Artikel 39d Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 19g Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2011)

Artikel 19g, zevende lid, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2011) en artikel 5.8, zesde lid, Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (tekst 2011)

Omzetting levenslooptegoed in pensioen en gevolgen voor de lijfrenteaftrek (Vraag & Antwoord 05-053 d.d. 111213)

Vraag

Artikel 19g, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2011) en artikel 5.8, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (tekst 2011) maken het mogelijk om het levenslooptegoed, binnen de grenzen van hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964, om te zetten in pensioenaanspraken. Heeft een dergelijke omzetting van levenslooptegoed in aanspraken ingevolge een pensioenregeling gevolgen voor de genoten lijfrenteaftrek?

Antwoord

Indien zich een situatie voordoet als omschreven in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel k, van de Wet inkomstenbelasting 2001, worden de premies die voor de lijfrente of periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 3.124, van die wet in aftrek zijn gebracht als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen. Een situatie als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel k, van de Wet inkomstenbelasting 2001, doet zich voor indien een pensioentekort, waarvoor premies voor lijfrenten in aanmerking zijn genomen op de voet van artikel 3.127 van de Wet inkomstenbelasting 2001, nadien wordt gecompenseerd door de storting vanuit het levenslooptegoed.