Deze versie van het V&A is vervangen door Vraag & Antwoord 08-021 d.d. 14 januari 2016.

Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964

Stamrechtovereenkomst - Bepalen sterftekans periodieke uitkering op twee levens (Vraag & Antwoord 08-021 d.d. 110209)

Vraag

Een werknemer (A) krijgt per 1 januari 2002 een stamrecht toegekend. Het stamrecht voorziet in een periodieke uitkering welke afhankelijk is van het leven van A en van het leven van zijn partner (B). Deze afhankelijkheid van twee levens pleegt op twee manieren in de stamrechtovereenkomst te zijn geregeld:

  1. De termijnen eindigen op een vastgestelde datum, bijvoorbeeld 1 januari 2012, of bij het eerder overlijden van de verzekerden A en B.
  2. Er worden twee periodieke uitkeringen bedongen. De eerste eindigt op een vastgestelde datum, bijvoorbeeld 1 januari 2012, of bij het eerder overlijden van verzekerde A. De tweede, welke toekomt aan verzekerde B, gaat in bij het overlijden van verzekerde A voor 1 januari 2012 en eindigt op 1 januari 2012 of bij het eerder overlijden van verzekerde B.

Van een periodieke uitkering is pas sprake wanneer alle afzonderlijke termijnen afhankelijk zijn van een onzekere gebeurtenis. In het voorbeeld is de sterftekans de onzekere gebeurtenis; voorwaarde is dan wel dat sprake is van een sterftekans van minimaal 0,94%. Wanneer de sterftekans kleiner is, is geen sprake meer van een onzekere gebeurtenis.

Hoe moet in beide hiervoor genoemde voorbeelden de sterftekans worden bepaald?

Antwoord

In beide gevallen bestaat het toegekende stamrecht voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB uit twee periodieke uitkeringen. En die toekomt aan A en n die toekomt aan B. Beide periodieke uitkeringen moeten afhankelijk zijn van een sterftekans van minimaal 0,94%. De sterftekans dient voor beide periodieke uitkeringen te worden bepaald over de periode van 1 januari 2002 tot 1 januari 2012, uitgaande van de meest recente sterftetabellen. Dat de periodieke uitkering die toekomt aan de partner pas ingaat bij het overlijden van A kan voor de bepaling van de sterftekans buiten beschouwing blijven.

De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 4 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).