Artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18a, zevende lid, Wet op de loonbelasting 1964

Toetsen 100%-grens voor aanspraken op ouderdomspensioen met verschillende pensioeningangsdata (Vraag & Antwoord 06-004 d.d. 170308)

Vraag

Hoe moet de 100%-grens worden getoetst als de vˇˇr overgang naar het regime van de Wet VPL opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen met toepassing van artikel 38b van de Wet LB worden gehandhaafd?

Antwoord

Een ouderdomspensioen mag niet hoger zijn dan 100% van het pensioengevend loon op de pensioeningangsdatum (artikel 18a, zevende lid, Wet op de loonbelasting 1964).

Na het invoeren van de Wet VPL moet voor de opbouw van het ouderdomspensioen worden uitgegaan van een pensioenleeftijd van ten minste 65 jaar. Na het invoeren van de Wet VPL geldt de 100%-grens ook voor een ouderdomspensioen dat ingaat op de leeftijd van 65 jaar.

De 100%-grens voor het levenslange ouderdomspensioen wordt beoordeeld op basis van de uitkeringen per jaar. Vˇˇr het bereiken van de 65-jarige leeftijd bestaat de pensioenuitkering uit het voor de overgang naar het regime van de Wet VPL opgebouwde (ge´ndexeerde) recht op ouderdomspensioen vˇˇr 65 jaar.

Na 65 jaar bestaat de pensioenuitkering uit de som van het bij de overgang opgebouwde ouderdomspensioen verhoogd met het na de overgang opgebouwde ouderdomspensioen met een pensioenleeftijd van 65 jaar.

Het feit dat er door de toepassing van het overgangsrecht van artikel 38b Wet op de loonbelasting 1964 als het ware twee reeksen van uitkeringen ontstaan, wordt niet gezien als een vorm van variabilisering.