Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (tekst 2005, na het invoeren van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling)

INHOUDSOPGAVE

 

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

artikel 1

reikwijdte

artikel 2

definities

 

HOOFDSTUK 2 BELASTINGPLICHT

(hoofdstuk I van de wet)

artikel 3

niet-inhoudingsplichtigen

artikel 4

aangewezen inhoudingsplichtige bij de hulp van een thuiswerker

artikel 5

aangewezen inhoudingsplichtige bij een artiest dan wel een beroepssporter

artikel 6

bij overeenkomst aangewezen inhoudingsplichtige bij een beroepssporter

 

HOOFDSTUK 3 VOORWERP VAN DE BELASTING

(hoofdstuk II van de wet)

artikel 7

niet tot het loon behorende aanspraken

artikel 8

loon voor de toepassing van enkele regelingen

artikel 9

aanvullende voorwaarden vrijstelling bij werken

artikel 10

[vervallen]

artikel 11

geclausuleerd verlof

artikel 12

schriftelijke vastlegging regeling voor verlofsparen

artikel 13

verlofsparen: geldsparen en tijdsparen

artikel 14

maximale opbouw in een jaar bij verlofsparen

artikel 15

toegestane aangroei boven het plafond bij verlofsparen

artikel 16

wijze van beschikken over verlofspaartegoed

artikel 17

fooien en dergelijke prestaties van derden

artikel 18

waarde aanspraak

artikel 19

waarde aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling in eigen beheer

artikel 20

[vervallen]

artikel 21

waarde kleding meewerkende kinderen

artikel 21a*

Waarde van het genot van een ter beschikking gestelde computer

artikel 21a

Waarde kinderopvang

 

HOOFDSTUK 4 VRIJE VERGOEDINGEN EN VERSTREKKINGEN

(hoofdstuk IIA van de wet)

artikel 22

normeringen en beperkingen

artikel 23

kosten werknemer bij gedeeltelijk vrije vergoedingen en verstrekkingen

artikel 24

werkkleding

artikel 25

verhuizing in het kader van de dienstbetrekking

artikel 26

openbaarvervoerkaart

artikel 27

aangewezen regio's uitgezonden werknemers

artikel 28

normaantallen maaltijden met zakelijk karakter

artikel 29

bedrijfsfitness

artikel 30

werkruimte

artikel 31

normering vrije vergoedingen en verstrekkingen werkruimte

artikel 32

normbedragen maaltijden met zakelijk karakter

artikel 33

genot van een woning

artikel 34

genot van bewassing, energie en water

artikel 35

inwoning

artikel 36

voordeelurenkaart

artikel 37

fiets voor woon-werkverkeer

artikel 38

telefoonabonnement met meerdere aansluitingen of nummers

artikel 39

telefoon

artikel 40

tweede telefoon

artikel 41

producten eigen bedrijf

artikel 42

personeelsfeesten, personeelsfestiviteiten en dergelijke

artikel 43

ARBO

artikel 44

ongevallenverzekering

artikel 45

outplacement

artikel 46

(vrije) vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd

artikel 47

vaste vergoedingen

artikel 48

[vervallen]

artikel 49

vrije vergoedingen kinderopvang

artikel 50

[vervallen]

artikel 51

huisvesting aan boord van schepen en op baggermaterieel en dergelijke

artikel 52

bedragen bewassing, energie en water

artikel 53

kost aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms

artikel 54

therapeutisch meeλten

artikel 55

maaltijden in bedrijfskantines

artikel 56

kleding die blijft op de plaats waar de arbeid wordt verricht

artikel 57

ziektekostenregeling met een zeer lage waarde

artikel 58

waardering collectieve ziektekostenregeling

artikel 59

rentevoordeel personeelsleningen

 

HOOFDSTUK 5 PENSIOENREGELINGEN EN REGELINGEN VOOR VERVROEGDE UITTREDING

(hoofdstuk IIB van de wet)

artikel 60

splitsing pensioenregeling

artikel 61

samenloop verschillende pensioenstelsels

 

HOOFDSTUK 6 TARIEF

(hoofdstuk III van de wet)

artikel 62

afwijkend loontijdvak werknemer op minder dan vijf dagen werkzaam

artikel 63

afwijkend loontijdvak bij werknemer met vakantiebonnen

artikel 64

afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren

 

HOOFDSTUK 7 WIJZE VAN HEFFING

(hoofdstuk IV van de wet)

artikel 65

loonbelastingverklaring

artikel 66

identificatieplicht

artikel 67

loonstaat

artikel 68

administratie uitkeringen, vergoedingen en verstrekkingen

artikel 69

loonbelastingkaart en coderingslijst

artikel 70

loonbelastingkaart huispersoneel

artikel 71

uitreiken formulieren

artikel 72

inleveren formulieren

artikel 73

verplichtingen bij einde inhoudingsplicht

artikel 74

jaaropgaaf

artikel 75

uitzonderingen voor het opmaken van loonbelastingverklaring

artikel 76

uitzondering loonbelastingverklaring en loonstaat bij meewerkende kinderen

artikel 77

uitzondering loonbelastingverklaring en loonstaat bij bijstandsgerechtigden

artikel 78

uitzondering loonbelastingverklaring en loonstaat bij kunstenaars

artikel 79

geen loonbelastingverklaring

artikel 80

verstrekking sociaal-fiscaalnummer zonder loonbelastingverklaring

 

HOOFDSTUK 8 EINDHEFFING

(hoofdstuk V van de wet)

artikel 81

uitkeringen van publiekrechtelijke aard

artikel 82

tabeltarief bezwaarlijk te individualiseren loon

artikel 82a

bedrag van naar tabeltarief te belasten vergoedingen en verstrekkingen

artikel 83

enkelvoudig tarief bezwaarlijk te individualiseren loon

artikel 84

loon met een bestemmingskarakter

artikel 85

aangewezen inhoudingsplichtigen bij eindheffing

 

HOOFDSTUK 9 AANVULLENDE REGELINGEN

(hoofdstuk VI van de wet)

artikel 86

door inhoudingsplichtige uitbetaalde sociale uitkeringen

artikel 87

doorbetaald loon uit tegenwoordige dienstbetrekking

artikel 88

meerdere gevallen van loon uit vroegere dienstbetrekking

artikel 89

berekening belasting aanvullingen op sociale uitkeringen

artikel 90

[vervallen]

artikel 91

samenvoeging van loon

artikel 92

loon over een ander tijdvak dan het regelmatig wederkerende loon

artikel 93

nettoloon, gevolgd door periodieke afrekening

artikel 94

informatieplicht bij loon van derde

 

HOOFDSTUK 10 BELASTINGHEFFING VAN ARTIESTEN EN BEROEPSSPORTERS

(hoofdstuk VII van de wet)

artikel 95

gageverklaring

artikel 96

identificatieplicht

artikel 97

loonstaat

artikel 98

administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen in natura en aanspraken

artikel 99

loonbelastingkaart en coderingslijst

artikel 100

uitreiken formulieren

artikel 101

inleveren formulieren

artikel 102

[vervallen]

artikel 103

[vervallen]

artikel 104

jaaropgaaf

artikel 104a

uitzonderingen

 

HOOFDSTUK 10A. BELASTINGHEFFING VAN BUITENLANDSE GEZELSCHAPPEN

(hoofdstuk VIIA van de wet)

artikel 104b

in Nederland wonende leden van het buitenlandse gezelschap

artikel 104c

gageverklaring

artikel 104d

identificatieplicht

artikel 104e

loonstaat

artikel 104f

administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen in natura en aanspraken

artikel 104g

loonbelastingkaart en coderingslijst

artikel 104h

uitreiken formulieren

artikel 104i

inleveren formulieren

artikel 104j

uitzonderingen

 

HOOFDSTUK 11 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

artikel 105

overgangsregeling loonbelastingverklaring

artikel 106

[vervallen]

artikel 107

[vervallen]

artikel 107a

overgangsregeling producten eigen bedrijf

artikel 108

[vervallen]

artikel 109

[vervallen]

artikel 109a

[vervallen]

artikel 110

overgangsregeling vakantiebonnen

artikel 111

[vervallen]

artikel 112

Intrekking van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990

artikel 113

inwerkingtreding

artikel 114

citeertitel

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Artikel 1 Reikwijdte

Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 6, 8, 8a, 11, 12, 13, 15a, 15b, 15c, 15d, 16, 16a, 16b, 16c, 17, 18, 19f, 25, 28, 29, 31, 32b, 33, 35b, 35d, 35e, 35k, 35l en 35m van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 en artikel 15 van de Wet financiering volksverzekeringen.

Artikel 2 Definities

1. Deze regeling verstaat onder:

a. wet: de Wet op de loonbelasting 1964;

b. besluit: het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965;

c. huispersoneel: de werknemer die ten behoeve van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend huiselijke of persoonlijke diensten in diens huishouding verricht;

d. verbonden vennootschap: een verbonden vennootschap, bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van de wet;

e. inhoudingsplichtigenverklaring: de verklaring dat degene aan wie die verklaring is afgegeven ten aanzien van artiesten dan wel beroepssporters als inhoudingsplichtige is aangewezen;

f. jaaropgaaf: de opgave van het in het kalenderjaar genoten loon, de ingehouden belasting en andere gegevens die van belang kunnen zijn voor de heffing van de inkomstenbelasting;

g. belasting, ingeval artikel 27, tweede lid, eerste volzin, van de wet van toepassing is: het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen;

h. heffingskorting: de heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk III van de wet;

i. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, tram, metro, veerpont of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig.

2. In deze regeling wordt onder een uitkering ingevolge een sociale verzekeringswet mede verstaan de toeslag die ingevolge de Toeslagenwet wordt verleend op die uitkering.

HOOFDSTUK 2 BELASTINGPLICHT (hoofdstuk I van de wet)

Artikel 3 Niet-inhoudingsplichtigen

1. Niet als inhoudingsplichtige worden beschouwd:

a. het Internationaal Gerechtshof;

b. het Permanente Hof van Arbitrage;

c. de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht;

d. de Verenigde Naties en zijn gespecialiseerde organisaties;

e. de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie;

f. de Europese Gemeenschappen;

g. de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol);

h. het Europees Ruimte-Agentschap/het Europese Centrum voor de ruimtevaarttechniek (ESA/ESTEC);

i. het Europees Octrooibureau;

j. Europol;

k. de Internationale Dienst voor nationaal landbouwkundig onderzoek (ISNAR);

l. het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (CTA);

m. het gemeenschappelijk centrum voor onderzoek op het gebied van kernenergie (GCO, voorheen Euratom);

n. de African Management Services Company BV (AMSCO);

o. het Iran United States Claims Tribunal;

p. het Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen (CFC);

q. de Internationale Nikkel Studie Groep (INSG);

r. de Organisation for the Prohibition of Chemical Weapens (OPCW);

s. de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM);

t. Eurojust;

u. het Internationaal Strafhof.

2. De leden en functionarissen van de in het eerste lid genoemde volkenrechtelijke organisaties die diplomatieke voorrechten genieten en geen Nederlander zijn, worden niet als inhoudingsplichtige beschouwd ten aanzien van degenen die in hun persoonlijke dienst werkzaam zijn

Artikel 4 Aangewezen inhoudingsplichtige bij de hulp van een thuiswerker

In afwijking van de artikelen 6 en 7 van de wet wordt ten aanzien van de hulp van de thuiswerker die doorgaans voor een opdrachtgever arbeid verricht, de opdrachtgever van die thuiswerker als inhoudingsplichtige aangewezen.

Artikel 5 Aangewezen inhoudingsplichtige bij een artiest dan wel een beroepssporter

1. In afwijking van artikel 8a van de wet wordt, voorzover de voor het optreden van een artiest dan wel de sportbeoefening van een beroepssporter overeengekomen gage, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de wet wordt verstrekt aan degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring, als inhoudingsplichtige aangewezen: degene aan wie die verklaring is afgegeven.

2. Voorzover degene aan wie een inhoudingsplichtigenverklaring is afgegeven gage van artiesten dan wel beroepssporters verstrekt aan een ander aan wie een zodanige verklaring is afgegeven, wordt in zijn plaats die ander als inhoudingsplichtige aangewezen.

