Artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18a, zesde lid, Wet op de loonbelasting 1964

Gevolgen voor het partnerpensioen van de actuariŽle herrekening van het ouderdomspensioen (Vraag & Antwoord 08-048 d.d. 171215)

Vraag
Ouderdomspensioen kan eerder ingaan dan de in de regeling vastgestelde pensioendatum. Indien het ouderdomspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 67-jarige leeftijd of de in de pensioenregeling vastgestelde latere pensioendatum, moet het pensioen op grond van artikel 18a, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 actuarieel worden herrekend. Wat zijn de gevolgen voor het partnerpensioen?

Antwoord
Het partnerpensioen wordt altijd door de vervroegde pensionering beÔnvloed. Omdat het aantal deelnemingsjaren afneemt, wordt ook het partnerpensioen naar evenredigheid verlaagd.
Bij de actuariŽle herrekening van het vervroegd ingaande ouderdomspensioen zijn er voor het partnerpensioen twee mogelijkheden:

  1. De omvang van het partnerpensioen wordt alleen aangepast aan het lagere aantal (bereikbare) dienstjaren.
  2. De oorspronkelijke verhouding tussen ouderdomspensioen en partnerpensioen blijft ook na het vervroegen van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen gehandhaafd. In dit geval vindt een dubbele verlaging plaats van het partnerpensioen. Naast de verlaging door het lagere aantal (bereikbare) dienstjaren vindt nog een verlaging plaats door ruil van partnerpensioen naar ouderdomspensioen.

Ter illustratie het volgende voorbeeld.

Voorbeeld (bedragen in Ä)
Een werknemer bouwt elk jaar een ouderdomspensioen op van 1,875% van de pensioengrondslag van het betreffende jaar (middelloonregeling). Het ouderdomspensioen gaat volgens de pensioenregeling in bij het bereiken van de 67-jarige leeftijd. De jaarlijkse opbouw van het partnerpensioen is 1,313% van de pensioengrondslag van het betreffende jaar. Indien de werknemer overlijdt voor het bereiken van de pensioendatum, wordt het tot dan toe opgebouwde partnerpensioen aangevuld met het partnerpensioen over de toekomstige, ontbrekende dienstjaren tussen het moment van overlijden en de in de regeling opgenomen pensioendatum. Het aantal bereikbare dienstjaren is 40 jaar. De gemiddelde pensioengrondslag bedraagt 60.000. Het tot pensioendatum op te bouwen ouderdomspensioen bedraagt 45.000 (40 jaar * 1,875% * 60.000). Het partnerpensioen bedraagt 31.512 (40 jaar * 1,313% * 60.000).

De werknemer besluit om het ouderdomspensioen op 62-jarige leeftijd te laten ingaan, de partner is dan 60 jaar. Op dat moment zijn er 35 dienstjaren verstreken. De gemiddelde pensioengrondslag blijft in het voorbeeld eenvoudigheidshalve 60.000. Op 62 jaar bedraagt het opgebouwde ouderdomspensioen (ingaande op 67 jaar) 39.375 (35 jaar * 1,875% * 60.000). De actuariŽle waarde van de op 62-jarige leeftijd opgebouwde pensioenaanspraken is 811.347. Deze waarde vormt het uitgangspunt voor de actuarieel neutrale herrekening.

De uitwerking van het voorbeeld luidt voor de twee hiervůůr genoemde mogelijkheden als volgt:

  1. De omvang van het partnerpensioen wordt alleen aangepast aan het lagere aantal (bereikbare) dienstjaren
    Het vervroegen van de feitelijke pensioeningangsdatum naar 62 jaar heeft tot gevolg dat het aantal bereikbare dienstjaren wordt verlaagd van 40 naar 35 jaar. Het partnerpensioen wordt hierdoor evenredig lager: 35 jaar * 1,313% * 60.000 = 27.573. Na actuariŽle herrekening wordt de uitkering van het op 62 jaar vervroegd ingaande ouderdomspensioen 30.301. In deze situatie vindt alleen een actuariŽle korting van het vervroegd ingaande ouderdomspensioen plaats. Er is geen sprake van ruil tussen partnerpensioen en ouderdomspensioen.
  2. De oorspronkelijke verhouding tussen ouderdomspensioen en partnerpensioen blijft ook na het vervroegen van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen gehandhaafd
    De tweede optie is om het partnerpensioen in de oorspronkelijke verhouding met het ouderdomspensioen te laten voortbestaan. Het partnerpensioen wordt lager door de verlaging van het aantal dienstjaren en door de ruil van partnerpensioen naar ouderdomspensioen. De partner zal (schriftelijk) moeten instemmen met deze ruil. Na herrekening bedraagt het ouderdomspensioen 31.965 en het partnerpensioen 22.384.

De berekeningen zijn uitgevoerd op de berekeningsdatum 1 januari 2015 en met inachtneming van de in Vraag & Antwoord 13-006 vermelde rekengrondslagen (sterftekansen en rekenrente), en uitgaande van continue uitkeringen.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 13 van het vervallen besluit CPP2003/530M (besluit van 29 augustus 2003)