacht het totale bedrag aan loon te verstrekken uit een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking.

Artikel 92 Loon over een ander tijdvak dan het regelmatig wederkerende loon

1. Indien een inhoudingsplichtige aan de werknemer loon verstrekt over een ander tijdvak dan dat waarover hij het regelmatig wederkerende loon verstrekt, wordt naar het loon over dat andere tijdvak verschuldigde belasting, ter keuze van de inhoudingsplichtige, berekend hetzij door toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen, hetzij volgens het tweede en het derde lid.

2. De belasting naar het loon over het andere tijdvak is gelijk aan het verschil van:

a. de belasting die op het tijdstip waarop het loon over het andere tijdvak wordt verstrekt, verschuldigd zou zijn indien op dat tijdstip tevens werd verstrekt het loon over de met dat andere tijdvak geheel of gedeeltelijk samenvallende tijdvakken van het regelmatige wederkerende loon, en

b. de belasting die op het tijdstip waarop het loon over het andere tijdvak wordt verstrekt, verschuldigd zou zijn indien op dat tijdstip uitsluitend werd verstrekt het loon over de met dat andere tijdvak geheel of gedeeltelijk samenvallende tijdvakken van het regelmatige wederkerende loon.

3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen a en b, wordt als loontijdvak aangemerkt een tijdvak dat even groot is als de gezamenlijke met het andere tijdvak geheel of gedeeltelijk samenvallende tijdvakken van het regelmatig wederkerende loon.

4. Ingeval regelmatig wederkerend loon wordt verstrekt over tijdvakken van verschillende duur die gedeeltelijk samenvallen, wordt slechts het loon over het kortste van die tijdvakken als regelmatig wederkerend loon beschouwd.

5. Ingeval een inhoudingsplichtige loon uit meer dan een vroegere dienstbetrekking verstrekt of geacht wordt te verstrekken, wordt de belasting naar het loon over het andere tijdvak - indien dit, afgezien van het vierde lid, regelmatig wederkerend loon is - steeds berekend volgens het tweede en het derde lid.

Artikel 93 Nettoloon, gevolgd door periodieke afrekening

1. De inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden de inhoudingsplichtige toestaan met betrekking tot bepaalde categorieën werknemers voorlopig te volstaan met uitbetaling van een geschat nettoloon, gevolgd door periodieke afrekening.

2. De inhoudingsplichtige rekent bij de laatste loonverstrekking in een tijdvak van ten hoogste drie maanden met de werknemer de belasting af die is verschuldigd ter zake van het in dat tijdvak aan de werknemer toekomende loon waarop de vergunning betrekking heeft, met dien verstande dat bij de laatste loonverstrekking in een kalenderjaar steeds afrekening plaatsvindt. Daarbij wordt de verschuldigde belasting bepaald als ware het loon verstrekt op het tijdstip waarop de afrekening plaatsvindt en over het tijdvak waarop de afrekening betrekking heeft.

Artikel 94 Informatieplicht bij loon van derde

Ingeval de in te houden belasting mede afhankelijk is van loon dat is verstrekt of geacht wordt te zijn verstrekt door een derde, dan wel van loon van een derde dat door de inhoudingsplichtige geacht wordt te zijn verstrekt, deelt die derde de van belang zijnde gegevens alsmede het sociaal-fiscaalnummer van de werknemer schriftelijk mede aan de inhoudingsplichtige.

Artikel 95 Gageverklaring

1. De inhoudingsplichtige reikt aan de artiest dan wel beroepssporter een gageverklaring met de daarbij behorende toelichting uit:

a. zodra hij ten aanzien van de artiest dan wel beroepssporter inhoudingsplichtige wordt;

b. op verzoek van de artiest dan wel beroepssporter;

c. zodra hij weet dat zich een wijziging heeft voorgedaan in de gegevens die de artiest dan wel beroepssporter in de laatstelijk ingeleverde gageverklaring heeft verstrekt en die wijziging tot gevolg heeft dat de artiest dan wel beroepssporter een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd.