3. Een inhoudingsplichtigenverklaring kan op verzoek door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden afgegeven aan:

a. de artiest dan wel beroepssporter die als leider van een gezelschap optreedt;

b. de leider van een gezelschap die, of het lichaam in de zin van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat het optreden van artiesten dan wel de sportbeoefening van beroepssporters overeenkomt;

c. degene met wie of degene door wiens bemiddeling het optreden van artiesten dan wel de sportbeoefening van beroepssporters wordt overeengekomen;

d. degene die als onderneming uitoefent het verrichten van administratieve werkzaamheden voor derden, en de inhoudingsplicht en de daarmee samenhangende verplichtingen overneemt van degene met wie de artiest dan wel de beroepssporter het optreden respectievelijk de sportbeoefening is overeengekomen.

4. De inspecteur geeft geen inhoudingsplichtigenverklaring af indien de persoon of het lichaam, bedoeld in het derde lid, niet in Nederland woont of is gevestigd.

5. De inhoudingsplichtigenverklaring is van toepassing gedurende de termijn van ten hoogste vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van afgifte.

6. Degene aan wie de inhoudingsplichtigenverklaring is afgegeven, bewaart het origineel van deze verklaring bij zijn loonadministratie en verstrekt een kopie van deze verklaring aan degene die op grond van artikel 8a, eerste lid, van de wet inhoudingsplichtige zou zijn, ter bewaring bij diens loonadministratie.

7. De inspecteur trekt bij voor bezwaar vatbare beschikking de inhoudingsplichtigenverklaring in, indien:

a. de verklaring haar belang heeft verloren;

b. de op de verklaring vermelde gegevens niet juist zijn dan wel niet meer juist zijn;

c. degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring niet meer in Nederland woont of is gevestigd;

d. degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring bij herhaling de inhoudingsplicht of de daarmee samenhangende verplichtingen niet nakomt;

e. degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring geen kopie van die verklaring verstrekt aan degene die op grond van artikel 8a van de wet inhoudingsplichtige zou zijn.

Artikel 6 Bij overeenkomst aangewezen inhoudingsplichtige bij een beroepssporter

In afwijking van artikel 8a van de wet wordt, indien met de minister van Financiën is overeengekomen dat de belasting zal worden ingehouden door een ander dan degene met wie de sportbeoefening is overeengekomen ten aanzien van de beroepssporter, eveneens als inhoudingsplichtige aangewezen: degene die op grond van de overeenkomst de inhouding overneemt.

HOOFDSTUK 3 VOORWERP VAN DE BELASTING (hoofdstuk II van de wet)

Artikel 7 Niet tot het loon behorende aanspraken

Tot het loon behoren niet:

a. aanspraken op een eenmalige uitkering bij het beëindigen van de dienstbetrekking anders dan wegens arbeidsongeschiktheid of overlijden van de werknemer, vervroegd uittreden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;

b. aanspraken op een eenmalige uitkering bij het beëindigen van de dienstbetrekking wegens arbeidsongeschiktheid, vervroegd uittreden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, indien deze uitkering driemaal het loon van een maand niet overtreft;

c. aanspraken op uitkeringen en verstrekkingen in door de minister van Financiën aan te wijzen gevallen.

Artikel 8 Loon voor de toepassing van enkele regelingen

Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdelen m en o, en artikel 15a, eerste lid, onderdeel g, van de wet en artikel 7, onderdeel b, van deze regeling wordt het loon in aanmerking genomen met inachtneming van het volgende:

a. artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de wet vindt geen toepassing;

b. tantièmes en toevallige bijzondere beloningen, alsmede tot het loon behorende aanspraken worden niet in aanmerking genomen.

Artikel 9 Aanvullende voorwaarden vrijstelling bij telewerken

1. De schriftelijk vastgelegde regeling, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel q, onder 1°, van de wet moet voorzien in een gedagtekende overeenkomst die ten minste bevat:

a. naam en adres van de werknemer en de inhoudingsplichtige, en

b. de dag of dagen in de week waarop de werknemer in de werkruimte, bedoeld in het tweede lid, pleegt te werken.

2. De inrichting van de werkruimte in de woning, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel q, onder 2°, van de wet moet voldoen aan de in de artikelen 5.15 en 6.30 van het Arbeidsomstandighedenbesluit gestelde voorwaarden.

Artikel 10 Aanvullende voorwaarden vrijstelling bij woon-werkverkeer waarbij tevens een of meer andere werknemers worden vervoerd

[VERVALLEN per 01-01-2004]

Artikel 11 Geclausuleerd verlof

Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel r, onder 2° van de wet, wordt als geclausuleerd verlof aangewezen: verlof dat voor specifieke doeleinden wordt toegekend, zoals buitengewoon verlof, zwangerschapsverlof, bevallingsverlof, kraamverlof, ouderschapsverlof, bindingsverlof, adoptieverlof, calamiteitenverlof, zorgverlof, educatief verlof, politiek verlof en palliatief verlof.

Artikel 12 Schriftelijke vastlegging regeling voor verlofsparen

1. Een regeling voor verlofsparen moet schriftelijk zijn vastgelegd. In de vastlegging moet ten minste zijn opgenomen:

a. dat de regeling ten doel heeft het treffen van een voorziening voor het sparen van geld (geldsparen) of tijd (tijdsparen) of een combinatie daarvan uitsluitend ten behoeve van het opnemen van een periode van extra verlof – tijdens het bestaan of na beëindiging van de dienstbetrekking - van in totaal niet meer dan een jaar;

b. dat de aanspraken ingevolge de regeling voor verlofsparen niet kunnen worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid worden;

c. dat het extra verlof niet kan worden opgenomen binnen een jaar voorafgaand aan de ingang van een ouderdomspensioen of van een voorziening voor vervroegde uittreding;

d. dat de regeling openstaat voor tenminste driekwart van de werknemers die tot de inhoudingsplichtige in dienstbetrekking staan of geacht worden te staan;

e. in geval van geldsparen: de instelling waarbij het geld wordt gespaard;

f. in geval van afzonderen van geld bij tijdsparen: de instelling waarbij geld wordt afgezonderd;

g. een bepaling ingevolge welke de werknemer schriftelijk verklaart dat hij geen aanspraken ingevolge een regeling voor verlofsparen heeft bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen of, zo hij deze wel heeft, wat de omvang daarvan is.

2. In afwijking van het eerste lid mag een regeling voor verlofsparen voorzien in de mogelijkheid van afkoop van de aanspraken bij beëindiging van de dienstbetrekking.

Artikel 13 Verlofsparen: geldsparen en tijdsparen

1. Geldsparen ingevolge een regeling voor verlofsparen vindt plaats door inhouding op het loon, waarbij het ingehouden loon wordt aangewend voor het treffen van een geldelijke voorziening in een periode van extra verlof. Daarbij wordt de duur van de verlofperiode bepaald door het ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten - hierna te noemen: verlofspaarloon - en verkrijgt de werknemer een aanspraak op het verlofspaarloon ten behoeve van de betaling van loon gedurende de verlofperiode.

2. Tijdsparen ingevolge een regeling voor verlofsparen vindt plaats door het sparen van vakantieverlof of compensatieverlof waarbij de gespaarde tijd wordt aangewend voor het opnemen van een periode van betaald extra verlof. Daarbij wordt de duur van de verlofperiode bepaald door de gespaarde tijd - hierna te noemen: verlofspaartijd – en verkrijgt de werknemer een aanspraak op de verlofspaartijd. Bij tijdsparen kan de inhoudingsplichtige de met de verlofspaartijd overeenkomende tegenwaarde in geld afzonderen ten behoeve van de betaling van het loon van de werknemer gedurende de verlofperiode.

3. Het ingevolge een regeling voor verlofsparen ter zake van geldsparen ingehouden loon moet worden overgemaakt naar een geblokkeerde rekening - hierna te noemen: verlofspaarrekening - bij de in de regeling voor verlofsparen aangewezen instelling, waar het tegoed voor iedere werknemer afzonderlijk wordt geadministreerd. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de ter zake van tijdsparen afgezonderde tegenwaarde in geld. Bij samenloop van geldsparen en tijdsparen met afzondering van de tegenwaarde in geld dienen het ingehouden loon en het afgezonderde geld afzonderlijk te worden geadministreerd.

4. De op een verlofspaarrekening gekweekte inkomsten worden op de rekening bijgeschreven.

5. Als instelling bedoeld in het derde lid kunnen optreden rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die een rekening die voldoet aan de in het derde lid gestelde voorwaarden publiek mogen aanbieden, mits deze instellingen de verplichting ingevolge de regeling voor verlofsparen voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekenen tot het binnenlandse ondernemingsvermogen, alsmede fondsen die bij collectieve arbeidsovereenkomsten zijn overeengekomen.

6. Het tegoed op een verlofspaarrekening mag uitsluitend bestaan uit:

a. in geval van geldsparen: het ingehouden loon en de daarop gekweekte inkomsten;

b. in geval van tijdsparen: de afgezonderde tegenwaarde in geld ter zake van de verlofspaartijd en de daarop gekweekte inkomsten; ingeval door ontwikkelingen na het moment van afzonderen het tegoed van de verlofspaarrekening onvoldoende is voor de doorbetaling van het loon tijdens de periode van het extra verlof, mag de inhoudingsplichtige het tegoed aanvullen tot het op dat moment benodigde bedrag.

7. De instelling waar de verlofspaarrekening is ondergebracht gaat over tot deblokkering van de verlofspaarrekening voor de betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voorzover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend.

8. Bij deblokkering van de verlofspaarrekening wordt het geld overgemaakt naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon tijdens de verlofperiode. Als overmaking naar de inhoudingsplichtige niet mogelijk is, maakt de instelling het geld over naar de werknemer; in dit geval wordt de instelling als inhoudingsplichtige aangemerkt. In geval bij deblokkering van de verlofspaarrekening het geld wordt overgemaakt naar de werknemer wordt bij tijdsparen geen hoger bedrag uitgekeerd dan de tegenwaarde in geld van de verlofspaartijd gerelateerd aan het laatstgenoten loon van de werknemer.

Artikel 14 Maximale opbouw in een jaar bij verlofsparen

1. In geval van geldsparen ingevolge een regeling voor verlofsparen bedraagt de inhouding per kalenderjaar:

a. indien aan het begin van het kalenderjaar het totale ingevolge een regeling voor verlofsparen ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten het loon op jaarbasis gerelateerd aan het laatste in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon nog niet te boven gaat: ten hoogste 10 % van het loon in het kalenderjaar;

b. indien aan het begin van het kalenderjaar het totale ingevolge een regeling voor verlofsparen ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten gelijk is aan of meer bedraagt dan het loon op jaarbasis gerelateerd aan het laatste in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon: nihil.

2. In geval van tijdsparen ingevolge een regeling voor verlofsparen bedraagt de te sparen verlofspaartijd per kalenderjaar:

a. indien aan het begin van het kalenderjaar de totale verlofspaartijd op jaarbasis gerelateerd aan de in het laatste loontijdvak van het voorafgaande kalenderjaar overeengekomen arbeidsduur een periode van extra verlof van een jaar nog niet te boven gaat: ten hoogste 10 % van het aantal arbeidsuren in het kalenderjaar;

b. indien aan het begin van het kalenderjaar de totale verlofspaartijd op jaarbasis gerelateerd aan de in het laatste loontijdvak van het voorafgaande kalenderjaar overeengekomen arbeidsduur gelijk is aan of meer bedraagt dan een periode van extra verlof van een jaar: nihil.

3. Bij een samenloop van geldsparen en tijdsparen worden voor de beoordeling of in het kalenderjaar nog aanspraken ingevolge een regeling voor verlofsparen kunnen worden opgebouwd, de bij het begin van het kalenderjaar bestaande aanspraken ingevolge geldsparen en ingevolge tijdsparen tezamen in aanmerking genomen. Indien op basis van de beoordeling van de eerste volzin in het kalenderjaar nog aanspraken kunnen worden opgebouwd, worden voor de beoordeling hoeveel aanspraken in het kalenderjaar kunnen worden opgebouwd, het in het kalenderjaar ingehouden loon en de in het kalenderjaar gespaarde verlofspaartijd tezamen in aanmerking genomen.

Artikel 15 Toegestane aangroei boven het plafond bij verlofsparen

Ook indien bij het begin van een kalenderjaar de in artikel 14 bedoelde begrenzing op basis waarvan wordt beoordeeld of in het kalenderjaar nog aanspraken ingevolge een regeling voor verlofsparen kunnen worden opgebouwd is bereikt, leiden nadien op het verlofspaartegoed gekweekte inkomsten niet tot de constatering dat de regeling niet meer voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een regeling voor verlofsparen.

