Deze versie van het V&A is vervangen door Vraag & Antwoord 08-011 d.d. 26 oktober 2017.

Artikel 18g Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18g, eerste lid, Wet op de loonbelasting 1964

Toepassing van artikel 10a, eerste lid, onderdeel f, UBLB (Vraag & Antwoord 08-011 d.d. 020914)

Vraag

In welke gevallen kan artikel 10a, eerste lid, onderdeel f, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB) worden toegepast?

Antwoord

Algemeen
Artikel 10a, eerste lid, onderdeel f, van het UBLB (hierna: artikel 10a, 1, f) biedt de mogelijkheid om pensioenrechten op te bouwen over de diensttijd van de werknemer bij een vorige werkgever. Voorwaarde is dat de werknemer door middel van een pensioenovereenkomst met die vorige werkgever over de betreffende dienstjaren bij de vorige werkgever een werknemerspensioen heeft opgebouwd. Voorts moet het pensioenkapitaal uit die vorige regeling zijn overgedragen aan de pensioenuitvoerder van de huidige werkgever via een waardeoverdracht als bedoeld in de artikelen 71, 74, 75, 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet (PW). Onder het begrip waardeoverdracht valt volgens de Memorie van Toelichting bij de Pensioenwet iedere handeling waarbij de waarde van pensioenaanspraken of –rechten wordt aangewend voor andere pensioenaanspraken of –rechten bij dezelfde of bij een andere pensioenuitvoerder, dan wel gelijke aanspraken of rechten bij een andere pensioenuitvoerder.

Interne en feitelijke waardeoverdrachten
Uit de toelichting op artikel 10a, 1, f kan worden afgeleid dat een waardeoverdracht van pensioenkapitaal ook aanwezig wordt geacht voorzover de pensioenuitvoerder van het door de huidige werkgever toegekende werknemerspensioen ook de uitvoerder is van het in de voorgaande dienstbetrekking opgebouwde pensioen. In de praktijk heet dit een interne waardeoverdracht. Ter onderscheiding worden waardeoverdrachten waarbij kapitaal daadwerkelijk van de ene uitvoerder naar de andere wordt overgedragen hierna aangeduid als feitelijke overdrachten.

Een interne waardeoverdracht kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een wisseling van dienstbetrekking binnen concernverband. De pensioenregelingen van de verschillende werkgevers binnen een concern zijn dan vaak gelijk en worden verzekerd bij dezelfde pensioenuitvoerder.

Om misverstanden te voorkomen zij erop gewezen dat de besluitgever bij interne waardeoverdrachten uitsluitend het oog had op werknemerspensioenen en niet op beroepspensioenen. Zie hierna onder ‘Beroepspensioenen’.

Inkoop pensioen op basis van werkelijke diensttijd
Bij toepassing van artikel 10a,1, f kunnen de met de waardeoverdracht verkregen fictieve dienstjaren worden aangevuld tot de werkelijk bij de vorige werkgever doorgebrachte diensttijd. Voorwaarde is wel dat deze jaren op basis van een adequate diensttijdadministratie kunnen worden vastgesteld. Als in die jaren in deeltijd is gewerkt moet uiteraard de deeltijdfactor op de dienstjaren worden toegepast.

Het voorgaande betekent dat inkoop van pensioen kan plaatsvinden bovenop het pensioenkapitaal van de waardeoverdracht. Bij een interne waardeoverdracht wordt de extra inkoopruimte berekend alsof een feitelijke waardeoverdracht heeft plaatsgevonden. De werknemer heeft in feite de mogelijkheid om het met de waardeoverdracht verkregen pensioen aan te vullen tot het pensioen dat hij zou hebben gekregen als de regeling van de huidige werkgever ook van kracht was geweest gedurende de diensttijd bij de vorige werkgever. Dat kan uiteraard alleen als de regeling van de huidige werkgever ruimer is dan de regeling van de vorige werkgever. Extra inkoop kan dan plaatsvinden tot maximaal het bedrag dat nodig is om die ruimte te vullen.

Beroepspensioenen
In de praktijk komt het ook voor dat een werknemer niet of niet alleen een werknemerspensioen heeft opgebouwd bij een vorige werkgever, maar wel of ook een beroepspensioen bij een beroepspensioenfonds waaraan hij verplicht deelneemt. Als de werknemer de deelneming aan dat fonds beëindigt, bijvoorbeeld door het staken van de beroepsbeoefening, en hij daarna in dienst treedt bij een andere werkgever kan hij onder voorwaarden het kapitaal van het beroepspensioenfonds laten overdragen aan de uitvoerder van de werknemerspensioenregeling bij zijn nieuwe werkgever. Een redelijke wetsuitleg brengt met zich mede dat een dergelijke feitelijke waardeoverdracht ook valt onder artikel 10a, 1, f. Het moet daarbij gaan om een waardeoverdracht als bedoeld in de artikelen 82, 85, 86, 93 tot en met 96 en 99 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (WVBPR). Hierbij gelden de volgende kanttekeningen:

C-polissen
Artikel 10a, 1, f is op basis van een redelijke wetsuitleg bij een verandering van dienstbetrekking eveneens van toepassing op feitelijke en interne waardeoverdrachten van C-polissen. Het kan daarbij voorkomen dat de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW) en hoofdstuk I en III van de Regelen verzekeringsovereenkomsten PSW (Regelen) voor die polissen nog van kracht zijn. Dat is het geval als in de C-polis sinds de inwerkingtreding van de Pensioenwet geen pensioenopbouw meer plaatsvindt. Verwezen zij naar artikel 18, vijfde lid, van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet.

Geen toepassing van artikel 10a, 1, f, UBLB
Als een waardeoverdracht plaatsvindt die niet onder één van de bovenstaande categorieën valt, kan geen toekenning van diensttijd plaatsvinden boven de diensttijd die correspondeert met het bedrag van de waardeoverdracht zelf. Het betreft dan bijvoorbeeld:

Berekeningswijze van inkoop van pensioen
Voor de wijze waarop de inkoop van pensioen kan worden berekend: zie de
Handreiking inhaal en inkoop van pensioen elders op deze site (www.belastingdienstpensioensite.nl).

Zie ook Vraag & Antwoord 08-012 (Toepassing van artikel 10a, derde lid, UBLB) en Vraag & Antwoord 08-058 (Waardeoverdracht naar een pensioenregeling die is gebaseerd op een eindloonstelsel).