Deze versie van het Vraag & Antwoord is vervangen door Vraag & Antwoord 05-055 d.d. 8 januari 2016.

Artikel 38d, 38e en 38f Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 38d, derde lid, 38e, derde lid en 38f, derde lid, Wet op de loonbelasting 1964

Berekeningsgrondslagen omzetting vroegpensioen bij overgang naar de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Vraag & Antwoord 05-055 d.d. 120905)

Vraag

In het kader van de overgang naar de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL) mogen de op 1 januari 2006 bestaande rechten op vroegpensioen, overbruggingspensioen en prepensioen (hierna: prepensioen) worden omgezet in een verhoogd ouderdomspensioen ingaande op 65 jaar. Mogen voor de actuariële omzetting van de opgebouwde prepensioenrechten in een pensioen op 65 jaar dezelfde berekeningsgrondslagen worden gehanteerd als die zijn voorgeschreven bij de waardering van de pensioenverplichtingen in eigen beheer, te weten een rekenrente 4%, de meest recente overlevingstafel GBM/GBV en geen leeftijdsterugstellingen?

Antwoord

Deze actuariële herrekening vindt plaats voor de rechten van een derde, namelijk de directeur-grootaandeelhouder (dga). Voor elke handeling tussen een dga en zijn BV geldt dat sprake moet zijn van zakelijk handelen. In beginsel betekent dit dat de actuariële herrekening dient te geschieden op basis van regels zoals die ook tussen onafhankelijke derden, bijvoorbeeld tussen een levensverzekeraar en een pensioenverzekerde, worden toegepast. Dit betekent dat gerekend moet worden met de leeftijdscorrecties zoals die ook door verzekeraars wordt toegepast.

Naast de toe te passen sterfteveronderstellingen speelt bij de omzetting van prepensioen in ouderdomspensioen ingaande op 65 jaar ook de marktrente een rol. Indien sprake is van open geïndexeerde uitkeringen kan daarbij worden uitgegaan van een rekenrente van 4%. Voor nominale of vast geïndexeerde uitkeringen zal in principe uitgegaan moeten worden van de marktrente.

Om redenen van eenvoud wordt ermee akkoord gegaan dat de eenmalige toepassing van het derde lid van de artikelen 38d, 38e en 38f van de Wet op de loonbelasting 1964, de herrekening in het kader van de overgang naar de Wet VPL, op netto-basis geschiedt en met toepassing van de hierna te noemen grondslagen. De herrekening kan geschieden op basis van nominale uitkeringen voor zowel het om te zetten prepensioen als het te berekenen verhoogde ouderdomspensioen. Daarbij kan worden uitgegaan van, overeenkomstig de berekeningsgrondslagen voor de pensioenverplichtingen van de BV (artikel 8, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969), de meest recente overlevingstafel GBM/GBV, zonder toepassing van leeftijdsterugstellingen en met een netto rekenrente van 4%.