Artikel 39f Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013)

Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013)

Stamrechtovereenkomst - Ingangsdatum periodieke uitkering in stamrechtovereenkomst (Vraag & Antwoord 08-025 d.d. 101117)

Vraag
Moet uit de stamrechtovereenkomst blijken op welk moment de periodieke uitkeringen ingaan?

Antwoord
Ja. In een stamrechtovereenkomst van vr 1 januari 1995, gebaseerd op artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) (tekst 1994) hoeft geen uiterste ingangsdatum van de periodieke uitkeringen te zijn opgenomen. Bij een stamrechtovereenkomst van n 1 januari 1995, waarop artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013) van toepassing is, moet de overeenkomst waarborgen dat de periodieke uitkeringen uiterlijk ingaan in het jaar waarin de werknemer de AOW-leeftijd bereikt, dan wel bij zijn eerdere overlijden.

Let op!
Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37, Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 13 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).