Artikel 18d Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18d, eerste lid, onderdeel b, derde en vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964

Bovengrens bij variabilisering van de pensioenuitkeringen (Vraag & Antwoord 08-057 d.d. 261017)

Vraag
Op grond van artikel 18d, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) mogen de maxima van de artikelen 18a, 18b en 18c Wet LB worden overschreden voor zover dit het gevolg is van een variatie in de hoogte van de uitkeringen binnen de bandbreedte 100:75.

Is de bandbreedte van 100:75 ook van toepassing indien de hoogste uitkering lager is dan de maximale bovengrens die voor de betreffende pensioenuitkering geldt?

Antwoord
Ja. Zowel uit de tekst van artikel 18d, eerste lid, onderdeel b, Wet LB als uit de parlementaire geschiedenis van de Wet fiscale behandeling van pensioenen blijkt dat de variatie in de hoogte van de pensioenuitkeringen altijd binnen de bandbreedte van 100:75 moet blijven.

De wetgever heeft uitvoering gegeven aan aanbeveling 21 van de Werkgroep fiscale behandeling pensioenen door het opnemen van de mogelijkheid van variabilisering. De werkgroep was van mening dat er geen reden bestond om strikt vast te houden aan het gelijkmatige karakter van pensioenuitkeringen. De aanbeveling luidde dan ook om een variatie tussen de hoogste en de laagste pensioenuitkering van maximaal 100:75 toe te staan. Deze aanbeveling is overgenomen in artikel 18d, eerste lid, onderdeel b, Wet LB. Zie ook de Memorie van toelichting op de Wet fiscale behandeling van pensioenen (Wet van 29 april 1999, Stb. 211), Kamerstukken II, 26 020, nr. 3, blz. 10.

NB
Voor de toepassing van de bandbreedte van 100:75 kan op grond van artikel 18d, derde lid, Wet LB in de periode tussen de ingangsdatum van het ouderdomspensioen en het bereiken van de AOW-leeftijd het gedeelte van de uitkering dat overeenkomt met maximaal tweemaal de AOW-uitkering voor gehuwde personen buiten aanmerking worden gelaten. In artikel 18d, vierde lid, Wet LB is bepaald dat aanpassingen van de uitkeringen van een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd pensioen voor de toepassing van de 100:75 bandbreedte buiten aanmerking kunnen blijven voor zover deze het gevolg zijn van de ontwikkeling van de levensverwachting, het beleggingsrisico en het gerealiseerde resultaat op sterfte.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 5 van het vervallen besluit CPP2003/1610M (besluit van 10 februari 2004).