Artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18a, negende lid, Wet op de loonbelasting 1964

Toepassing van artikel 18a, negende lid, Wet LB bij samenloop van verschillende pensioenstelsels (Vraag & Antwoord 08-054 d.d. 231115)

Vraag
Artikel 4.3, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB) regelt hoe een pensioenregeling bij een samenloop van verschillende pensioenstelsels moet worden ingedeeld in n van de drie in artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) genoemde stelsels. Het tweede lid van dat artikel schrijft voor dat voor elk onderdeel van de pensioenregeling dat niet past binnen dat stelsel afzonderlijk moet worden beoordeeld op welk ander stelsel het is gebaseerd. Houdt deze laatste bepaling in dat indien n van de regelingen is gebaseerd op een beschikbare-premiestelsel artikel 18a, negende lid, Wet LB ook op de pensioendatum alleen wordt toegepast op het pensioengevend loon van dat beschikbare-premiestelsel?

Antwoord
Nee, op de pensioendatum kan geen sprake zijn van een aparte toetsing voor elk onderdeel van de pensioenregeling aan de 100%-grens van artikel 18a, zevende lid, Wet LB. Er is op dat moment n ouderdomspensioen uit die regeling dat moet worden getoetst aan n pensioengevend loon. Artikel 18a, negende lid, Wet LB dient in dit geval dus ook niet uitsluitend te worden toegepast op het onderdeel van de pensioenregeling dat betrekking heeft op de beschikbare-premieregeling. Artikel 4.3 URLB is slechts gericht op de bewaking van de grenzen van een pensioenregeling waarin verschillende stelsels gedurende de opbouwperiode samenlopen.

Voor de toetsing van het partnerpensioen aan de 70%-grens van artikel 18b, zevende lid, Wet LB geldt hetzelfde uitgangspunt.

In onderdeel 3.3 van het besluit van 6 november 2015, nr. BLKB2015/830M, is aangegeven hoe het pensioengevend loon kan worden bepaald indien bij samenloop van stelsels het variabele deel van het pensioengevend loon wegvalt of afneemt in de jaren vr de pensioendatum.

Voorbeeld (bedragen in )

Gegevens:

Uitwerking
Op de pensioendatum bedraagt het ouderdomspensioen in totaal 47.000 en het partnerpensioen 32.900 per jaar. De som van het ouderdomspensioen en de minimaal in te bouwen AOW bedraagt 57.000. Het laatstgenoten pensioengevend loon bedraagt 60.000. Omdat het ouderdomspensioen inclusief de minimaal in te bouwen AOW onder de grens van 100% van 60.000 blijft en het partnerpensioen inclusief de minimaal in te bouwen AOW onder de grens van 70% van 60.000, is er geen reden om artikel 18a, negende lid, Wet LB toe te passen. Zoals uit dit voorbeeld blijkt, wordt de toets voor het ouderdoms- en het partnerpensioen dus toegepast op de som van de opgebouwde rechten en op het totale pensioengevend loon. Er vindt geen afzonderlijke toetsing plaats voor de onder het eindloonstelsel en het beschikbare-premiestelsel opgebouwde onderdelen van de regeling.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 19 van het vervallen besluit CPP2003/530M (besluit van 29 augustus 2003)