Artikel 18d Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18d, eerste lid, onderdeel c, Wet op de loonbelasting 1964

Waardeoverdracht naar een pensioenregeling die is gebaseerd op een eindloonstelsel (Vraag & Antwoord 08-058 d.d. 261017)

Vraag
In artikel 18d, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) is aangegeven dat de maxima van de artikelen 18a, 18b en 18c Wet LB mogen worden overschreden als gevolg van waardeoverdracht.

Hoe moet deze overschrijding van de maxima ten gevolge van waardeoverdracht naar een pensioenregeling die (ook) is gebaseerd op een eindloonstelsel fiscaal worden behandeld?

Antwoord
Bij een waardeoverdracht naar een pensioenregeling die (ook) is gebaseerd op een eindloonstelsel wordt de overgedragen waarde vertaald in extra dienstjaren in de nieuwe pensioenregeling. In artikel 10a, eerste lid, onderdeel f, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB) is geregeld dat een waardeoverdracht als bedoeld in de artikelen 71, 74, 75, 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet (PW) kan leiden tot extra pensioengevende diensttijd in de pensioenregeling van de nieuwe werkgever. Zie ook Vraag & Antwoord 08-011. Artikel 10a, derde lid, UBLB biedt een oplossing voor sommige situaties waarin geen waardeoverdracht als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel f, UBLB mogelijk is. Het betreft dan situaties waarin geen waardeoverdracht in de zin van de artikelen 71, 74, 75, 85 tot en met 88 en 91 PW mogelijk is omdat het een DGA betreft die niet onder de werking van de PW valt.

Hierbij wordt opgemerkt dat een eigenbeheerlichaam door het inwerkingtreden van de maatregelen van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen met ingang van 1 april 2017 fiscaal alleen nog maar een toegelaten pensioenverzekeraar is voor de op 31 maart 2017 in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraken. Op basis van de goedkeuring in het besluit van 22 maart 2017, nr. 2017-7412 kon voor bestaande pensioenregelingen een extra overgangsperiode worden gebruikt om de pensioenregeling aan te passen aan de wijzigingen van de wet- en regelgeving voor pensioen in eigen beheer. De extra overgangstermijn van het besluit is geëindigd op uiterlijk 30 juni 2017. Daarna is het volgens de fiscale pensioenregels niet meer mogelijk om nog pensioen op te bouwen in eigen beheer. Ook is het niet meer mogelijk om de als dga opgebouwde, niet in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraken over te dragen naar een eigenbeheerlichaam. Voor de niet als dga opgebouwde pensioenaanspraken gold al dat deze niet konden worden overgedragen naar een eigenbeheerlichaam (zie ook Vraag & Antwoord 17-033).

Artikel 10a, derde lid, UBLB staat inkoop van ontbrekende pensioengevende dienstjaren toe voor zover er door het ontbreken van de mogelijkheid van waardeoverdracht in de zin van de artikelen 71, 74, 75, 85 tot en met 88 en 91 PW sprake is van een pensioentekort. Zie ook Vraag & Antwoord 08-012.

Er zijn 3 situaties te onderscheiden. Hieronder worden deze situaties verder toegelicht.

  1. De oude en de nieuwe pensioenregeling zijn identiek en ook het salaris is niet gewijzigd. In dat geval is het aantal in te kopen dienstjaren gelijk aan de in de vorige dienstbetrekking doorgebrachte dienstjaren. Dit zal in de praktijk zelden het geval zijn. Vaak zullen er verschillen bestaan tussen de pensioenregelingen en/of het pensioengevend loon. In deze situatie leidt de toepassing van artikel 10a, eerste lid, onderdeel f, respectievelijk artikel 10a, derde lid, UBLB tot dezelfde uitkomst.
  2. Het pensioenkapitaal wordt overgedragen naar een ‘betere’ pensioenregeling of het pensioengevend loon in de nieuwe regeling is hoger dan voorheen. Het aantal in te kopen extra (fictieve) dienstjaren zal lager zijn dan de werkelijk bij de vorige werkgever doorgebrachte diensttijd. Bij een waardeoverdracht in de zin van de artikelen 71, 74, 75, 85 tot en met 88 en 91 PW mag het ontbrekende aantal dienstjaren ingevolge artikel 10a, eerste lid, onderdeel f, UBLB worden ingekocht (zie Vraag & Antwoord 08-011).
    In de situatie dat geen waardeoverdracht mogelijk is in de zin van de artikelen 71, 74, 75, 85 tot en met 88 en 91 PW omdat het een pensioenregeling van een DGA betreft, staat artikel 10a, derde lid, UBLB inkoop van ontbrekende dienstjaren toe voor zover er sprake is van een pensioentekort (zie Vraag & Antwoord 08-012).
  3. Het pensioenkapitaal wordt overgedragen naar een ‘mindere’ pensioenregeling of het pensioengevend loon in de nieuwe regeling is lager dan voorheen. Bij een waardeoverdracht in de zin van de artikelen 71, 74, 75, 85 tot en met 88 en 91 PW zal het aantal in te kopen extra dienstjaren hoger zijn dan het aantal werkelijk bij de vorige werkgever doorgebrachte dienstjaren (zie Vraag & Antwoord 08-011). De maxima van de artikelen 18a, 18b en 18c Wet LB kunnen worden overschreden door een dergelijk surplus aan dienstjaren. Artikel 18d, eerste lid, onderdeel c, Wet LB voorkomt dat de nieuwe regeling in dat geval onzuiver wordt.
    In de situatie dat geen waardeoverdracht in de zin van de artikelen 71, 74, 75, 85 tot en met 88 en 91 PW mogelijk is omdat het een pensioenregeling van een DGA betreft, staat artikel 10a, derde lid, UBLB inkoop van dienstjaren toe voor zover er sprake is van een pensioentekort. Met het overgedragen pensioenkapitaal kunnen dan alleen de werkelijk bij de vorige werkgever doorgebrachte dienstjaren worden ingekocht (zie Vraag & Antwoord 08-012). Het na de inkoop van dienstjaren nog resterende overgedragen pensioenkapitaal wordt in de pensioenregeling van de nieuwe werkgever behandeld als een bij ontslag verkregen pensioenaanspraak (een zogenaamd slapersrecht). Artikel 18d, eerste lid, onderdeel c, Wet LB voorkomt in dit geval dat de nieuwe regeling onzuiver wordt door de waardeoverdracht. Zoals hiervoor al is opgemerkt, is het met ingang van uiterlijk 1 juli 2017 volgens de fiscale pensioenregels niet meer mogelijk om pensioen in eigen beheer op te bouwen of elders verzekerd pensioen over te dragen naar een eigenbeheerlichaam.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 6 van het vervallen besluit CPP2003/1610M (besluit van 10 februari 2004).