Deze versie van het V&A is vervangen door Vraag & Antwoord 08-044 d.d. 17 december 2015.

Artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18a, vierde, vijfde en zevende lid, Wet op de loonbelasting 1964

Ouderdomspensioen en het bereiken van de 100%-grens in eindloon- en middelloonregelingen (Vraag & Antwoord 08-044 d.d. 110209)

Vraag

Artikel 18a, vierde, vijfde en zevende lid, van de Wet LB bepaalt dat een ouderdomspensioen maximaal 100% van het pensioengevend loon mag bedragen. Wat moet er gebeuren als die 100%-grens wordt bereikt in een eindloon- of middelloonregeling?

Antwoord

Bij het bereiken van de 100%-grens treden de bepalingen van artikel 18a, vierde lid, 3 of 4, van de Wet LB in werking. Dat wil zeggen dat het pensioen op dat moment in moet gaan, tenzij de leeftijd van 65 jaar nog niet is bereikt. Als een werknemer in een eindloon- of middelloonregeling vr 65 jaar de 100%-grens bereikt en besluit door te werken dan is verder uitstel tot 65 jaar toegestaan, zonder verdere opbouw en oprenting. Dat wil zeggen dat het pensioen tot 65 jaar op 100% wordt bevroren (artikel 18a, zevende lid, van de Wet LB).

Indien evenwel in dat geval het pensioengevend loon na het bereiken van de 100%-grens nog stijgt, mag het ouderdomspensioen binnen de gebruikelijke grenzen verder worden opgebouwd tot wederom het maximum van 100% van het nieuwe pensioengevend loon is bereikt. Als deze stijgingen van het pensioengevend loon zich in een eindloonregeling voordoen in de laatste vijf jaren vr de pensioendatum uit de regeling, worden ze overigens gemaximeerd door artikel 10b, eerste lid, tweede volzin, van het UBLB.

De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 9 van het vervallen besluit CPP2003/530M (besluit van 29 augustus 2003)