2. De artiest dan wel beroepssporter verzoekt de inhoudingsplichtige om uitreiking van een gageverklaring indien zich een wijziging voordoet in de eerder door hem verstrekte gegevens en die wijziging tot gevolg heeft dat een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd.

3. De artiest dan wel beroepssporter aan wie een gageverklaring is uitgereikt, is gehouden de daarbij gevraagde gegevens te verstrekken door de gageverklaring duidelijk, stellig en zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend, in te leveren bij de inhoudingsplichtige. De artiest dan wel beroepssporter levert de ingevulde en ondertekende gageverklaring in voor de eerste gageverstrekking.

4. De inhoudingsplichtige doet de gageverklaring binnen een week na de terugontvangst toekomen aan de inspecteur, tenzij deze hem opdraagt de gageverklaringen te bewaren.

5. De inhoudingsplichtige aan wie de in het vierde lid bedoelde opdracht is verstrekt, bewaart de gageverklaring bij de loonadministratie tot ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin het optreden of de sportbeoefening heeft plaatsgevonden dan wel waarin de gageverklaring door een andere is vervangen. Desgevorderd doet de inhoudingsplichtige de gageverklaring aan de inspecteur toekomen binnen een door deze gestelde termijn.

Artikel 96 Identificatieplicht

1. De inhoudingsplichtige stelt zodra de artiest dan wel beroepssporter zijn werkzaamheden aanvangt diens identiteit vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor controle beschikbaar bij de loonadministratie.

2. Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 97 Loonstaat

1. De inhoudingsplichtige legt voor iedere artiest dan wel beroepssporter voor de eerste gageverstrekking in het kalenderjaar een loonstaat aan en houdt deze vervolgens bij. De loonstaat wordt opgemaakt overeenkomstig het door de inspecteur verstrekte model. De inhoudingsplichtige mag een van het model afwijkende loonstaat gebruiken, mits deze ten minste de mogelijkheid biedt op duidelijke wijze dezelfde gegevens te administreren als het model.

2. Artikel 67, tweede, derde, vierde, vijfde, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. De inhoudingsplichtige houdt, behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 35a, tweede lid, van de wet, de belasting in aan de hand van de gegevens vermeld in het hoofd van de loonstaat.

Artikel 98 Administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen in natura en aanspraken

1. De inhoudingsplichtige administreert bij de loonadministratie de gegevens met betrekking tot de aan de artiest dan wel beroepssporter verstrekte kostenvergoedingen en verstrekkingen in natura, voorzover deze niet tot de gage behoren, alsmede aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen.

2. De inhoudingsplichtige kan de in de vorige leden bedoelde gegevens op een andere plaats administreren, mits:

a. hij dit onder vermelding van de nieuwe bewaarplaats vooraf meldt aan de inspecteur, en

b. de gegevens op verzoek van de inspecteur voor controle beschikbaar komen op de plaats waar de administratie wordt gevoerd.

Artikel 99 Loonbelastingkaart en coderingslijst

De inhoudingsplichtige vult na het einde van het kalenderjaar voor iedere artiest dan wel beroepssporter een door de inspecteur verstrekte loonbelastingkaart in mede volgens de aanwijzingen van de daarbij behorende coderingslijst, tenzij de op de loonbelastingkaart te verstrekken gegevens overeenkomstig daartoe door de inspecteur gegeven aanwijzingen worden verstrekt met behulp van geautomatiseerd te verwerken informatiedragers.

Artikel 100 Uitreiken formulieren

De inspecteur reikt aan de inhoudingsplichtige uit de formulieren van de gageverklaring en de loonbelastingkaart. De kaarten mogen slechts worden gebruikt ten behoeve van het daarin vermelde kalenderjaar.

Artikel 101 Inleveren formulieren

De inhoudingsplichtige doet binnen een maand na het einde van het kalenderjaar aan de inspecteur toekomen de voor dat jaar bestemde loonbelastingkaarten dan wel de informatiedragers met de op de loonbelastingkaart te verstrekken gegevens van dat jaar.

