Deze versie van het V&A is vervangen door Vraag & Antwoord 08-056 d.d. 6 januari 2016.

Artikel 18b en 18c Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18b, zevende en achtste lid, en artikel 18c, vijfde, zesde en zevende lid, Wet op de loonbelasting 1964

Partner- en wezenpensioen en het bereiken van de 70%-, resp. 14/28%-grens in een beschikbare-premiestelsel (Vraag & Antwoord 08-056 d.d. 110209)

Vraag

In artikel 18a, negende lid, van de Wet LB wordt voorzien in een (fictieve) uitkering ineens voor het gedeelte van het ouderdomspensioen dat uitgaat boven de begrenzing van het zevende lid van artikel 18a.

Geldt een dergelijke regeling ook voor het partner- en wezenpensioen?

Antwoord

Ja, de waarde van het meerdere boven 70% (PP), 14% (halve wezen) of 28% (volle wezen) van het pensioengevend loon of het bereikbaar pensioengevend loon moet in de loonbelasting worden betrokken door middel van een (fictieve) uitkering ineens. Dit moet plaatsvinden op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het partnerpensioen of het wezenpensioen.
Deze wettelijke maxima zijn niet afhankelijk van het aantal (bereikbare) dienstjaren. Het zijn absolute normen. Zie artikel 18b, achtste lid en artikel 18c, zevende lid, van de Wet LB.

De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 4 van het vervallen besluit CPP2003/1610M (besluit van 10 februari 2004).