Artikel 16 Wijze van beschikken over verlofspaartegoed

1. Over het tegoed van een verlofspaarrekening mag worden beschikt ten behoeve van:

a. de betaling tijdens de verlofperiode van loon tot een omvang die niet uitgaat boven het laatstgenoten loon;

b. de omzetting van een aanspraak ingevolge een regeling voor verlofsparen in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding die na de omzetting nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet gestelde begrenzingen.

2. In geval van overlijden van de werknemer kan de tegenwaarde van de aanspraak als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ter beschikking van de erfgenamen van de werknemer worden gesteld.

3. Bij aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking kunnen de aanspraken ingevolge een regeling voor verlofsparen worden ingebracht in een regeling voor verlofsparen van de inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienstbetrekking treedt. Indien de aanspraken ingevolge een regeling voor verlofsparen niet worden ingebracht in een regeling voor verlofsparen van de inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienstbetrekking treedt, worden voor de toepassing van de in artikel 14 gestelde grenzen alle aanspraken van de werknemer ingevolge een regeling voor verlofsparen tezamen in aanmerking genomen.

4. Indien de werknemer uitkeringen ontvangt in overeenstemming met de regeling voor verlofsparen, worden deze als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in aanmerking genomen. In afwijking van de eerste volzin wordt in geval van afkoop bij ontslag de uitkering aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.

5. Indien in strijd met de regeling voor verlofsparen geheel of gedeeltelijk over het verlofspaartegoed wordt beschikt, wordt de gehele aanspraak ingevolge de regeling voor verlofsparen aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer.

Artikel 17 Fooien en dergelijke prestaties van derden

1. Fooien en dergelijke prestaties van derden worden niet tot het loon gerekend, voor zover bij het bepalen van het voor de werknemer rechtens geldende loon met het ontvangen van deze fooien of dergelijke prestaties van derden geen rekening is gehouden.

2. Het bedrag van de fooien genoten door het civiele personeel aan boord van schepen, uitoefenende de zeescheepvaart en de kustvaart, wordt geacht het verschil te bedragen tussen enerzijds het dagloon zoals dit door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor de sector Koopvaardij op grond van artikel 34, vierde lid, van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid is vastgesteld, en anderzijds het rechtstreeks van de werkgever ontvangen loon.

3. De werknemer werkzaam bij een onderneming waarin horeca-activiteiten worden verricht en behorende tot het bedienend personeel, die van zijn werkgever niet tenminste het voor hem rechtens geldende loon ontvangt, wordt geacht fooien en dergelijke prestaties van derden te genieten tot een bedrag ter grootte van dat rechtens geldende loon verminderd met het rechtstreeks van de werkgever ontvangen loon. Indien de werkgever in overeenstemming met de werknemer het bedrag aan fooien en dergelijke prestaties van derden op een hoger bedrag schat, wordt van dat geschatte bedrag uitgegaan.

Artikel 18 Waarde aanspraak

De waarde van een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen en verstrekkingen te ontvangen, wordt gesteld op de bedragen die bij een derde worden gestort - of, voorzover geen stortingen worden verricht, zouden moeten worden gestort - teneinde de aanspraak te dekken.

Artikel 19 Waarde aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling in eigen beheer voor tenminste 25 werknemers

1. In afwijking in zoverre van artikel 18 wordt per kalenderjaar de waarde van een aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling ten behoeve van ten minste 25 werknemers of gewezen werknemers die gedurende het gehele voorafgaande kalenderjaar heeft bestaan, voorzover geen stortingen bij derden worden verricht, gesteld op het bedrag van de gemiddelde uitkering. De gemiddelde uitkering is het rekenkundige gemiddelde van de jaargemiddelden van de afgelopen vijf kalenderjaren. Het jaargemiddelde is het gezamenlijke bedrag van de ter zake door of namens de inhoudingsplichtige gedane uitkeringen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer, gedeeld door het aantal personen dat in het desbetreffende jaar gedurende ten minste zes maanden gerechtigd is geweest. Indien zulks tot een lagere gemiddelde uitkering leidt, worden het hoogste en het laagste jaargemiddelde buiten beschouwing gelaten en is de gemiddelde uitkering het rekenkundige gemiddelde van de jaargemiddelden van de andere drie kalenderjaren.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde regeling minder dan vijf gehele kalenderjaren heeft bestaan, is dat lid van overeenkomstige toepassing op het mindere aantal gehele kalenderjaren, met dien verstande dat bij een bestaansduur van de regeling van een of twee gehele kalenderjaren de laatste volzin niet van toepassing is.

Artikel 20 Waarde aandelenoptierecht

[Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 21 Waarde kleding meewerkende kinderen

De waarde van kleding voor een kind dat werkzaam is in de onderneming van zijn ouder wordt gesteld op € 29,75 per maand (€ 6,75 per week, € 1,35 per dag).

Artikel 21a*. Waarde van het genot van een ter beschikking gestelde computer

De waarde van het genot van een ter beschikking gestelde computer die minder dan nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt, bedraagt in het eerste, in het tweede en in het derde jaar van ingebruikneming van de computer, 30% van de waarde in het economische verkeer van de computer op het moment van de eerste ingebruikneming. Na het derde jaar wordt de waarde van het genot op nihil gesteld. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot met computers vergelijkbare apparatuur en met betrekking tot bijbehorende apparatuur.

Artikel 21a. Waarde kinderopvang

De waarde van kinderopvang als bedoeld in artikel 16c, vierde lid, van de wet, die de inhoudingsplichtige zelf verricht, wordt gesteld op het aantal uren genoten kinderopvang maal de uurprijs vastgesteld krachtens artikel 7, vierde lid, van de Wet kinderopvang.

HOOFDSTUK 4 VRIJE VERGOEDINGEN EN VERSTREKKINGEN (hoofdstuk IIA van de wet)

Artikel 22 Normeringen en beperkingen

1. Ingeval op grond van dit hoofdstuk of hoofdstuk IIA van de wet een verstrekking vanaf een bepaald bedrag tot de vrije verstrekkingen behoort en daar beneden niet, wordt een dergelijke verstrekking tot dit bedrag tot het loon gerekend.

2. Ingeval een in dit hoofdstuk of in hoofdstuk IIA van de wet opgenomen regeling zowel betrekking heeft op een vrije vergoeding als op een vrije verstrekking, geldt het vrijgestelde bedrag voor vrije vergoedingen en vrije verstrekkingen tezamen.

Artikel 23 Kosten werknemer bij gedeeltelijk vrije vergoedingen en verstrekkingen

1. Ingeval ter zake van een op grond van dit hoofdstuk niet volledig vrije vergoeding kosten voor rekening van de werknemer blijven, wordt het in de desbetreffende bepaling opgenomen of bedoelde bedrag van het niet vrije gedeelte van de vergoeding verlaagd met deze kosten van de werknemer, doch niet verder dan tot nihil.

2. Ingeval ter zake van een op grond van dit hoofdstuk niet volledig vrije verstrekking aan de werknemer een eigen bijdrage in rekening wordt gebracht, wordt het in de desbetreffende bepaling opgenomen of bedoelde bedrag voor het niet vrije gedeelte van de verstrekking verlaagd met de eigen bijdrage van de werknemer, doch niet verder dan tot nihil.

Artikel 24 Werkkleding

Voor de toepassing van artikel 15a, eerste lid, onderdeel b, van de wet wordt kleding slechts als werkkleding aangemerkt indien zij:

a. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen;

b. is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de inhoudingsplichtige gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70 cm².

Artikel 25 Verhuizing in het kader van de dienstbetrekking

1. Voor de toepassing van artikel 15a, eerste lid, onderdeel g, van de wet verhuist de werknemer in ieder geval in het kader van de dienstbetrekking ingeval hij binnen twee jaar na de aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking of na overplaatsing binnen de bestaande dienstbetrekking:

a. verhuist naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe plaats van zijn dienstbetrekking terwijl hij op een afstand groter dan 10 kilometer van deze plaats woonde;

b. door verhuizing de afstand tussen zijn woning en de plaats van zijn dienstbetrekking met ten minste 50% en ten minste 10 kilometer bekort.

2. Onder afstand als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de afstand gemeten langs de meest gebruikelijke weg.

Artikel 26 Openbaarvervoerkaart

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een recht op vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer, indien aannemelijk is dat het recht op vrij reizen mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer en voorzover de vergoedingen meer bedragen dan de volgende bedragen: per persoon die van dat recht gebruik kan maken, minderjarige kinderen en pleegkinderen van de werknemer daaronder niet begrepen, € 54,00 per jaar dan wel, indien recht bestaat op reizen per 1e klas, € 82,00 per jaar.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van het recht op vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer, indien aannemelijk is dat het recht op vrij reizen mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer en voorzover de waarde in het economische verkeer van de verstrekkingen hoger is dan de volgende bedragen: per persoon die van dat recht gebruik kan maken, minderjarige kinderen en pleegkinderen van de werknemer daaronder niet begrepen, € 54,00 per jaar, dan wel, indien recht bestaat op reizen per 1e klas, € 82,00 per jaar.

Artikel 27 Aangewezen regio's uitgezonden werknemers

1. Als regio’s bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel c, onder 4°, van het besluit worden aangewezen:

a. de landen in Azië (waaronder Hongkong en het gedeelte van Turkije dat ten oosten van de Bosporus is gelegen);

b. de landen in Afrika;

c. de landen in Latijns Amerika (waaronder de Nederlandse Antillen en Aruba);

d. de volgende landen in Europa: Albanië, Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Bosnië-Hercegovina, Bulgarije, Estland, Georgië, Hongarije, de Federale Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro, daaronder begrepen Kosovo), Kroatië, Letland, Litouwen, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Moldavië, Oekraïne, Polen, Roemenië, de Russische Federatie, Slovenië, Slowakije en Tsjechië.

2. Onder de in het eerste lid genoemde landen worden begrepen gebieden gelegen buiten de territoriale wateren van die landen waar deze in overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten kunnen uitoefenen.

Artikel 28 Maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is. Normaantallen

1. Tot de vrije vergoedingen behoren niet vergoedingen ter zake van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is, voorzover het aantal maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 bedraagt.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren niet verstrekkingen van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is, voorzover het aantal maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 bedraagt.

Artikel 29 Bedrijfsfitness

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van bedrijfsfitness, voorzover:

a. deze geheel of nagenoeg geheel plaatsvindt gedurende de werktijd, en

b. deelneming aan de fitness openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers of openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van deze werknemers.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen ter zake van bedrijfsfitness, voorzover:

a. deze geheel of nagenoeg geheel plaatsvindt gedurende de werktijd, en

b. deelneming aan de fitness openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers of openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van deze werknemers.

3. Onder bedrijfsfitness als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstaan: conditie- of krachttraining van werknemers welke plaatsvindt onder deskundig toezicht en welke georganiseerd of geïnitieerd wordt door de inhoudingsplichtige.

Artikel 30 Werkruimte

1. Tot de vrije vergoedingen behoren niet vergoedingen die verband houden met een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in een woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, tenzij de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en:

a. ingeval de werknemer tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft, of

b. ingeval de werknemer niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren niet verstrekkingen van een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in een woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, tenzij de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en:

a. ingeval de werknemer tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft, of

b. ingeval de werknemer niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft.

3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder woning mede verstaan: een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen in de zin van artikel 1 van de Woningwet, alsmede de aanhorigheden van een schip of een woonwagen.

Artikel 31 Normering vrije vergoedingen en verstrekkingen werkruimte

1. Tot de vrije vergoedingen behoren, onverlet de toepassing van artikel 30, niet vergoedingen ter zake van werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, voorzover deze meer bedragen dan 20% van de huur dan wel van de huurwaarde van de woning, met inbegrip van de werkruimte. In geval van een werkruimte in een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt vorenbedoelde huurwaarde bepaald op de voet van artikel 3.19, tweede lid, van die wet.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren, onverlet de toepassing van artikel 30, niet verstrekkingen van werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, voorzover deze meer bedragen dan 20% van de huur dan wel van de huurwaarde van de woning, met inbegrip van de werkruimte. In geval van een werkruimte in een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt vorenbedoelde huurwaarde bepaald op de voet van artikel 3.19, tweede lid, van die wet.