Artikel 102 Verplichtingen bij einde inhoudingsplicht

Degene die op enig tijdstip, anders dan tijdelijk, ophoudt inhoudingsplichtige te zijn, doet daarvan binnen een maand mededeling aan de inspecteur. Voor de toepassing van de artikelen 99 en 101 wordt dat tijdstip gelijkgesteld met het einde van het kalenderjaar.

Artikel 103 Afwijkende termijnen

Ten aanzien van de inhoudingsplichtige die alleen gedurende een gedeelte van het kalenderjaar inhoudingsplichtige is ten aanzien van artiesten of beroepssporters, kan de inspecteur voor de toepassing van de artikelen 99 en 101 voor het einde van het kalenderjaar een ander tijdstip in de plaats stellen.

Artikel 104 Jaaropgaaf

De inhoudingsplichtige verstrekt aan de artiest dan wel beroepssporter een jaaropgaaf.

Artikel 104a Uitzonderingen voor de kleine vergoedingsregeling

De artikelen 97 en 98 zijn niet van toepassing indien met betrekking tot het optreden of de sportbeoefening na de toepassing van de individuele kostenvergoedingsbeschikking dan wel de gezelschapskostenvergoedingsbeschikking, bedoeld in artikel 12a, zevende lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, de in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen nihil bedraagt. De vorige volzin is niet van toepassing indien de inspecteur zulks ten aanzien van de inhoudingsplichtige bij voor bezwaar vatbare beschikking verklaart.

Artikel 105 Overgangsregeling loonbelastingverklaring

1. Ten aanzien van de werknemer die op 31 december 2000 overeenkomstig de loonbelastingverklaring was ingedeeld in tariefgroep 0 wordt de belasting ingehouden zonder toepassing van de heffingskorting.

2. Ten aanzien van de werknemer die op 31 december 2000 overeenkomstig de loonbelastingverklaring was ingedeeld in tariefgroep 1, in tariefgroep 2, in tariefgroep 3, in tariefgroep 4, of in tariefgroep 5 wordt de belasting ingehouden met toepassing van de heffingskorting.

3. Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is van toepassing totdat de inhoudingsplichtige op grond van het bepaalde in artikel 65, eerste lid, onderdeel b of onderdeel c, aan de werknemer een loonbelastingverklaring moet uitreiken.

Artikel 106 Overgangsregeling hogere vrije vergoeding regelmatig woon-werkverkeer als de werknemer andere werknemers vervoert

[VERVALLEN]

Artikel 107 Overgangsregeling fiets voor woon-werkverkeer

1. Voor het kalenderjaar 2001 wordt onder de in artikel 37, tweede en derde lid, bedoelde vrije verstrekkingen tevens begrepen een op de voet van artikel 14, derde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 in de kalenderjaren 1998, 1999 en 2000 op € 68,00 respectievelijk nihil gestelde waarde van een verstrekte dan wel ter beschikking gestelde fiets.

2. Voor het kalenderjaar 2002 wordt onder de in artikel 37, tweede en derde lid, bedoelde vrije verstrekkingen tevens begrepen een op de voet van artikel 14, derde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 in de kalenderjaren 1999 en 2000 op € 68,00 respectievelijk nihil gestelde waarde van een verstrekte dan wel ter beschikking gestelde fiets.

3. Voor het kalenderjaar 2003 wordt onder de in artikel 37, tweede en derde lid, bedoelde vrije verstrekkingen tevens begrepen de op de voet van artikel 14, derde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 in het kalenderjaar 2000 op € 68,00 respectievelijk nihil gestelde waarde van een verstrekte dan wel ter beschikking gestelde fiets.

4. Voor het kalenderjaar 2001 wordt onder de in artikel 37, zesde en zevende lid, bedoelde vrije vergoedingen en verstrekkingen tevens begrepen de op de voet van artikel 14, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 in de kalenderjaren 1999 en 2000 op nihil gestelde waarde van de met een fiets samenhangende zaken die dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer.

