Artikel 18b Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18b, zesde lid, Wet op de loonbelasting 1964

Omschrijving van het ingangsmoment van het partnerpensioen in een pensioenregeling (Vraag & Antwoord 08-055 d.d. 101117)

Vraag
Een partnerpensioen kan op grond van artikel 18b, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) niet eerder ingaan dan op de eerste dag van de maand waarin de werknemer of gewezen werknemer is overleden en mag niet later ingaan dan op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de werknemer of gewezen werknemer is overleden. Ingeval de partner recht heeft op een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, moet het partnerpensioen uiterlijk ingaan op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin dat recht eindigt.

Kan in de pensioenregeling worden volstaan met het overnemen van deze bepaling, waarbij de definitieve keuze van het ingangstijdstip in de pensioentoezegging wordt opengelaten?

Antwoord
Nee, in de pensioenovereenkomst moet een van de mogelijke ingangsmomenten van het partnerpensioen worden opgenomen. De wet biedt beide mogelijkheden, echter het ingangsmoment van het partnerpensioen moet eenduidig vastgelegd zijn. Zowel de verzekeraar van het pensioen als de werknemer en de eventuele nabestaande moeten aan de hand van de pensioenregeling kunnen nagaan wanneer het toegekende partnerpensioen uitgekeerd wordt nadat de werknemer of de gewezen werknemer is overleden.

Indien de definitieve keuze van het ingangsmoment in de regeling wordt opengelaten, dan bestaat de mogelijkheid dat het partnerpensioen wordt uitgesteld na het overlijden van de (gewezen) werknemer. Het gevolg hiervan is een actuariŽle herrekening en een daarmee gepaard gaande verhoging van het partnerpensioen. De verhoging van het partnerpensioen kan leiden tot overschrijding van de grenzen van artikel 18b Wet LB, waardoor de regeling onzuiver wordt.

Artikel 18b Wet LB kent namelijk geen soortgelijke bepaling als het vijfde lid van artikel 18a Wet LB. In het laatstgenoemde artikellid wordt voor een ouderdomspensioen uitstel mogelijk gemaakt van de in de regeling vastgestelde pensioendatum. Daardoor is een verhoging van het ouderdomspensioen tot boven de elders in het artikel genoemde grenzen toegestaan.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 3 van het vervallen besluit CPP2003/1610M (besluit van 10 februari 2004).