Artikel 32 Maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is. Normbedragen

1. Tot de vrije vergoedingen behoren, in zoverre in afwijking van het bepaalde in artikel 28, vergoedingen ter zake van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is, voorzover het aantal maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 bedraagt en voorzover deze vergoedingen meer bedragen dan € 1,55 voor een ontbijt, € 1,55 voor een koffiemaaltijd en € 3,10 voor een warme maaltijd.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren, in zoverre in afwijking van het bepaalde in artikel 28, verstrekkingen van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is, voorzover het aantal maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 bedraagt en voorzover de waarde in het economische verkeer van deze verstrekkingen hoger is dan de in het eerste lid genoemde bedragen.

3. Indien de in het eerste lid en tweede lid bedoelde vergoedingen en verstrekkingen mede betrekking hebben op maaltijden van de gezinsleden van de werknemer, worden de in het eerste lid genoemde bedragen verhoogd:

a. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt: met 80%;

b. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt, doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt: met 50%;

c. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt: met 30%.

Artikel 33 Genot van een woning

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van het genot van een woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voor zover:

a. de vergoeding op jaarbasis meer bedraagt dan 18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bij een overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek, of

b. de vergoeding meer bedraagt dan het op verzoek van de werknemer door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de besparing.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van het genot van de woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voor zover:

a. de waarde in het economische verkeer op jaarbasis meer bedraagt dan 18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bij een overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek, of

b. de waarde in het economische verkeer meer bedraagt dan het op verzoek van de werknemer door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de besparing.

3. De in het eerste lid en tweede lid bedoelde vaststelling bij beschikking vindt slechts plaats, indien de werknemer aannemelijk maakt dat het bedrag van de besparing aanmerkelijk lager is dan de waarde in het economische verkeer van het genot van de woning.

4. De beschikking van de inspecteur, die te allen tijde bij nadere, voor bezwaar vatbare, beschikking kan worden herroepen, vindt toepassing met betrekking tot loontijdvakken die ten tijde van de beschikking nog niet zijn verstreken.

5. Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking beschouwd de vergoeding van het genot van een woning en de verstrekking in de vorm van het genot van de woning terzake van de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.

Artikel 34 Genot van bewassing, energie en water

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van bewassing, energie en water ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de vergoeding meer bedraagt dan het volgende bedrag:

a. voor bewassing: € 13,75 per maand (€ 3,25 per week, € 0,65 per dag);

b. voor energie ten behoeve van verwarmingsdoeleinden: € 39,25 per maand (€ 9,00 per week, € 1,80 per dag);

c. voor energie ten behoeve van kookdoeleinden: € 21,75 per maand (€ 5,00 per week, € 1,00 per dag);

d. voor energie ten behoeve van andere dan verwarmings- en kookdoeleinden: € 12,75 per maand (€ 3,00 per week, € 0,60 per dag);

e. voor water: € 6,00 per maand (€ 1,50 per week, € 0,30 per dag).

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van bewassing, energie en water ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag.

Artikel 35 Inwoning

1. de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van inwoning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de vergoeding meer bedraagt dan € 141,00 per maand (€ 32,50 per week, € 6,50 per dag).

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van inwoning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag.

3. Indien de in het eerste lid en tweede lid bedoelde vergoedingen en verstrekkingen mede betrekking hebben op inwoning door de gezinsleden van de werknemer, worden de in het eerste lid genoemde bedragen verhoogd:

a. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt: met 80%;

b. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt, doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt: met 50%;

c. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt: met 30%.

Artikel 36 Voordeelurenkaart

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van het recht op vermindering tot maximaal 50% van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer hoofdzakelijk buiten de ochtendspits (voordeelurenkaart) indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van het recht op vermindering tot maximaal 50% van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer hoofdzakelijk buiten de ochtendspits (voordeelurenkaart) indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer.

Artikel 37 Fiets voor woon-werkverkeer

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf van een fiets, voorzover de vergoeding meer bedraagt dan € 68,00 en niet meer bedraagt dan € 749, mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een fiets, voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan € 68,00 en niet hoger is dan € 749, mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan.

3. Tot de vrije verstrekkingen behoort de terbeschikkingstelling van een fiets met een catalogusprijs welke niet hoger is dan € 749 inclusief omzetbelasting, mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan.

4. De voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid geldende voorwaarden zijn:

a. de werknemer maakt op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik van de fiets;

b. in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren is ter zake van de aanschaf van een fiets geen vrije vergoeding betaald, en

c. in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren is als vrije verstrekking geen fiets verstrekt dan wel ter beschikking gesteld.

5. In afwijking in zoverre van het tweede lid behoort tot de vrije verstrekkingen de verstrekking van een fiets met een catalogusprijs welke niet hoger is dan € 749,00 inclusief omzetbelasting, die reeds vijf jaren voor woon-werkverkeer aan de werknemer ter beschikking was gesteld, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik van de fiets blijft maken.

6. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, voorzover de waarde van deze zaken in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen niet meer bedraagt dan € 250, alsmede de vergoeding ter zake van een fietsverzekering, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets.

7. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, voorzover de waarde van deze zaken in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen niet meer bedraagt dan € 250, alsmede de verstrekking van een fietsverzekering, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets.

Artikel 38 Telefoonabonnement met meerdere aansluitingen of nummers

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een telefoonabonnement van de werknemer dat voorziet in meerdere aansluitingen of nummers en waarvan het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is, voorzover de vergoeding meer bedraagt dan € 20,32 per maand (€ 4,750 per week, € 0,95 per dag).

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een telefoonabonnement van de werknemer dat voorziet in meerdere aansluitingen of nummers en waarvan het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is, voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag.

Artikel 39 Telefoon

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een mede voor de dienstbetrekking gebruikte telefoon, voorzover de kosten van de telefoon meer bedragen dan € 22,69 per maand (€ 5,22 per week, € 1,04 per dag).

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een mede voor de dienstbetrekking gebruikte telefoon, voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan de in het eerste lid genoemde bedragen.

3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien de waarde in het economische verkeer van het gebruik van de telefoon anders dan ten behoeve van de dienstbetrekking meer bedraagt dan € 454 op jaarbasis.

Artikel 40 Tweede of een volgende telefoon bij geheel of nagenoeg geheel zakelijk gebruik

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een tweede of een volgende telefoon van de werknemer die geheel of nagenoeg geheel ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking wordt gebruikt.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een tweede of een volgende telefoon van de werknemer die geheel of nagenoeg geheel ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking wordt gebruikt.

Artikel 41 Producten eigen bedrijf

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf bij de inhoudingsplichtige dan wel bij een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap tot een bedrag van ten hoogste:

a. 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten en

b. € 475 per kalenderjaar.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van ten hoogste:

a. 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten en

b. een bedrag van € 450 per kalenderjaar.

3. De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden verhoogd met de voor de twee voorafgaande kalenderjaren geldende bedragen voorzover deze bedragen nog niet zijn benut. De vorige volzin is niet van toepassing indien de dienstbetrekking in het desbetreffende kalenderjaar niet bestond.

4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de dienstbetrekking is beλindigd door pensionering of arbeidsongeschiktheid.

5. Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot geldleningen.

Artikel 42 Personeelsfeesten, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen, in redelijkheid, ter zake van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen waaraan de deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid, voorzover de vergoedingen meer bedragen dan de laagste van de waarde in het economische verkeer van de voorzieningen en de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen; deze kosten worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het overigens in dit hoofdstuk bepaalde.

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid behoren vergoedingen tot de vrije vergoedingen voorzover de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen een bedrag van € 340,00 per kalenderjaar niet overtreffen. Ingeval een personeelsvoorziening betrekking heeft op een jubileum van de inhoudingsplichtige, wordt het bedrag van € 340,00 verhoogd tot € 454,00.

3. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen, in redelijkheid, van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen, waaraan de deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid, voorzover de waarde van de verstrekkingen hoger is dan de laagste van de waarde in het economische verkeer van de voorzieningen en de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen; deze kosten worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het overigens in dit hoofdstuk bepaalde.

4. In afwijking in zoverre van het derde lid behoren verstrekkingen tot de vrije verstrekkingen voorzover de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen een bedrag van € 340,00 per kalenderjaar niet overtreffen. Ingeval een personeelsvoorziening betrekking heeft op een jubileum van de inhoudingsplichtige, wordt het bedrag van € 340,00 verhoogd tot € 454,00.

Artikel 43 ARBO

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen die direct samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, tenzij de werknemer hierdoor een aanmerkelijke privé-besparing geniet.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen die direct samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, tenzij de werknemer hierdoor een aanmerkelijke privé-besparing geniet.

Artikel 44 Ongevallenverzekering

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van premies voor een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van een aanspraak op een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking.

Artikel 45 Outplacement

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van outplacement van de werknemer.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van outplacement van de werknemer.

Artikel 46 Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd

1. Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd behoren in ieder geval tot de vrije vergoedingen, indien zij € 2,75 per gewerkte week (€ 0,55 per gewerkte dag als niet op vijf dagen per week wordt gewerkt) niet te boven gaan.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien tijdens de werktijd consumpties, die geen deel uitmaken van een maaltijd, worden verstrekt.

Artikel 47 Vaste vergoedingen

Vaste vergoedingen behoren niet tot het loon, voorzover deze per kostencategorie naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd en daaraan voorts - op verzoek van de inspecteur - een steekproefsgewijs onderzoek van de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt.

Artikel 48 Buitenlandse regelingen inzake kinderopvang

[Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 49 Vrije vergoedingen kinderopvang

Voor de toepassing van artikel 16c, tweede of derde lid, van de wet, dient de inhoudingsplichtige een door de werknemer ondertekende gedagtekende verklaring in zijn loonadministratie te bewaren waarin is opgenomen:

a. dat de werknemer geen partner heeft die van een inhoudingsplichtige een vergoeding ter zake van kosten van kinderopvang ontvangt of een verstrekking van kinderopvang geniet of dat hij een partner heeft die van een inhoudingsplichtige een vergoeding ter zake van kosten van kinderopvang ontvangt of een verstrekking van kinderopvang geniet welke minder bedraagt dan een zesde deel van de kosten of een zesde deel van de voor de waardering van de verstrekking in aanmerking genomen waarde van de kinderopvang;

b. indien de partner van de werknemer van een inhoudingsplichtige een vergoeding ter zake van kinderopvang ontvangt: de hoogte van de vergoeding;

c. indien de partner van de werknemer van een inhoudingsplichtige een verstrekking van kinderopvang geniet: de voor de waardering van de verstrekking in aanmerking genomen waarde van de kinderopvang en de waarde van de verstrekking;

d. dat de werknemer zich verplicht terstond een nieuwe verklaring aan de inhoudingsplichtige te zullen overhandigen indien zich wijzigingen voordoen in de onder a, b of c genoemde gegevens.

Artikel 50 Vrije verstrekkingen kinderopvang

[Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 51 Huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten

Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel, op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten, voorzover de waarde in het economische verkeer van die verstrekking hoger is dan het bedrag aangegeven in de volgende tabel:

 

Huisvesting

per maand

per week

per dag

a.

aan boord van binnenschepen
- andere dan vissersschepen - en baggermaterieel:

    

1°.

voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont
- van een schip van meer dan 2000 ton:
- van een schip van meer dan 500, doch niet meer dan 2000 ton:
- van een ander schip of van baggermaterieel:


€ 129,00
€ 96,75
€ 64,50


€ 30,00
€ 22,50
€ 15,00


€ 6,00
€ 4,50
€ 3,00

2°.

voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft:

€ 52,00

€ 12,00

€ 2,40


b.


aan boord van zeeschepen - andere dan vissersschepen - en op boorplatforms:

     

1°.

voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont:

   

€ 9,00

2°.

voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft:
- voor een kapitein en voor een officier:
- voor een andere werknemer:

   


€ 4,20
€ 2,10

c.

aan boord van vissersschepen:
voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft:

   


€ 2,90

d.

in pakwagens van kermisexploitanten:
voor de werknemer die in een pakwagen woont en geen gezin heeft:


€ 52,00


€ 12,00


€ 2,40

e.

voor de werknemer die niet is aangeduid in de onderdelen a, b, c en d:

nihil

nihil

nihil

Artikel 52 Bedragen bewassing, energie en water begrepen in bedrag inwoning en huisvesting

Voor de toepassing van artikel 35 en artikel 51 worden in het bedrag van inwoning dan wel in het bedrag van huisvesting geacht te zijn begrepen de bedragen van bewassing, energie en water, bedoeld in artikel 34.

