Deze versie van het V&A is vervangen door Vraag & Antwoord 05-049 d.d. 17 november 2017.

Artikel 39d Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 19g Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2011)

Artikel 19g, negende lid, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2011)

Levenslooploon in een periode van deeltijd en of demotie (Vraag & Antwoord 05-049 d.d. 180913)

Vraag

In artikel 10b van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 is geregeld dat een loonsverlaging voor de opbouw van pensioen onder voorwaarden buiten beschouwing mag blijven, voor zover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie dan wel het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie, in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum. Stel dat een werknemer in de 10-jaarsperiode voorafgaande aan het pensioen besluit de arbeidsduur te verminderen van 100 naar 80%, met een evenredige verlaging van het loon. Dient deze loonsverlaging dan ook gevolgen te hebben voor de hoogte van het levenslooploon?

Antwoord

Voor de bepaling van het maximale spaarbedrag (12%) en de 210%-toets is in artikel 5.6, derde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (tekst 2011) bepaald dat een loonsverlaging buiten beschouwing mag blijven, voor zover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie dan wel het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie, in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum. De vorige volzin is bij een loonsverlaging die het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie uitsluitend van toepassing, voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50% van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de in de eerste volzin bedoelde periode.