5. Voor het kalenderjaar 2002 wordt onder de in artikel 37, zesde en zevende lid, bedoelde vrije vergoedingen en verstrekkingen tevens begrepen de op de voet van artikel 14, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 in het kalenderjaar 2000 op nihil gestelde waarde van de met een fiets samenhangende zaken die dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer.

107a. Overgangsregeling producten eigen bedrijf

1. Naar keuze van de inhoudingsplichtige blijft artikel 41 zoals dat artikel luidde op 31 december 2002 in het kalenderjaar 2003 van toepassing in plaats van artikel 41.

2. Voor de toepassing van artikel 41, derde lid, eerste volzin mag worden aangenomen dat voor de jaren 2001 en 2002 een bedrag van € 450 heeft gegolden.

3. Voor de toepassing van artikel 41, derde lid, eerste volzin mag worden aangenomen dat voor de jaren 2002 en 2003 een bedrag van € 450 heeft gegolden, indien de inhoudingsplichtige met toepassing van het eerste lid heeft gekozen voor de toepassing in het kalenderjaar 2003 van artikel 41 zoals dat artikel luidde op 31 december 2002.

Artikel 108 Overgangsregeling personeelsleningen

Voor de toepassing van artikel 59, tweede lid, geldt met betrekking tot de kalenderjaren 2001 en 2002 dat een werknemer wordt geacht de bedoelde geldlening of geldleningen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste € 3403,00 op een dusdanige wijze aan te wenden dat een in de plaats van de lening of leningen voor de desbetreffende aanwending gekomen vergoeding of verstrekking geheel of nagenoeg geheel tot de vrije vergoedingen of vrije verstrekkingen zou hebben behoord.

Artikel 109 Overgangsregeling dagbladen

Voor de kalenderjaren 2001 en 2002 en voor de eerste zes maanden van het kalenderjaar 2003 behoort tot de vrije verstrekkingen de verstrekking aan de werknemer van een dagbladuitgeversbedrijf van een abonnement op een dagblad dat door dat bedrijf wordt uitgegeven.

Artikel 109a Overgangsregeling openbaarvervoerkaart

1. Voor de kalenderjaren 2001 en 2002 en voor de eerste zes maanden van het kalenderjaar 2003 behoort tot de vrije verstrekkingen de verstrekking van een aan alle of alle onder een zelfde categorie vallende werknemers van de inhoudingsplichtige ter beschikking gesteld recht op vrij reizen met Nederlands openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer, voorzover de waarde in het economische verkeer van de verstrekking hoger is dan de volgende bedragen: per persoon die van dat recht gebruik kan maken, minderjarige kinderen en pleegkinderen van de werknemer daaronder niet begrepen, € 54 per jaar, dan wel, indien recht bestaat op reizen per 1e klas, € 82 per jaar.

2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien reeds in het kalenderjaar 2000 een recht als bedoeld in het eerste lid ter beschikking is gesteld aan alle of alle onder dezelfde categorie vallende werknemers van de inhoudingsplichtige.

Artikel 110 Overgangsregeling vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen en daarmee overeenkomende aanspraken

Ingeval in een reeds op 31 december 1996 bestaande of aansluitend naar strekking ter zake ongewijzigd voortgezette publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst is voorzien in vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken wordt, in afwijking van artikel 18 de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken gesteld op een percentage van de nominale waarde van die bonnen of aanspraken. Het in de eerste volzin bedoelde percentage bedraagt voor:

2001: 82,5;

2002: 85;

2003: 87,5;

2004: 90;

2005: 92,5.

Artikel 111 Guldensbedragen

1. De in deze regeling vermelde guldensbedragen vervallen met ingang van 1 januari 2002, met inbegrip van de guldenstekens en de haakjes.

2. De in artikel 49, eerste lid, opgenomen tabel met aanduiding "Tabel II" vervalt met ingang van 1 januari 2002. Tevens vervalt met ingang van 1 januari 2002 in artikel 49, eerste lid, de aanduiding "Tabel I " boven de met aanduiding "Tabel I" opgenomen tabel.

Artikel 112 Intrekking van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990

De Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 wordt ingetrokken.

Artikel 113 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Artikel 114 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.