Artikel 53 Kost aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms

1. Tot de vrije verstrekkingen behoren, in zoverre in afwijking van het bepaalde in artikel 32, verstrekkingen van kost aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms, voorzover de waarde in het economische verkeer van de kost hoger is dan € 4,45 per dag.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde verstrekkingen tevens betrekking hebben op gezinsleden van de werknemer, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag verhoogd:

a. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt: met 80%;

b. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt, doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt: met 50%;

c. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt: met 30%.

Artikel 54 Therapeutisch meeëten

Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van het in werktijd mee-eten van werknemers in de geestelijke en lichamelijke gezondheids- of welzijnszorg met de hen toevertrouwde patiënten, pupillen of bewoners, indien zij dit verplicht zijn op basis van de arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling op grond van opvoedkundige of therapeutische overwegingen of overwegingen van resocialiserende aard.

Artikel 55 Maaltijden in bedrijfskantines

Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van maaltijden in bedrijfskantines of andere soortgelijke ruimten op de plaats waar de arbeid wordt verricht, voorzover de waarde in het economische verkeer van die maaltijden hoger is dan € 2,00 voor een ontbijt, € 2,00 voor een koffiemaaltijd en € 3,85 voor een warme maaltijd.

Artikel 56 Kleding die blijft op de plaats waar de arbeid wordt verricht

Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van tijdens de vervulling van de dienstbetrekking gedragen kleding die blijft op de plaats buiten de woning van de werknemer waar de arbeid wordt verricht.

Artikel 57 Ziektekostenregeling met een zeer lage waarde

Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking in de vorm van een aanspraak ingevolge van een ziektekostenregeling met een waarde van ten hoogste € 27 per jaar.

Artikel 58 Collectieve ziektekostenregeling waarvan de waardering hoger zou zijn dan de kosten van een individuele verzekering

Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking in de vorm van een aanspraak ingevolge een collectieve ziektekostenregeling die overeenkomstig de door de ziektekostenverzekeraar in rekening gebrachte premie voor een deel wordt gedekt door een werknemersbijdrage die naar aard en omvang overeenkomt met de nominale premie ingevolge de Ziekenfondswet, voorzover deze aanspraak wordt gedekt door andere stortingen dan de hiervoor bedoelde bijdrage en voorzover de op de voet van artikel 18 te bepalen waarde van deze aanspraak hoger is dan € 2.676 per jaar.

Artikel 59 Rentevoordeel personeelsleningen

1. Tot de vrije verstrekkingen behoort het rentevoordeel ter zake van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening, voorzover de rente die ter zake van de geldlening in het economische verkeer verschuldigd zou zijn hoger is dan 5% per jaar.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort, in zoverre in afwijking van het eerste lid, het rentevoordeel ter zake van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening, voorzover de werknemer het geleende bedrag op een dusdanige wijze aanwendt dat een in de plaats van de lening voor de desbetreffende aanwending gekomen vergoeding of verstrekking hetzij geheel of nagenoeg geheel tot de vrije vergoedingen of vrije verstrekkingen zou hebben behoord, hetzij op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel q, van de wet of artikel XXIV, onderdeel A, van de Wet van 16 december 2004, Stb. 653 (Belastingplan 2005), niet tot het loon zou hebben behoord.

HOOFDSTUK 5 PENSIOENREGELINGEN EN REGELINGEN VOOR VERVROEGDE UITTREDING
(hoofdstuk IIB van de wet)

Artikel 60 Splitsing pensioenregeling

1. Bij overschrijding van de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet opgenomen begrenzingen als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de wet kan de inhoudingsplichtige de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de begrenzingen verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen welk deel van de aanspraak binnen de begrenzingen blijft en welk deel de begrenzingen te boven gaat.

2. Met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde beschikking administreert de inhoudingsplichtige bij de loonadministratie afzonderlijk jaarlijks welk deel van de aanspraak tot het loon behoort en welk deel niet, alsmede de waarde van het deel dat jaarlijks in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Tevens administreert de inhoudingsplichtige naar rato van deze verdeling welk deel van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen als loon uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking zal worden genomen en welk deel als voordeel uit sparen en beleggen wordt behandeld.

3. Van de ingevolge het tweede lid geadministreerde verdeling van de aanspraak en waarde van het deel dat in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, alsmede de verdeling van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen, verstrekt de inhoudingsplichtige jaarlijks een opgave aan de inspecteur.

Artikel 61 Samenloop verschillende pensioenstelsels

1. Bij samenloop van verschillende pensioenstelsels in een pensioenregeling worden alle elementen van de pensioenregeling tezamen in acht genomen en in onderlinge samenhang bezien voor de vaststelling of de pensioenregeling moet worden aangemerkt als een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel, een middelloonstelsel of een beschikbare-premiestelsel.

2. In afwijking van het eerste lid dient voor elk onderdeel van de pensioenregeling dat niet past binnen het op grond van het eerste lid vastgestelde pensioenstelsel afzonderlijk te worden beoordeeld op welk van de drie aldaar genoemde stelsels dat onderdeel is gebaseerd.

3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid kan de inhoudingsplichtige de inspecteur verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen op welk stelsel de pensioenregeling of een onderdeel daarvan is gebaseerd.

4. Bij wijziging van een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd pensioen in een pensioen dat is gebaseerd op een eindloonstelsel of een middelloonstelsel blijven op de tot het moment van die stelselwijziging opgebouwde pensioenaanspraken de voorwaarden van toepassing die gelden voor een beschikbare-premiestelsel.

HOOFDSTUK 6 TARIEF (hoofdstuk III van de wet)

Artikel 62 Afwijkend loontijdvak bij werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is

Ten aanzien van de werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaam is, wordt in afwijking in zoverre van artikel 25, eerste lid, van de wet als loontijdvak aangemerkt:

a. indien het loon per week wordt uitbetaald: de week;

b. indien het loon per vier weken wordt uitbetaald: het tijdvak van vier weken;

c. indien het loon per maand wordt uitbetaald: de maand.

Artikel 63 Afwijkend loontijdvak bij werknemer met vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken

1. Ten aanzien van de werknemer wiens loon mede omvat de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken, wordt in afwijking in zoverre van artikel 25, eerste lid, van de wet als loontijdvak aangemerkt:

a. ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 20 of meer vakantiedagen: een door vermenigvuldiging met de factor 260/231 verlengd loontijdvak;

b. ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 19 of minder vakantiedagen: een door vermenigvuldiging met de factor 260/245 verlengd loontijdvak.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het aantal vakantiedagen in aanmerking genomen tot het krachtens de publiekrechtelijke regeling of de collectieve arbeidsovereenkomst voor een volwassen werknemer geldende aantal zonder rekening te houden met feestdagen en met extra vakantiedagen die aan de werknemer worden toegekend in verband met zijn leeftijd of de duur van zijn dienstverband.

Artikel 64 Afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren

1. Ten aanzien van de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer voor wie bij het begin van het kalenderkwartaal recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, dan wel die bij het begin van een kalenderkwartaal recht heeft op een gift, een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, dan wel die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming in de studiekosten ingevolge hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten, kan in afwijking in zoverre van artikel 25, eerste lid, van de wet voor loonbetalingen waarvan het inhoudingstijdstip in dat kwartaal is gelegen, dat kwartaal als loontijdvak worden aangemerkt. De vorige volzin wordt niet toegepast ten aanzien van de werknemer die niet te kennen heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak kan worden aangemerkt.

2. Indien in het kwartaal meer dan eens loon wordt verstrekt, wordt de op een inhoudingstijdstip verschuldigde belasting bepaald op de belasting die is verschuldigd over het in dat kwartaal in totaal verstrekte loon, verminderd met de reeds ingehouden belasting.

3. Bij toepassing van dit artikel is in geval van twee opeenvolgende dienstbetrekkingen artikel 23 van de wet niet van toepassing.

HOOFDSTUK 7 WIJZE VAN HEFFING (hoofdstuk IV van de wet)

Artikel 65 Loonbelastingverklaring

1. De inhoudingsplichtige reikt aan de werknemer een loonbelastingverklaring met de daarbij behorende toelichting uit:

a. zodra hij ten aanzien van de werknemer inhoudingsplichtige wordt;

b. op verzoek van de werknemer;

c. zodra hij weet dat zich een wijziging heeft voorgedaan in de gegevens die de werknemer in de laatstelijk ingeleverde loonbelastingverklaring heeft verstrekt en die wijziging tot gevolg heeft dat de werknemer een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd.

2. De inhoudingsplichtige mag in plaats van het door de Belastingdienst verstrekte model van de loonbelastingverklaring gebruik maken van een eigen model loonbelastingverklaring, mits dat model minimaal de gegevens bevat van het model van de Belastingdienst, inclusief de gebruiksaanwijzing en de toelichting op de vragen, tenzij deze duidelijk niet betrekking hebben op de werknemer.

3. Het eerste lid, onderdeel a , is niet van toepassing ingeval de inhoudingsplichtige een nieuwe arbeidsverhouding met de werknemer aangaat binnen een jaar nadat de vorige arbeidsverhouding is beëindigd.

4. De werknemer verzoekt de inhoudingsplichtige om uitreiking van een loonbelastingverklaring indien zich een wijziging voordoet in de eerder door hem verstrekte gegevens en die wijziging tot gevolg heeft dat een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd.

5. De werknemer aan wie een loonbelastingverklaring is uitgereikt, is gehouden de daarbij gevraagde gegevens te verstrekken door de loonbelastingverklaring duidelijk, stellig en zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend, in te leveren bij de inhoudingsplichtige. De werknemer levert de ingevulde en ondertekende loonbelastingverklaring in voor de eerste loonverstrekking.

6. De inhoudingsplichtige tekent na terugontvangst van de loonbelastingverklaring daarop aan of de heffingskorting bij de werknemer wordt toegepast.

7. De inhoudingsplichtige bewaart de loonbelastingverklaring bij de loonadministratie tot ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd, dan wel waarin de loonbelastingverklaring door een andere is vervangen. Desgevorderd doet de inhoudingsplichtige de loonbelastingverklaring aan de inspecteur toekomen binnen een door deze gestelde termijn.

Artikel 66 Identificatieplicht

1. De inhoudingsplichtige stelt zodra de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt diens identiteit vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor controle beschikbaar bij de loonadministratie.

2. Indien uit het afschrift van het in het eerste lid bedoelde document niet de aard en het nummer van dat document blijkt, administreert de inhoudingsplichtige de aard en het nummer van dat document bij de loonadministratie.

3. De inspecteur kan, al dan niet onder door hem te stellen voorwaarden en in overeenstemming met de desbetreffende uitvoeringsorganen van de sociale verzekering, bepalen dat de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften op een andere plaats worden bewaard.

4. De inhoudingsplichtige bewaart de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften tot ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd.

Artikel 67 Loonstaat

1. De inhoudingsplichtige legt voor iedere werknemer voor de eerste loonverstrekking in het kalenderjaar een loonstaat aan en houdt deze vervolgens bij. De loonstaat wordt opgemaakt overeenkomstig het door de inspecteur verstrekte model. De inhoudingsplichtige mag een van het model afwijkende loonstaat gebruiken, mits deze ten minste de mogelijkheid biedt op duidelijke wijze dezelfde gegevens te administreren als het model.

2. De inhoudingsplichtige wordt geacht aan het eerste lid te voldoen ingeval hij met behulp van elektronische apparatuur alle van belang zijnde gegevens vastlegt en hij die gegevens op elk gewenst tijdstip op schrift in de vorm van een van de in het eerste lid bedoelde loonstaten ter inzage kan verstrekken.

3. In overeenstemming met de desbetreffende uitvoeringsorganen van de sociale verzekering kan de inspecteur onder door hem te stellen voorwaarden ermee instemmen dat de inhoudingsplichtige de op de loonstaat te vermelden gegevens op een andere dan de in het eerste of het tweede lid bedoelde wijze administreert. De instemming kan te allen tijde worden ingetrokken indien de administratie niet zodanig is ingericht dat een deugdelijke controle gewaarborgd is.

