Deze versie van het V&A is vervangen door V&A 05-029 d.d. 16 september 2015.

Artikel 39d Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 19g Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2011)

Artikel 19g, eerste lid, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2011)

Saldo levensloopregeling en het loon van het voorafgaande kalenderjaar (Vraag & Antwoord 05-029 d.d. 111213)

Vraag

Het is alleen mogelijk om binnen een levensloopregeling aanspraken op te bouwen, als het saldo van de levensloopvoorziening aan het begin van het kalenderjaar niet hoger is dan 2,1 maal het loon op jaarbasis, gerelateerd aan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon. Welk loon wordt bedoeld? En is dit hetzelfde loon dat voor de maximale bijdrage van 12% of voor de toets van 210% in een levensloopregeling gebruikt kan worden?

Antwoord

Onder het ‘in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon’ wordt verstaan het genoten brutoloon óf het op de jaaropgave vermelde loon.

Volgens de toelichting op artikel 61e van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (thans artikel 5.6 (tekst 2011)) mag ook worden uitgegaan van het loon in geld, vermeerderd met de waarde van niet in geld uitgekeerd loon en fooien en uitkeringen uit fondsen. Vanaf 2013 is dit het totaal van kolom 3, 4 en 5 van de loonstaat (voorheen kolom 6 van de loonstaat).Als voor de maxima van een levensloopregeling wordt uitgegaan van het loon uit kolom 6, zoals deze tot 2013 werd gebruikt, dient dit loon te worden gecorrigeerd voor de werkgeversbijdrage in de levensloopregeling. Vanaf 2006 wordt deze werkgeversbijdrage namelijk gerekend tot het loon voor de werknemersverzekeringen en is om die reden ook verwerkt in kolom 6. Deze werkgeversbijdrage vormt echter geen loon in de zin van Hoofdstuk II Wet op de loonbelasting 1964; de aanspraak ingevolge een levensloopregeling is immers vrijgesteld in artikel 11, eerste lid, onderdeel r, ten 4e, Wet op de loonbelasting 1964. Indien wordt uitgegaan van het loon uit kolom 6 zonder correctie voor de werkgeversbijdrage in de levensloopregeling zou voor werknemers die op 31 december 2005 de leeftijd van 51 jaar maar niet de leeftijd van 56 jaar hebben bereikt een onbeperkte werkgeversbijdrage in de levensloopregeling mogelijk zijn. Dat is uiteraard niet de bedoeling.

Verder kan worden uitgegaan van het loon in kolom 14. Omdat het niet wenselijk wordt geacht dat de in artikel 11, eerste lid, onderdeel j, Wet op de loonbelasting 1964 op het loon van de werknemer ingehouden bedragen, waaronder pensioenpremie en de bijdrage ingevolge een levensloopregeling, tot een lagere grondslag leiden, mag het loon uit kolom 14 voor de toepassing van artikel 19g Wet op de loonbelasting 1964 worden verhoogd met de in artikel 11, eerste lid, onderdeel j, Wet op de loonbelasting 1964 genoemde ingehouden bedragen.

Men mag zelf bepalen welke van deze loonbegrippen men hanteert. In de levensloopregeling moet worden vastgelegd welk loon gehanteerd zal worden voor de levensloopregeling.

Als het brutoloon, het loon van de jaaropgave of het loon als bedoeld in kolom 3, 4 en 5 dan wel kolom 14 van de loonstaat, betrekking heeft op een gedeelte van het voorafgaande kalenderjaar mag dit loon herleid worden naar een jaarloon voor de vaststelling of de werknemer in het lopende jaar kan deelnemen aan de levensloopregeling.

Het hiervoor omschreven loon is ook uitgangspunt bij het loon dat geldt als grondslag voor de maximale jaarlijkse levensloopbijdrage van 12 % of de toets van 210%. Hierbij dient echter niet het loon van het voorafgaande jaar genomen te worden maar het in het in het jaar van deelname aan de levensloopregeling, werkelijk genoten loon. Hierbij wordt nog opgemerkt dat de werknemersbijdrage aan de levensloopregeling dient te ontstaan via inhouding op het loon. De werknemersbijdrage in de levensloopregeling is daardoor beperkt tot hetgeen feitelijk kan worden ingehouden op het loon. Door de inhouding kan het loon niet negatief worden.