Deze versie van het V&A is vervangen door Vraag & Antwoord 08-051 d.d. 31 januari 2017.

Artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18a, negende lid, Wet op de loonbelasting 1964

Ouderdomspensioen en het bereiken van de 100%-grens in een beschikbare-premieregeling (Vraag & Antwoord 08-051 d.d. 171215)

Vraag
Wanneer wordt bij een beschikbare-premieregeling getoetst of het ouderdomspensioen uitgaat boven 100% van het pensioengevend loon en wat zijn de gevolgen indien dit het geval blijkt te zijn?

Antwoord
Bij een beschikbare-premieregeling dient onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen een toetsing van het ouderdomspensioen plaats te vinden aan de grens van 100% van het pensioengevend loon (artikel 18a, negende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). Blijkt meer kapitaal aanwezig te zijn dan nodig is om een maximaal ouderdomspensioen aan te kopen (eventueel aangevuld met een na-indexatie), dan wordt het surpluskapitaal ineens in de loonheffing betrokken.

Bij een beschikbare-premieregeling wordt het pensioen niet bepaald door de hoogte van een toegezegde uitkering, zoals dit bij eindloon- en middelloonregelingen het geval is. De hoogte van de pensioenuitkeringen is afhankelijk van de hoogte van de gestorte pensioenpremie, de daarop behaalde rendementen en de verzekeringstarieven. Om te voorkomen dat in een beschikbare-premieregeling een bovenmatig pensioen wordt opgebouwd, zijn in artikel 18a, derde lid, Wet LB de grondslagen geformuleerd waaraan de te storten premie moet voldoen. Omdat er over de te behalen rendementen en de rekenrente op de in de regeling vastgestelde pensioendatum geen zekerheid is te geven, is het niet vooraf te bepalen wanneer het pensioen de grens van 100% van het pensioengevend loon bereikt. Daarom is voor beschikbare-premieregelingen een afwijkende regeling opgenomen voor het toetsen aan de 100%-grens. Bij beschikbare-premieregelingen wordt deze toets onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen uitgevoerd.

Het bovenstaande is van overeenkomstige toepassing op het partnerpensioen en het wezenpensioen, waarbij grenzen gelden van 70%, respectievelijk 14/28% van het pensioengevend loon of het bereikbaar pensioengevend loon.

Voor beschikbare-premieregelingen die gebruik maken van een premiestaffel voor afwijkende premieovereenkomsten als bedoeld in onderdeel 6 van het besluit van 17 december 2014, nr. BLKB2014/2132M gelden meerdere, andere toetsmomenten. In de voorwaarden bij de premiestaffel voor de afwijkende premieovereenkomsten van het besluit is bepaald dat in de pensioenregeling moet zijn opgenomen dat de toezegging alleen mag voorzien in een pensioentoezegging passend binnen de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB of indien dit lager is, de pensioenuitkering die men kan aankopen uit de waarde van de beleggingen. De toetsing aan deze grenzen moet plaatsvinden op de in het besluit omschreven momenten.

Voor toepassing van de 100%-toets bij uitstel van de in de regeling vastgestelde pensioendatum: zie Vraag & Antwoord 08-052.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 16 van het vervallen besluit CPP2003/530M (besluit van 29 augustus 2003)