4. De inhoudingsplichtige ontleent de in het hoofd van de loonstaat te vermelden gegevens aan:

a. de laatstelijk van de werknemer terugontvangen loonbelastingverklaring;

b. de door de werknemer of de Belastingdienst verstrekte opgave van het sociaal-fiscaalnummer.

5. In afwijking in zoverre van het vierde lid, aanhef en onderdeel a , vermeldt de inhoudingsplichtige in het hoofd van de loonstaat de gegevens die hem bekend zijn:

a. indien hij weet dat de laatstelijk van de werknemer terugontvangen loonbelastingverklaring onjuiste gegevens bevat;

b. zolang hij niet de laatstelijk uitgereikte loonbelastingverklaring ingevuld van de werknemer heeft terugontvangen;

c. indien de werknemer is vrijgesteld van de verplichting tot inlevering van de loonbelastingverklaring.

6. De inhoudingsplichtige houdt, behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 26b van de wet, de belasting in aan de hand van de gegevens vermeld in het hoofd van de loonstaat.

7. De inhoudingsplichtige houdt de loonadministratie ter plaatse waar hij in Nederland kantoor houdt of, indien zodanig kantoor niet wordt gehouden, ter plaatse waar hij in Nederland woont of gevestigd is, dan wel ter plaatse waar hij in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft. Bij gebreke daarvan houdt hij de loonadministratie onder zijn berusting. De inspecteur kan, in overeenstemming met de desbetreffende uitvoeringsorganen van de sociale verzekering, een andere plaats aanwijzen.

8. Ingeval de loonberekening door derden wordt uitgevoerd met behulp van mechanische of elektronische apparatuur kan de minister van Financiën, onder door hem te stellen voorwaarden en in overeenstemming met de desbetreffende uitvoeringsorganen van de sociale verzekering, bepalen dat de loonadministratie op een andere plaats wordt bewaard.

Artikel 68 Administratie uitkeringen, vergoedingen en verstrekkingen

1. De inhoudingsplichtige administreert bij de loonadministratie de gegevens met betrekking tot de volgende uitkeringen, vergoedingen en verstrekkingen die door hem niet tot het loon van de werknemer zijn gerekend:

a. vrije vergoedingen met een vast of gelijkmatig karakter;

b. vrije vergoedingen, voor zover niet vallend onder onderdeel a, van kosten en verstrekkingen die verband houden met vervoer;

c. uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdelen l, m, o, p en q, artikel 15a, eerste lid, onderdeel h, artikel 16c en artikel 17a, eerste lid, onderdeel c, van de wet;

d. vrije vergoedingen en verstrekkingen ter zake van een recht op vrij reizen als bedoeld in artikel 26;

2. Met betrekking tot vergoedingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, administreert de inhoudingsplichtige bij de loonadministratie voor iedere werknemer per uitbetalingstijdvak tevens het aantal kilometers waarvoor de vergoeding is verstrekt.

3. De inhoudingsplichtige kan de in de vorige leden bedoelde gegevens op een andere plaats administreren, mits:

a. hij dit onder vermelding van de nieuwe bewaarplaats vooraf meldt aan de inspecteur, en

b. de gegevens op verzoek van de inspecteur voor controle beschikbaar komen op de plaats waar de loonadministratie wordt gevoerd.

Artikel 69 Loonbelastingkaart en coderingslijst

De inhoudingsplichtige vult na het einde van het kalenderjaar voor iedere werknemer een door de inspecteur verstrekte loonbelastingkaart in mede volgens de aanwijzingen van de daarbij behorende coderingslijst, tenzij de op de loonbelastingkaart te verstrekken gegevens overeenkomstig daartoe door de inspecteur gegeven aanwijzingen worden verstrekt met behulp van geautomatiseerd te verwerken informatiedragers.

Artikel 70 Loonbelastingkaart huispersoneel

In afwijking in zoverre van de artikelen 67 en 69 legt de inhoudingsplichtige ten aanzien van huispersoneel voor iedere werknemer voor de eerste loonverstrekking in het kalenderjaar in plaats van een loonstaat een door de inspecteur verstrekte loonbelastingkaart huispersoneel aan en houdt deze vervolgens bij.

Artikel 71 Uitreiken formulieren

De inspecteur reikt aan de inhoudingsplichtige uit de formulieren van de loonbelastingverklaring, loonbelastingkaart en loonbelastingkaart huispersoneel. Deze kaarten mogen slechts worden gebruikt ten behoeve van het daarin vermelde kalenderjaar.

Artikel 72 Inleveren formulieren

1. De inhoudingsplichtige doet binnen een maand na het einde van het kalenderjaar aan de inspecteur toekomen de voor dat jaar bestemde loonbelastingkaarten en loonbelastingkaarten huispersoneel, dan wel de informatiedragers met de op de loonbelastingkaart te verstrekken gegevens van dat jaar.

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid doet de inhoudingsplichtige binnen twee maanden na het einde van het kalenderjaar aan de inspecteur toekomen de voor dat jaar bestemde loonbelastingkaarten meewerkend kind.

Artikel 73 Verplichtingen bij einde inhoudingsplicht

Degene die op enig tijdstip, anders dan tijdelijk, ophoudt inhoudingsplichtige te zijn, doet daarvan binnen een maand mededeling aan de inspecteur. Voor de toepassing van de artikelen 69, 70 en 72 wordt dat tijdstip gelijkgesteld met het einde van het kalenderjaar.

Artikel 74 Jaaropgaaf

1. De inhoudingsplichtige verstrekt aan de werknemer een jaaropgaaf.

2. Ten aanzien van de werknemer van wie in verband met gemoedsbezwaren geen premie voor de volksverzekeringen is geheven, bevat de jaaropgaaf de mededeling dat in plaats van premie voor de volksverzekeringen tot eenzelfde bedrag aan premievervangende belasting is ingehouden.

Artikel 75 Uitzonderingen voor het opmaken van loonbelastingverklaring, loonstaat en jaaropgaaf bij het enkel genieten van bepaalde subsidies

De artikelen 65, 66, 67, 69 en 74 zijn niet van toepassing ten aanzien van de werknemer die van de inhoudingsplichtige geen ander loon geniet dan de subsidie, bedoeld in artikel 2 van de Regeling compensatie inkomensachteruitgang ex-banenpoolers. De belasting met betrekking tot dit loon wordt geheven zonder toepassing van de heffingskorting.

Artikel 76 Uitzondering voor het opmaken van loonbelastingverklaring en loonstaat bij meewerkende kinderen

Ten aanzien van een in de onderneming van zijn ouder werkzaam kind zijn de artikelen 65 en 67 niet van toepassing zolang de belasting mag worden ingehouden op de voet van artikel 10g van het besluit. De belasting met betrekking tot het loon van het kind wordt geheven met toepassing van de heffingskorting.

Artikel 77 Uitzondering voor het opmaken van loonbelastingverklaring en loonstaat bij gerechtigden tot de bijstand

Ten aanzien van de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Wet werk en bijstand zijn de artikelen 65 en 67 niet van toepassing.

Artikel 78 Uitzondering voor het opmaken van loonbelastingverklaring en loonstaat bij gerechtigden tot de inkomensvoorziening kunstenaars.

Ten aanzien van de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars zijn de artikelen 65 en 67 niet van toepassing. De belasting met betrekking tot deze uitkeringen wordt geheven zonder toepassing van de heffingskorting.

Artikel 79 Geen loonbelastingverklaring

1. Artikel 65 is niet van toepassing ten aanzien van:

a. de werknemer die uitkeringen geniet wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid of uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet, indien degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of laatstelijk heeft gestaan, de voor de heffing van de belasting vereiste gegevens, daaronder begrepen het sociaal-fiscaalnummer, schriftelijk mededeelt aan de inhoudingsplichtige;

b. de in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar niet heeft bereikt en loon uit vroegere dienstbetrekking geniet indien de inhoudingsplichtige weet dat de werknemer tevens een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten geniet;

c. de in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet, dan wel loon uit vroegere dienstbetrekking geniet waarin niet zijn begrepen de uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet;

d. de in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en loon geniet in de vorm van uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet dan wel loon uit vroegere dienstbetrekking geniet waarin zijn begrepen de uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet;

e. de werknemer die loon geniet in de vorm van uitkeringen als bedoeld in artikel 3 van de Wet inschakeling werkzoekenden.

2. Tenzij de werknemer met een loonbelastingverklaring andersluidende gegevens verstrekt, wordt de loonbelasting ingehouden:

a. zonder toepassing van de heffingskorting ten aanzien van de werknemer bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of onderdeel c;

b. met toepassing van de heffingskorting ten aanzien de werknemer bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.

3. Ten aanzien van de werknemer bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt de loonbelasting ingehouden zonder toepassing van de heffingskorting.

Artikel 80 Verstrekking sociaal-fiscaalnummer als geen loonbelastingverklaring behoeft te worden ingeleverd

Indien artikel 65 niet van toepassing is en de inhoudingsplichtige niet bekend is met het sociaal-fiscaalnummer van de werknemer, verzoekt de inhoudingsplichtige voor de eerste loonverstrekking de werknemer om opgave van zijn sociaal-fiscaalnummer. De werknemer doet deze opgave voor de eerste loonverstrekking toekomen aan de inhoudingsplichtige.

HOOFDSTUK 8 EINDHEFFING (hoofdstuk V van de wet)

Artikel 81 Uitkeringen van publiekrechtelijke aard

Als uitkeringen van publiekrechtelijke aard die buiten aanmerking worden gelaten in het kader van de heffing van andere belastingen of in het kader van andere wettelijke regelingen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel c, van de wet worden aangewezen:

a. toeslagen in de zin van artikel 24, derde en vierde lid, van de Wet inschakeling werkzoekenden;

b. uitkeringen ingevolge de Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen;

c. uitkeringen ingevolge de Uitkeringswet KNIL-beroepsmilitairen;

d. subsidies als bedoeld in artikel 2 van de Regeling compensatie inkomensachteruitgang ex-banenpoolers.

e. uitkeringen ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars zoals die wet luidde op 31 december 2004, die na die datum worden vastgesteld met toepassing van artikel 10 van die wet.

Artikel 82 Naar het tabeltarief te belasten bezwaarlijk te individualiseren loon

1. Als loon dat bezwaarlijk kan worden geïndividualiseerd als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel d, van de wet worden aangewezen:

a. voordelen bestaande uit het niet op de werknemer verhalen van administratieve sancties die aan de inhoudingsplichtige zijn opgelegd ingevolge de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften;

b. geschenken ter gelegenheid van een jubileum van de inhoudingsplichtige;

c. geschenken ter gelegenheid van een persoonlijke feestdag van de werknemer;

d. aanspraken ingevolge een ziektekostenregeling die niet geheel of gedeeltelijk worden gedekt door een werknemersbijdrage voorzover deze door de inhoudingsplichtige in eigen beheer worden gehouden;

e. niet tot de vrije vergoedingen behorende vergoedingen ter zake van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is;

f. niet tot de vrije verstrekkingen behorende verstrekkingen van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is;

g. niet tot de vrije verstrekkingen behorende verstrekkingen van maaltijden in bedrijfskantines of andere soortgelijke ruimten op de plaats waar de arbeid wordt verricht;

h. verstrekkingen met een waarde in het economische verkeer van ten hoogste € 272,00 per jaar en ten hoogste € 136,00 per verstrekking, met overeenkomstige toepassing van het bij en krachtens artikel 13 dan wel artikel 17 van de wet bepaalde;

i. verstrekkingen van achtergestelde vliegvervoerbewijzen door luchtvaartmaatschappijen en aanverwante bedrijven;

j. vergoedingen ter zake van een beperkt recht op geheel of gedeeltelijk vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer, dat niet dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer;

k. verstrekkingen van een beperkt recht op geheel of gedeeltelijk vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer, dat niet dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen j en k, wordt onder een beperkt recht verstaan een recht dat, behoudens in de maanden juli en augustus, van maandag tot en met vrijdag niet kan worden gebruikt tussen 07.00 en 09.00 uur of tussen 16.30 en 18.00 uur.

3. Met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde loon wordt het bedrag van de verschuldigde belasting bepaald aan de hand van het tabeltarief bedoeld in artikel 31, vierde lid, van de wet.

Artikel 82a. Bedrag per maand van het naar het tabeltarief te belasten loon in de vorm van vergoedingen en verstrekkingen

Het in artikel 31, tweede lid, onderdeel h, bedoelde bedrag per maand wordt gesteld op € 200.

