Artikel 11 en 11a Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, en artikel 11a, eerste lid, Wet op de loonbelasting 1964

Stamrechtovereenkomst - Ontslagvergoeding in de vorm van een uitkering ineens (Vraag & Antwoord 08-024 d.d. 090512)

Vraag

Kan een werknemer gebruik maken van de stamrechtvrijstelling, wanneer hij met zijn werkgever vóór het ontslag een ontslagvergoeding in de vorm van een éénmalige uitkering is overeengekomen?

Antwoord

Ja, dat kan. Uit het arrest van de HR van 11 november 2011, nr. 10/02319, valt af te leiden dat een werknemer die zich met ontslag ziet geconfronteerd en aan wie een (eenmalige) ontslaguitkering wordt toegekend alsnog het recht toekomt te kiezen voor aanwending van de uitkering voor een stamrecht. De strekking van het arrest is zo ruim dat een dergelijk recht ook aanwezig moet worden geacht als de werknemer in feite al vóór het ontslag in een arbeidsvoorwaarde had gekozen voor een (aanspraak op) een eenmalige ontslaguitkering.

De keuze voor een stamrecht dient wel binnen een redelijke termijn plaats te vinden. Zie V&A 10-002 van 28 november 2011 voor een toelichting op het begrip ‘redelijke termijn’. De uitkering mag bij een uiteindelijke keuze voor een stamrecht in de tussentijd op geen enkel moment binnen de beschikkingsmacht van de werknemer komen. In dat geval wordt de uitkering immers fiscaal als genoten beschouwd. Een uitzondering hierop vormt de situatie waarin de werkgever niet wil meewerken aan de totstandkoming van een stamrecht als bedoeld in onderdeel 9.2 van het besluit van 9 september 2010, nr. DGBEL2010/2733M, Stcrt. nr.14304.

Opmerking: Waar in dit V&A wordt gesproken over stamrechten, dienen daaronder mede te worden begrepen: stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten in de zin van artikel 11a van de Wet LB.