Deze versie van het V&A is vervangen door Vraag & Antwoord 08-049 d.d. 26 oktober 2017.

Artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18a, achtste lid, Wet op de loonbelasting 1964

AOW-inbouw lager dan minimaal vereist (Vraag & Antwoord 08-049 d.d. 070916)

Vraag
Moet in een pensioenregeling altijd rekening worden gehouden met de in artikel 18a, achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) voorgeschreven minimale AOW-inbouw op basis van de AOW-uitkering voor een gehuwde?

Antwoord
Nee. Het is niet altijd verplicht om in een pensioenregeling rekening te houden met de AOW-inbouw op basis van de AOW-uitkering voor een gehuwde. Een lagere AOW-inbouw is toegestaan in de volgende gevallen.

1. Lagere AOW-inbouw op grond van artikel 10aa Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965
Volgens artikel 18a, achtste lid, onderdeel a, Wet LB kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat een lagere AOW-inbouw volstaat als de pensioenopbouw plaatsvindt op basis van een verlaagd opbouwpercentage per dienstjaar. Dit is uitgewerkt in artikel 10aa van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB). In dit artikel zijn verschillende verlaagde opbouwpercentages en AOW-bedragen opgenomen. Indien men in de pensioenregeling voor de inbouw van de AOW-uitkering uitgaat van de inbouwmethode, mag men bij een verlaagd opbouwpercentage binnen de in de tabel van artikel 10aa UBLB bepaalde grenzen voor de AOW-inbouw uitgaan van 75% (middelloon) en 66,28% (eindloon) van het in dezelfde tabel opgenomen AOW-bedrag. Bij toepassing van de franchisemethode kan men voor de te hanteren AOW-franchise uitgaan van het AOW-bedrag in de tabel van artikel 10aa UBLB dat hoort bij het in de pensioenregeling gehanteerde opbouwpercentage. Vraag en Antwoord 14-006 gaat nader in op de toepassing van de inbouw- en de franchisemethode. Met name bij een laag pensioengevend loon kan het toepassen van een verlaagde AOW-inbouw in combinatie met een verlaagd opbouwpercentage van artikel 10aa UBLB leiden tot een hogere pensioenopbouw dan bij de integrale toepassing van de wetsbepalingen. Dat is ook de bedoeling van het artikel.

2. Lagere AOW-inbouw met compensatie binnen grenzen Hoofdstuk IIB
Een lagere inbouw van AOW is ook toegestaan indien en voor zover de pensioenopbouw voor elke deelnemer aan de regeling blijft binnen de grenzen van Hoofdstuk IIB van de Wet LB. Dit kan als volgt worden toegelicht. Artikel 18a, achtste lid, Wet LB schrijft geen minimale AOW-inbouw in absolute zin voor. Slechts voor het toetsen aan de in hoofdstuk IIB van de Wet LB opgenomen maxima moet men rekening houden met de minimale AOW-inbouw. Hieruit volgt dat een lagere AOW-inbouw dan de minimale niet altijd betekent dat het pensioen onzuiver wordt, met name niet indien de regeling overigens onder de genoemde maxima blijft. Een lagere AOW-inbouw in combinatie met bijvoorbeeld een lager opbouwpercentage dan hoofdstuk IIB toestaat, kan resulteren in een pensioen dat blijft binnen de grenzen van de wet. De pensioenopbouw mag bij een middelloonregeling evenwel anders dan bij toepassing van artikel 10aa UBLB - niet meer bedragen dan overeenkomt met een opbouw van 1,875% per jaar van het pensioengevend loon minus de minimale AOW-inbouw ex artikel 18a, achtste lid, Wet LB. Voor een eindloonregeling geldt een overeenkomstig maximum van 1,657% per jaar van het pensioengevend loon minus de minimale AOW-inbouw.

Ter illustratie het volgende voorbeeld.

Voorbeeld (bedragen in )

Ouderdomspensioen met minimale AOW-inbouw:

De maximaal toegestane wettelijke opbouw per jaar bedraagt: (1,875% x 50.000) -/- 242,86 = 694,64.

Ouderdomspensioen met minder dan minimale AOW-inbouw:

De opbouw per jaar bedraagt: (1,3% x 50.000) -/- 86,67 = 563,33.

Het pensioen blijft binnen de wettelijke grenzen. De pensioenregeling is derhalve aanvaardbaar.

Bij ouderdomspensioen met een minder dan minimale AOW-inbouw is een voortdurende toetsing van de feitelijk toegepaste regeling aan de maxima nodig. Zo is de bovenstaande regeling onzuiver indien deze ook is toegezegd aan een werknemer met een pensioengevend loon van bijvoorbeeld 15.000. De wettelijk maximaal toegestane opbouw bedraagt dan immers: (1,875% x 15.000) 242,86 = 38,39 terwijl toepassing van de regeling met lagere inbouw leidt tot een opbouw van: (1,3% x 15.000) 86,67 = 108,33. Het is in dat geval noodzakelijk jaarlijks een minimaal pensioengevend loon vast te stellen.

Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op de opbouw van het partnerpensioen en het wezenpensioen. De fiscale aanvaardbaarheid van de opbouw dient bij deze pensioenen te worden getoetst aan de wettelijk maximaal toegestane opbouw die volgt uit de artikelen 18a, achtste lid, onderdeel b, en 18b Wet LB (partnerpensioen), respectievelijk de artikelen 18a, achtste lid, onderdeel c, en 18c Wet LB (wezenpensioen).

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 14 van het vervallen besluit CPP2003/530M (besluit van 29 augustus 2003)