Artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18a, vierde en vijfde lid, Wet op de loonbelasting 1964

Ouderdomspensioen en uitstel van de in de regeling vastgestelde pensioendatum (Vraag & Antwoord 08-045 d.d. 181115)

Vraag
Een ouderdomspensioen gaat normaal gesproken in op de in de regeling vastgestelde pensioendatum. Is het mogelijk om het ouderdomspensioen feitelijk later te laten ingaan?

Antwoord
Ja, de pensioenuitkeringen kunnen later ingaan dan de in de regeling vastgestelde pensioendatum.

Uiterste data
De uitkeringen van het ouderdomspensioen moeten uiterlijk ingaan op het moment waarop de werknemer de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de voor de werknemer geldende AOW-leeftijd (artikel 18a, vierde lid, 5º, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB)). Op het moment dat het ouderdomspensioen 100% van het pensioengevend loon komt te bedragen voordat de werknemer de AOW-leeftijd bereikt, moeten de uitkeringen uiterlijk ingaan op de AOW-leeftijd (artikel 18a, vierde lid, 3º, Wet LB) Zie ook Vraag & Antwoord 08-044. Indien het ouderdomspensioen 100% van het pensioengevend loon komt te bedragen nadat de werknemer de AOW-leeftijd heeft bereikt moet het pensioen direct ingaan (artikel 18a, vierde lid, 4º, Wet LB).

Voortgezette opbouw
Indien de uitkeringen later ingaan dan de vastgestelde ingangsdatum, mag de opbouw van pensioen doorgaan. Bestaande pensioenrechten moeten actuarieel worden opgerent. Het ouderdomspensioen mag echter niet hoger worden dan 100% van het pensioengevend loon (artikel 18a, vijfde lid, Wet LB). Zie ook Vraag en Antwoord 08-052 voor het moment van toetsing aan deze grens in geval van uitstel van de pensioendatum van een ouderdomspensioen dat is gebaseerd op een beschikbare-premiestelsel.

Voorwaarde voor uitstel: doorwerken
Uitstel van de pensioendatum is in beginsel alleen mogelijk indien en voor zover de pensioengerechtigde na die datum blijft doorwerken in de dienstbetrekking. Deze voorwaarde volgt uit artikel 18a, vierde lid, 2º, Wet LB en de artikelsgewijze toelichting daarop. Het artikellid is erop gericht te voorkomen dat een werknemer de ingangsdatum van zijn pensioen uitstelt indien hij ophoudt met werken. Zie: Wet fiscale behandeling van pensioenen, Kamerstukken II, 26 020, nr. 3, blz. 23. Verder is ook de artikelsgewijze toelichting op artikel 18a, vijfde lid, Wet LB (Wet fiscale behandeling van pensioenen, Kamerstukken II, 26020, nr. 3, blz. 24) van belang. In die toelichting is alleen sprake van de werknemer. Dit duidt erop dat sprake moet zijn van een bestaande, tegenwoordige dienstbetrekking. Voor niet-actieve werknemers hanteert de Wet fiscale behandeling van pensioenen de aanduiding gewezen werknemer.

In onderdeel 7 van het besluit van 6 november 2015, nr. BLKB2015/830M is echter goedgekeurd dat de ingangsdatum van de uitkeringen van het ouderdomspensioen ook kan worden uitgesteld indien en voor zover na beëindiging van de dienstbetrekking wordt doorgewerkt als ondernemer of als resultaatgenieter.

Indien de pensioendatum wordt uitgesteld zonder dat sprake is van voortzetting van de dienstbetrekking of van doorwerken als ondernemer of als resultaatgenieter, wordt de regeling onzuiver en treedt artikel 19b, eerste lid, aanhef, onderdeel a en onderdeel c, slot, Wet LB in werking. De gehele aanspraak wordt dan belast.

Voor uitstel van de pensioendatum van een ouderdomspensioen uit slapersrechten: zie Vraag & Antwoord 08-047.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 10 van het vervallen besluit CPP2003/530M (besluit van 29 augustus 2003)