Artikel 83 Naar het enkelvoudige tarief te belasten bezwaarlijk te individualiseren loon

1. Als loon dat bezwaarlijk kan worden geïndividualiseerd als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel d, van de wet worden tevens aangewezen de op grond van artikel 42 niet tot de vrije vergoedingen behorende vergoedingen ter zake van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen, mits de deelname aan die voorzieningen openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid.

2. Als loon dat bezwaarlijk kan worden geïndividualiseerd als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel d, van de wet worden tevens aangewezen de op grond van artikel 42 niet tot de vrije verstrekkingen behorende verstrekkingen van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen, mits de deelname aan die voorzieningen openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid.

3. Met betrekking tot het in het eerste lid en tweede lid bedoelde loon wordt het bedrag van de verschuldigde belasting bepaald aan de hand van het enkelvoudige tarief bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de wet.

Artikel 84 Naar het enkelvoudige tarief te belasten loon met een bestemmingskarakter

Als loon met een bestemmingskarakter als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel e, van de wet worden aangewezen:

a. vergoedingen van de aan- en verkoopkosten van de woning van de werknemer bij bedrijfsverplaatsingen en andere zakelijke verhuizingen als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, onderdeel g, van de wet;

b. vergoedingen van parkeer-, veer- en tolgelden, alsmede overeenkomstige verstrekkingen;

c. uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer geleden verlies wegens diefstal en dergelijke die hem in verband met het vervullen van de dienstbetrekking zijn overkomen;

d. uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer geleden schade ten gevolge van overstromingen, aardbevingen en dergelijke, die niet pleegt te worden verzekerd;

e. toeslagen als bedoeld in artikel 10, derde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en in artikel 21b van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 zoals dat luidde tot 1 januari 1992, alsmede toeslagen als bedoeld in artikel 19 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945;

f. niet tot de vrije vergoedingen behorende vergoedingen ter zake van een recht op openbaar vervoer als bedoeld in artikel 26;

g. niet tot de vrije verstrekkingen behorende verstrekkingen van een recht op openbaar vervoer als bedoeld in artikel 26.

Artikel 85 Aangewezen inhoudingsplichtigen bij eindheffing

Ter bevordering van een goede uitvoering van hoofdstuk V van de wet wordt, in afwijking van de artikelen 6 en 7 van de wet, het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als inhoudingsplichtige aangewezen met betrekking tot subsidies, bedoeld in artikel 81, onderdeel d .

HOOFDSTUK 9 AANVULLENDE REGELINGEN (hoofdstuk VI van de wet)

Artikel 86 Door tussenkomst van de inhoudingsplichtige uitbetaalde uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringen

Degene tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat - of, indien krachtens artikel 8, tweede lid, van de wet een ander als inhoudingsplichtige is aangewezen, die ander - wordt geacht de uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten te verstrekken die door zijn tussenkomst worden uitbetaald.

Artikel 87 Doorbetaald loon uit tegenwoordige dienstbetrekking

1. De in Nederland wonende of gevestigde inhoudingsplichtige wordt geacht als onderdeel van het door hem verschuldigde loon van een in Nederland wonende werknemer ter beschikking te stellen het loon dat de werknemer geniet als werknemer van een andere inhoudingsplichtige indien:

a. de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking tevens werkzaam is als werknemer van die andere inhoudingsplichtige onder de verplichting het hem toekomende loon en de bijbehorende vrije vergoedingen af te staan aan de inhoudingsplichtige, en

b. die andere inhoudingsplichtige het bedoelde loon en de bijbehorende vrije vergoedingen rechtstreeks afdraagt aan de inhoudingsplichtige en aan de werknemer geen vrije verstrekkingen verstrekt die niet vooraf aan de inhoudingsplichtige zijn medegedeeld.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een niet in Nederland wonende werknemer ingeval het aan de inhoudingsplichtige afgestane loon voor de toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting niet anders zou worden behandeld dan het door deze inhoudingsplichtige aan de werknemer uit te betalen loon.

3. Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing als de inspecteur onder wie degene ressorteert die zonder toepassing van deze leden belasting had moeten inhouden op gezamenlijk verzoek van de bedoelde personen bij voor bezwaar vatbare beschikking, die te allen tijde bij nadere, voor bezwaar vatbare, beschikking kan worden herroepen, heeft vastgesteld dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan.

Artikel 88 Meerdere gevallen van loon uit vroegere dienstbetrekking

Een inhoudingsplichtige die aan een of meer werknemers loon uit een vroegere dienstbetrekking - niet zijnde uitkeringen ingevolge de Wet werk en bijstand - verstrekt, wordt ook geacht te verstrekken:

a. het loon uit een vroegere dienstbetrekking dat door zijn tussenkomst wordt uitbetaald;

b. de uit de vroegere dienstbetrekking genoten aanspraak op uitkeringen ingevolge een ziektekostenregeling.

Artikel 89 Berekening van de belasting bij aanvullingen op uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten

Degene tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat - of, indien krachtens artikel 8, tweede lid, van de wet een ander als inhoudingsplichtige is aangewezen, die ander - berekent de belasting over de door hem verstrekte aanvullingen op uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten over het gezamenlijke bedrag en brengt op de aldus berekende belasting in mindering de op de uitkeringen ingehouden belasting.

Artikel 90 Berekening van de belasting bij samenloop van pensioenuitkeringen

[VERVALLEN per 01-01-2002]

Artikel 91 Samenvoeging van loon

Een inhoudingsplichtige wordt, in de gevallen bedoeld in de artikelen 86 en 88 alsmede indien hij loon uit meer dan een vroegere dienstbetrekking verstrekt, geacht het totale bedrag aan loon te verstrekken uit een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking.

Artikel 92 Loon over een ander tijdvak dan het regelmatig wederkerende loon

1. Indien een inhoudingsplichtige aan de werknemer loon verstrekt over een ander tijdvak dan dat waarover hij het regelmatig wederkerende loon verstrekt, wordt naar het loon over dat andere tijdvak verschuldigde belasting, ter keuze van de inhoudingsplichtige, berekend hetzij door toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen, hetzij volgens het tweede en het derde lid.

2. De belasting naar het loon over het andere tijdvak is gelijk aan het verschil van:

a. de belasting die op het tijdstip waarop het loon over het andere tijdvak wordt verstrekt, verschuldigd zou zijn indien op dat tijdstip tevens werd verstrekt het loon over de met dat andere tijdvak geheel of gedeeltelijk samenvallende tijdvakken van het regelmatige wederkerende loon, en

b. de belasting die op het tijdstip waarop het loon over het andere tijdvak wordt verstrekt, verschuldigd zou zijn indien op dat tijdstip uitsluitend werd verstrekt het loon over de met dat andere tijdvak geheel of gedeeltelijk samenvallende tijdvakken van het regelmatige wederkerende loon.

3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen a en b, wordt als loontijdvak aangemerkt een tijdvak dat even groot is als de gezamenlijke met het andere tijdvak geheel of gedeeltelijk samenvallende tijdvakken van het regelmatig wederkerende loon.

4. Ingeval regelmatig wederkerend loon wordt verstrekt over tijdvakken van verschillende duur die gedeeltelijk samenvallen, wordt slechts het loon over het kortste van die tijdvakken als regelmatig wederkerend loon beschouwd.

5. Ingeval een inhoudingsplichtige loon uit meer dan een vroegere dienstbetrekking verstrekt of geacht wordt te verstrekken, wordt de belasting naar het loon over het andere tijdvak - indien dit, afgezien van het vierde lid, regelmatig wederkerend loon is - steeds berekend volgens het tweede en het derde lid.

Artikel 93 Nettoloon, gevolgd door periodieke afrekening

1. De inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden de inhoudingsplichtige toestaan met betrekking tot bepaalde categorieën werknemers voorlopig te volstaan met uitbetaling van een geschat nettoloon, gevolgd door periodieke afrekening.

2. De inhoudingsplichtige rekent bij de laatste loonverstrekking in een tijdvak van ten hoogste drie maanden met de werknemer de belasting af die is verschuldigd ter zake van het in dat tijdvak aan de werknemer toekomende loon waarop de vergunning betrekking heeft, met dien verstande dat bij de laatste loonverstrekking in een kalenderjaar steeds afrekening plaatsvindt. Daarbij wordt de verschuldigde belasting bepaald als ware het loon verstrekt op het tijdstip waarop de afrekening plaatsvindt en over het tijdvak waarop de afrekening betrekking heeft.

Artikel 94 Informatieplicht bij loon van derde

Ingeval de in te houden belasting mede afhankelijk is van loon dat is verstrekt of geacht wordt te zijn verstrekt door een derde, dan wel van loon van een derde dat door de inhoudingsplichtige geacht wordt te zijn verstrekt, deelt die derde de van belang zijnde gegevens alsmede het sociaal-fiscaalnummer van de werknemer schriftelijk mede aan de inhoudingsplichtige.

HOOFDSTUK 10 BELASTINGHEFFING VAN ARTIESTEN EN BEROEPSSPORTERS (hoofdstuk VII van de wet)

Artikel 95 Gageverklaring

1. De inhoudingsplichtige reikt aan de artiest dan wel beroepssporter een gageverklaring met de daarbij behorende toelichting uit:

a. zodra hij ten aanzien van de artiest dan wel beroepssporter inhoudingsplichtige wordt;

b. op verzoek van de artiest dan wel beroepssporter;

c. zodra hij weet dat zich een wijziging heeft voorgedaan in de gegevens die de artiest dan wel beroepssporter in de laatstelijk ingeleverde gageverklaring heeft verstrekt en die wijziging tot gevolg heeft dat de artiest dan wel beroepssporter een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd.

2. De inhoudingsplichtige mag in plaats van het door de inspecteur verstrekte model van de gageverklaring gebruik maken van een eigen model gageverklaring, mits dat model minimaal de gegevens bevat van het door de inspecteur verstrekte model, inclusief de gebruiksaanwijzing en de toelichting op de vragen.

3. De artiest dan wel beroepssporter verzoekt de inhoudingsplichtige om uitreiking van een gageverklaring indien zich een wijziging voordoet in de eerder door hem verstrekte gegevens en die wijziging tot gevolg heeft dat een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd.

4. De artiest dan wel beroepssporter aan wie een gageverklaring is uitgereikt, is gehouden de daarbij gevraagde gegevens te verstrekken door de gageverklaring duidelijk, stellig en zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend, in te leveren bij de inhoudingsplichtige. De artiest dan wel beroepssporter levert de ingevulde en ondertekende gageverklaring in voor de eerste gageverstrekking.

5. De inhoudingsplichtige bewaart de gageverklaring bij de loonadministratie tot ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin het optreden of de sportbeoefening heeft plaatsgevonden. Desgevorderd doet de inhoudingsplichtige de gageverklaring aan de inspecteur toekomen binnen een door deze gestelde termijn.

Artikel 96 Identificatieplicht

1. De inhoudingsplichtige stelt zodra de artiest dan wel beroepssporter zijn werkzaamheden aanvangt diens identiteit vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor controle beschikbaar bij de loonadministratie.

2. Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 97 Loonstaat

1. De inhoudingsplichtige legt voor iedere artiest dan wel beroepssporter voor de eerste gageverstrekking in het kalenderjaar een loonstaat aan en houdt deze vervolgens bij. De loonstaat wordt opgemaakt overeenkomstig het door de inspecteur verstrekte model. De inhoudingsplichtige mag een van het model afwijkende loonstaat gebruiken, mits deze ten minste de mogelijkheid biedt op duidelijke wijze dezelfde gegevens te administreren als het model.

2. De inhoudingsplichtige ontleent de in het hoofd van de loonstaat te vermelden gegevens aan:

a. de laatstelijk van de artiest of beroepssporter terugontvangen gageverklaring;

b. de door de in Nederland wonende artiest of beroepssporter verstrekte opgaaf van zijn sociaalfiscaalnummer, dan wel de door de inspecteur verstrekte opgaaf van dat nummer.

3. In afwijking in zoverre van het tweede lid, aanhef en onderdeel a, vermeldt de inhoudingsplichtige in het hoofd van de loonstaat de gegevens die hem bekend zijn:

a. indien hij weet dat de laatstelijk van de artiest of beroepssporter terugontvangen gageverklaring onjuiste gegevens bevat;

b. zolang hij niet de laatstelijk uitgereikte gageverklaring ingevuld van de artiest of beroepssporter heeft terugontvangen.

