Deze versie van het V&A is vervangen door V&A 05-046 d.d. 16 september 2015.

Artikel 18a, Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18a, zesde lid, Wet op de loonbelasting 1964

Pensioeningangsdatum vóór 65 jaar (Vraag & Antwoord 05-046 d.d. 020312)

Vraag

Moet sinds de invoering van de Wet VPL in een pensioenregeling van een werknemer die na 1949 is geboren altijd een pensioenrichtleeftijd van 65 jaar of ouder worden opgenomen?

Antwoord

Nee. Ook na het invoeren van de Wet VPL mag in een pensioenregeling van een werknemer die na 1949 is geboren een pensioenrichtleeftijd van lager dan 65 jaar worden opgenomen. Voorwaarde is dat de omvang van het op te bouwen ouderdomspensioen niet hoger is dan het op basis van algemeen aanvaarde actuariŽle grondslagen naar de lagere pensioenrichtleeftijd herrekende fiscaal maximale ouderdomspensioen ingaande op 65 jaar. Deze herrekening kan zowel plaatsvinden in de opbouwfase als op de ingangsdatum van het pensioen. In de opbouwfase leidt de herrekening tot een lagere jaarlijkse maximale opbouw voor het ouderdomspensioen.

Maximale opbouwpercentages voor een ouderdomspensioen
In het overzicht hieronder zijn de maximale, herrekende opbouwpercentages opgenomen voor het ouderdomspensioen ingaande op 65, 64, 63, 62, 61 en 60 jaar.

Pensioenleeftijd volgens pensioenregeling

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een eindloonstelsel

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een middelloonstelsel

65

2

2,25

64

1,85

2,08

63

1,71

1,93

62

1,59

1,79

61

1,48

1,67

60

1,38

1,55

Als in de pensioenregeling wordt uitgegaan van een pensioenleeftijd van lager dan 65 jaar betekent dit niet dat ook de maximale opbouwpercentages per (bereikbaar) dienstjaar voor het partnerpensioen en het wezenpensioen van de artikelen 18b en 18c van de Wet op de loonbelasting 1964 moeten worden verlaagd door middel van een actuariŽle herrekening. Vanzelfsprekend is het aantal (bereikbare) dienstjaren voor het partner- en wezenpensioen wel afhankelijk van de pensioenrichtleeftijd die in de pensioenregeling is opgenomen.

Maximale opbouwpercentages voor een ouderdomspensioen plus 70% partnerpensioen
Men kan er ook voor kiezen om de omvang van het partnerpensioen in de pensioenregeling te definiŽren als percentage van het ouderdomspensioen .In dat geval heeft de verlaging van het opbouwpercentage van het ouderdomspensioen naar de pensioenrichtleeftijd lager dan 65 jaar ook gevolgen voor de omvang van het partnerpensioen. De verlaging van het opbouwpercentage voor het ouderdomspensioen wordt dan enigszins gecompenseerd met het verlaagde partnerpensioen. Er vindt dan een uitruil plaats van partnerpensioen naar ouderdomspensioen. Als het (bereikbare) partnerpensioen 70% van het (bereikbare) ouderdomspensioen bedraagt, luiden de maximaal in de pensioenregeling voor het ouderdomspensioen op te nemen opbouwpercentages als volgt:

Pensioenleeftijd volgens pensioenregeling

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een eindloonstelsel

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een middelloonstelsel

65

2

2,25

64

1,88

2,11

63

1,77

1,99

62

1,66

1,87

61

1,57

1,77

60

1,48

1,67

Uiteraard kunnen de opbouwpercentages uit deze staffel alleen worden toegepast als er een partnerpensioen is toegezegd en de partner heeft ingestemd met de uitruil.

De bovenstaande opbouwpercentages gelden als een algemeen toepasbare richtlijn. Daarvan kan in individuele omstandigheden worden afgeweken. Daarvoor moet aannemelijk worden gemaakt dat in dat individuele geval een ander actuarieel herrekend opbouwpercentage moet worden toegepast.

Bij beschikbare-premieregelingen kan men uitgaan van de daarvoor reeds gepubliceerde staffels. Zie de besluiten van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M, Stcrt. 212 en 21 december 2009, nr. CPP2009/1487M, Stct. 2009, 20523. Partijen kunnen alleen de staffels gebruiken met leeftijdsklassen tot 65 jaar. Bij ingang van het pensioen vůůr 65 jaar is het dan aanwezige kapitaal de tegenwaarde van de herrekende aanspraken ten opzichte van 65 jaar.