Artikel 18a, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2005 t/m 2013)

Artikel 18a, zesde lid, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2005 t/m 2013)

Pensioenopbouw Wet VPL en pensioenrichtleeftijd vˇˇr 65 jaar (Vraag & Antwoord 05-046 d.d. 170317)

Inleiding
Per 1 januari 2005 zijn de maatregelen van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL) in werking getreden. Onder de werking van de Wet VPL diende men voor de pensioenopbouw van werknemers die na 1949 zijn geboren uit te gaan van een pensioenrichtleeftijd van ten minste 65 jaar. De Wet VPL kende voor op 31 december 2004 bestaande pensioenregelingen van deze werknemers een overgangstermijn van een jaar. Met het in werking treden van de maatregelen van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Wet VAP) per 1 januari 2014 is de minimaal voor de pensioenopbouw in aanmerking te nemen pensioenrichtleeftijd per 1 januari 2014 verhoogd naar 67 jaar en zijn de fiscaal maximaal te hanteren opbouwpercentages verlaagd. Op 1 januari 2015 zijn vervolgens de maatregelen van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen (Witteveen 2015) in werking getreden. De fiscaal maximaal te hanteren opbouwpercentages zijn verder verlaagd en er is een maximum voor het pensioengevend loon ge´ntroduceerd.

Dit V&A 05-046 is alleen van belang voor de pensioenopbouw in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2013 onder de werking van de Wet VPL van werknemers die na 1949 zijn geboren. Voor de pensioenopbouw in het jaar 2014 onder de werking van de Wet VAP is V&A 12-004 van toepassing. Voor de pensioenopbouw in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017 onder de werking van Witteveen 2015 met een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar wordt verwezen naar V&A 14-008. Voor de pensioenopbouw met ingang van 1 januari 2018 onder de werking van Witteveen 2015 met een pensioenrichtleeftijd van 68 jaar wordt verwezen naar V&A 17-012.

Vraag
Moest voor de pensioenopbouw onder de werking van de Wet VPL in een pensioenregeling van een werknemer die na 1949 is geboren altijd een pensioenrichtleeftijd van 65 jaar of ouder worden opgenomen?

Antwoord
Nee. Ook onder de werking van de Wet VPL mocht in een pensioenregeling van een werknemer die na 1949 is geboren een pensioenrichtleeftijd lager dan 65 jaar worden opgenomen. Voorwaarde was wel dat de omvang van het op te bouwen ouderdomspensioen niet hoger was dan het op basis van algemeen aanvaarde actuariŰle grondslagen naar de lagere pensioenrichtleeftijd herrekende fiscaal maximale ouderdomspensioen ingaande op 65 jaar. Deze herrekening kon zowel plaatsvinden in de opbouwfase als op de ingangsdatum van het pensioen. In de opbouwfase leidde de herrekening tot een lagere jaarlijkse maximale opbouw voor het ouderdomspensioen.

Maximale opbouwpercentages voor een ouderdomspensioen onder de werking van de Wet VPL
In het overzicht hieronder zijn opgenomen de maximale, herrekende opbouwpercentages voor het ouderdomspensioen ingaande op 65, 64, 63, 62, 61 en 60 jaar onder de werking van de Wet VPL. De herrekende maximale opbouwpercentages voor de pensioenopbouw onder de werking van de Wet VAP in 2014 en de pensioenopbouw onder de werking van Witteveen 2015 in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017 zijn opgenomen in respectievelijk V&A 12-004 en V&A 14-008.

Pensioenleeftijd volgens pensioenregeling

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een eindloonstelsel Wet VPL

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een middelloonstelsel Wet VPL

65

2

2,25

64

1,85

2,08

63

1,71

1,93

62

1,59

1,79

61

1,48

1,67

60

1,38

1,55

Als in de pensioenregeling werd uitgegaan van een pensioenleeftijd van lager dan 65 jaar betekende dit niet dat ook de maximale opbouwpercentages per (bereikbaar) dienstjaar voor het partnerpensioen en het wezenpensioen van de artikelen 18b en 18c van de Wet op de loonbelasting 1964 moesten worden verlaagd door middel van een actuariŰle herrekening. Vanzelfsprekend was het aantal (bereikbare) dienstjaren voor het partner- en wezenpensioen wel afhankelijk van de pensioenrichtleeftijd die in de pensioenregeling was opgenomen.

Maximale opbouwpercentages voor een ouderdomspensioen plus 70% partnerpensioen onder de werking van de Wet VPL
Men kon er ook voor kiezen om de omvang van het partnerpensioen in de pensioenregeling te definiŰren als percentage van het ouderdomspensioen. In dat geval had de verlaging van het opbouwpercentage van het ouderdomspensioen naar de pensioenrichtleeftijd lager dan 65 jaar ook gevolgen voor de omvang van het partnerpensioen. De verlaging van het opbouwpercentage voor het ouderdomspensioen werd dan enigszins gecompenseerd met het verlaagde partnerpensioen. Er vond dan een uitruil plaats van partnerpensioen naar ouderdomspensioen. Als het (bereikbare) partnerpensioen 70% van het (bereikbare) ouderdomspensioen bedroeg, luidden de maximaal in de pensioenregeling voor het ouderdomspensioen op te nemen opbouwpercentages als volgt:

Pensioenleeftijd volgens pensioenregeling

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een eindloonstelsel Wet VPL

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een middelloonstelsel Wet VPL

65

2

2,25

64

1,88

2,11

63

1,77

1,99

62

1,66

1,87

61

1,57

1,77

60

1,48

1,67

Uiteraard konden de opbouwpercentages uit deze staffel alleen worden toegepast als er een partnerpensioen was toegezegd en de partner had ingestemd met de uitruil.

De bovenstaande opbouwpercentages golden als een algemeen toepasbare richtlijn. Daarvan kon in individuele omstandigheden worden afgeweken. Daarvoor moest aannemelijk worden gemaakt dat in dat individuele geval een ander actuarieel herrekend opbouwpercentage moest worden toegepast.

Bij beschikbare-premieregelingen kon men uitgaan van de daarvoor reeds gepubliceerde staffels. Zie de besluiten van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M, Stcrt. 212 en 21 december 2009, nr. CPP2009/1487M, Stct. 2009, 20523. Partijen konden alleen de staffels gebruiken met leeftijdsklassen tot 65 jaar. Bij ingang van het pensioen vˇˇr 65 jaar is het dan aanwezige kapitaal de tegenwaarde van de herrekende aanspraken ten opzichte van 65 jaar.