4. Artikel 67, tweede, derde, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

5. De inhoudingsplichtige houdt, behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 35a, derde lid, van de wet, de belasting in aan de hand van de gegevens vermeld in het hoofd van de loonstaat.

Artikel 98 Administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen in natura en aanspraken

1. De inhoudingsplichtige administreert bij de loonadministratie de gegevens met betrekking tot de aan de artiest dan wel beroepssporter verstrekte kostenvergoedingen en verstrekkingen in natura, voorzover deze niet tot de gage behoren, alsmede aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen.

2. De inhoudingsplichtige kan de in het eerste lid bedoelde gegevens op een andere plaats administreren, mits:

a. hij dit onder vermelding van de nieuwe bewaarplaats vooraf meldt aan de inspecteur, en

b. de gegevens op verzoek van de inspecteur voor controle beschikbaar komen op de plaats waar de administratie wordt gevoerd.

Artikel 99 Loonbelastingkaart en coderingslijst

De inhoudingsplichtige vult uiterlijk binnen een maand na het einde van het kalenderjaar voor iedere artiest dan wel beroepssporter een door de inspecteur verstrekte loonbelastingkaart in mede volgens de aanwijzingen van de daarbij behorende coderingslijst, tenzij de op de loonbelastingkaart te verstrekken gegevens overeenkomstig daartoe door de inspecteur gegeven aanwijzingen worden verstrekt met behulp van geautomatiseerd te verwerken informatiedragers.

Artikel 100 Uitreiken formulieren

De inspecteur reikt aan de inhoudingsplichtige uit de formulieren van de gageverklaring en de loonbelastingkaart. De kaarten mogen slechts worden gebruikt ten behoeve van het daarin vermelde kalenderjaar.

Artikel 101 Inleveren formulieren

De inhoudingsplichtige doet uiterlijk binnen een maand na het einde van het kalenderjaar aan de inspecteur toekomen de voor dat jaar bestemde loonbelastingkaarten dan wel de informatiedragers met de op de loonbelastingkaart te verstrekken gegevens van dat jaar.

Artikel 102 Verplichtingen bij einde inhoudingsplicht

[VERVALLEN per 18-06-2003]

Artikel 103 Afwijkende termijnen

[VERVALLEN per 18-06-2003]

Artikel 104 Jaaropgaaf

De inhoudingsplichtige verstrekt aan de artiest dan wel beroepssporter een jaaropgaaf.Aan de niet in Nederland wonende artiest dan wel beroepssporter verstrekt de inhoudingsplichtige een jaaropgaaf slechts op diens verzoek.

Artikel 104a Uitzonderingen

1. De artikelen 97 en 99 zijn niet van toepassing indien de artiest of beroepssporter slechts vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 35, derde lid, onderdelen a, b en c, van de wet geniet.

2. Artikel 97, en ten aanzien van de niet in Nederland wonende artiest of beroepssporter tevens artikel 99, is niet van toepassing indien met betrekking tot het optreden of de sportbeoefening na de toepassing van de individuele kostenvergoedingsbeschikking of de gezelschapskostenvergoedings-beschikking, bedoeld in artikel 12a, zevende lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, de in te houden belasting nihil bedraagt.

3. De vorige leden zijn niet van toepassing voorzover de inspecteur zulks ten aanzien van de inhoudingsplichtige bij voor bezwaar vatbare beschikking verklaart.

HOOFDSTUK 10A. BELASTINGHEFFING VAN BUITENLANDSE GEZELSCHAPPEN (hoofdstuk VIIA van de wet)

Artikel 104b In Nederland wonende leden van het buitenlandse gezelschap

Indien tot een buitenlands gezelschap een lid behoort dat in Nederland woont, is met betrekking tot dat lid niet dit hoofdstuk, maar hoofdstuk 10 van toepassing.

Artikel 104c Gageverklaring

1. De inhoudingsplichtige reikt aan de leider of vertegenwoordiger van een buitenlands gezelschap een gageverklaring met de daarbij behorende toelichting uit:

a. zodra hij ten aanzien van het gezelschap inhoudingsplichtige wordt;

b. op verzoek van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap;

c. zodra hij weet dat zich een wijziging heeft voorgedaan in de gegevens die de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap in de laatstelijk ingeleverde gageverklaring heeft verstrekt en die wijziging tot gevolg heeft dat het gezelschap een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd.

2. De inhoudingsplichtige mag in plaats van het door de inspecteur verstrekte model van de gageverklaring gebruik maken van een eigen model gageverklaring, mits dat model minimaal de gegevens bevat van het door de inspecteur verstrekte model, inclusief de gebruiksaanwijzing en de toelichting op de vragen.

3. De leider of vertegenwoordiger van het gezelschap verzoekt de inhoudingsplichtige om uitreiking van een gageverklaring indien zich een wijziging voordoet in de eerder door hem verstrekte gegevens en die wijziging tot gevolg heeft dat een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd.

4. De leider of vertegenwoordiger van het gezelschap aan wie een gageverklaring is uitgereikt, is gehouden de daarbij gevraagde gegevens te verstrekken door de gageverklaring duidelijk, stellig en zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend, in te leveren bij de inhoudingsplichtige voor de eerste gageverstrekking.

5. De inhoudingsplichtige bewaart de gageverklaring bij de loonadministratie tot ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin het optreden of de sportbeoefening heeft plaatsgevonden. Desgevorderd doet de inhoudingsplichtige de gageverklaring aan de inspecteur toekomen binnen een door deze gestelde termijn.

Artikel 104d Identificatieplicht

1. De inhoudingsplichtige stelt zodra het buitenlandse gezelschap zijn werkzaamheden aanvangt de identiteit van een zo groot mogelijk deel, maar van ten minste het merendeel van de leden van het gezelschap vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor controle beschikbaar bij de loonadministratie.

2. Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 104e Loonstaat

1. De inhoudingsplichtige legt voor ieder buitenlands gezelschap voor de eerste gageverstrekking in het kalenderjaar een loonstaat aan en houdt deze vervolgens bij.

2. De loonstaat wordt opgemaakt overeenkomstig het door de inspecteur verstrekte model. De inhoudingsplichtige mag een van het model afwijkende loonstaat gebruiken, mits deze ten minste de mogelijkheid biedt op duidelijke wijze dezelfde gegevens te administreren als het model.

3. De inhoudingsplichtige ontleent de in het hoofd van de loonstaat te vermelden gegevens aan de laatstelijk van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap terugontvangen gageverklaring.

4. In afwijking in zoverre van het derde lid vermeldt de inhoudingsplichtige in het hoofd van de loonstaat de gegevens die hem bekend zijn:

a. indien hij weet dat de laatstelijk van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap terugontvangen gageverklaring onjuiste gegevens bevat;

b. zolang hij niet de laatstelijk uitgereikte gageverklaring ingevuld van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap heeft terugontvangen.

5. Artikel 67, tweede, derde, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

6. De inhoudingsplichtige houdt, behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 35h, derde lid, van de wet, de belasting in aan de hand van de gegevens vermeld in het hoofd van de loonstaat.

Artikel 104f Administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen in natura en aanspraken

1. De inhoudingsplichtige administreert bij de loonadministratie de gegevens met betrekking tot de aan het buitenlandse gezelschap verstrekte kostenvergoedingen en verstrekkingen in natura, voorzover deze niet tot de gage behoren, alsmede aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen.

2. De inhoudingsplichtige kan de in het eerste lid bedoelde gegevens op een andere plaats administreren, mits:

a. hij dit onder vermelding van de nieuwe bewaarplaats vooraf meldt aan de inspecteur, en

b. de gegevens op verzoek van de inspecteur voor controle beschikbaar komen op de plaats waar de administratie wordt gevoerd.

Artikel 104g Loonbelastingkaart en coderingslijst

De inhoudingsplichtige vult uiterlijk binnen een maand na het einde van het kalenderjaar voor elk buitenlands gezelschap een door de inspecteur verstrekte loonbelastingkaart in mede volgens de aanwijzingen van de daarbij behorende coderingslijst, tenzij de op de loonbelastingkaart te verstrekken gegevens overeenkomstig daartoe door de inspecteur gegeven aanwijzingen worden verstrekt met behulp van geautomatiseerd te verwerken informatiedragers.

Artikel 104h Uitreiken formulieren

De inspecteur reikt aan de inhoudingsplichtige uit de formulieren van de gageverklaring en de loonbelastingkaart. De kaarten mogen slechts worden gebruikt ten behoeve van het daarin vermelde kalenderjaar.

Artikel 104i Inleveren formulieren

De inhoudingsplichtige doet uiterlijk binnen een maand na het einde van het kalenderjaar aan de inspecteur toekomen de voor dat jaar bestemde loonbelastingkaarten dan wel de informatiedragers met de op de loonbelastingkaart te verstrekken gegevens van dat jaar.

Artikel 104j Uitzonderingen

1. De artikelen 104e en 104g zijn niet van toepassing indien de in te houden belasting nihil bedraagt doordat:

a. het buitenlandse gezelschap slechts vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 35g, derde lid, onderdelen a, b en c, van de wet ontvangt;

b. met betrekking tot het optreden of de sportbeoefening de gezelschapskostenvergoedingsbeschikking, bedoeld in artikel 12a, zevende lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, wordt toegepast.

2. Het vorige lid is niet van toepassing voorzover de inspecteur zulks ten aanzien van de inhoudingsplichtige bij voor bezwaar vatbare beschikking verklaart.

HOOFDSTUK 11 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 105 Overgangsregeling loonbelastingverklaring

1. Ten aanzien van de werknemer die op 31 december 2000 overeenkomstig de loonbelastingverklaring was ingedeeld in tariefgroep 0 wordt de belasting ingehouden zonder toepassing van de heffingskorting.

2. Ten aanzien van de werknemer die op 31 december 2000 overeenkomstig de loonbelastingverklaring was ingedeeld in tariefgroep 1, in tariefgroep 2, in tariefgroep 3, in tariefgroep 4, of in tariefgroep 5 wordt de belasting ingehouden met toepassing van de heffingskorting.

3. Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is van toepassing totdat de inhoudingsplichtige op grond van het bepaalde in artikel 65, eerste lid, onderdeel b of onderdeel c, aan de werknemer een loonbelastingverklaring moet uitreiken.

Artikel 106 Overgangsregeling hogere vrije vergoeding regelmatig woon-werkverkeer als de werknemer andere werknemers vervoert

[VERVALLEN per 01-01-2002]

Artikel 107 Overgangsregeling fiets voor woon-werkverkeer

[VERVALLEN per 01-01-2004]

107a. Overgangsregeling producten eigen bedrijf

1. Naar keuze van de inhoudingsplichtige blijft artikel 41 zoals dat artikel luidde op 31 december 2002 in het kalenderjaar 2003 van toepassing in plaats van artikel 41.

2. Voor de toepassing van artikel 41, derde lid, eerste volzin mag worden aangenomen dat voor de jaren 2001 en 2002 een bedrag van € 450 heeft gegolden.

3. Voor de toepassing van artikel 41, derde lid, eerste volzin mag worden aangenomen dat voor de jaren 2002 en 2003 een bedrag van € 450 heeft gegolden, indien de inhoudingsplichtige met toepassing van het eerste lid heeft gekozen voor de toepassing in het kalenderjaar 2003 van artikel 41 zoals dat artikel luidde op 31 december 2002.

Artikel 108 Overgangsregeling personeelsleningen

[VERVALLEN per 01-01-2004]

Artikel 109 Overgangsregeling dagbladen

[VERVALLEN per 01-01-2004]

Artikel 109a Overgangsregeling openbaarvervoerkaart

[VERVALLEN per 01-01-2004]

Artikel 110 Overgangsregeling vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen en daarmee overeenkomende aanspraken

Ingeval in een reeds op 31 december 1996 bestaande of aansluitend naar strekking ter zake ongewijzigd voortgezette publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst is voorzien in vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken wordt, in afwijking van artikel 18 de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken gesteld op een percentage van de nominale waarde van die bonnen of aanspraken. Het in de eerste volzin bedoelde percentage bedraagt voor:

2001: 82,5;

2002: 85;

2003: 87,5;

2004: 90;

2005: 92,5.

Artikel 111 Guldensbedragen

[VERVALLEN per 01-01-2004]

Artikel 112 Intrekking van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990

De Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 wordt ingetrokken.

Artikel 113 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Artikel 114 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.