Artikel 18e (tekst 2004) en artikel 38f Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18e, eerste lid, (tekst 2004) en artikel 38f, tweede lid, Wet op de loonbelasting 1964

Berekening van het maximale overbruggingspensioen bij pensioenopbouw die niet in eigen beheer plaatsvindt (Vraag & Antwoord 08-061 d.d. 110209)

Vraag

Wat is het maximale overbruggingspensioen bij een niet (ook niet gedeeltelijk) in eigen beheer gehouden pensioen?

Antwoord

Een maximaal overbruggingspensioen bestaat uit de som van:

  1. de dubbele AOW-uitkering voor gehuwden (AOW-compensatie) en
  2. het verschil tussen de over het ouderdomspensioen verschuldigde premie volksverzekeringen vóór en na de 65-jarige leeftijd (premiecompensatie).

Het is alleen mogelijk een maximaal overbruggingspensioen op te bouwen indien de tijdsevenredige opbouw plaatsvindt in ten minste 10 jaar, direct voorafgaand aan de in de regeling vastgestelde pensioendatum. Het maximale opbouwpercentage bedraagt 10% per opbouwjaar.

AOW-compensatie: dubbele AOW-uitkering
Het feit dat in afwijking van de wettekst de dubbele AOW-uitkering voor gehuwden mag worden genomen in plaats van de enkele volgt uit de Memorie van toelichting op artikel 18e (tekst 2004) van de Wet LB. (Wet fiscale behandeling van pensioenen (Wet van 29 april 1999, Stb. 211), Kamerstukken II, 26 020, nr. 3, blz. 14).

Premiecompensatie
In de Memorie van toelichting is bij artikel 18, tweede lid, onderdeel b, van de Wet LB opgemerkt dat men de premiecompensatie zodanig mag bepalen dat ook compensatie plaatsvindt van de over die compensatie verschuldigde belasting en premie volksverzekeringen (brutering) (Wet fiscale behandeling van pensioenen (Wet van 29 april 1999, Stb. 211), Kamerstukken II, 26 020, nr. 3, blz. 20-21). Brutering is slechts toegestaan voorzover nodig om het netto inkomen uit het ouderdomspensioen en het overbruggingspensioen vr 65 jaar op hetzelfde niveau te houden als het netto inkomen uit het ouderdomspensioen en de AOW-uitkering na 65 jaar. Het netto pensioeninkomen vr 65 jaar kan door de brutering dus niet hoger worden dan het netto pensioeninkomen na 65. Dit geldt ook voor de brutering van de in het nabestaandenoverbruggingspensioen opgenomen premiecompensatie (zie Vraag & Antwoord 08-068).

De brutering van de premiecompensatie kent daarom de volgende beperkingen:

Doorgaans geen brutering van de premiecompensatie bij gehuwden
Omdat het netto pensioeninkomen vr 65 jaar door de brutering niet hoger kan worden dan het netto pensioeninkomen na 65 jaar, kan er bij gehuwden doorgaans geen brutering plaatsvinden. De oorzaak hiervan is het feit dat het inkomen na 65 jaar de enkelvoudige AOW-uitkering voor gehuwden omvat terwijl het overbruggingspensioen vr 65 jaar mag uitgaan van de dubbele AOW-uitkering. Dit inkomensverhogend effect van het overbruggingspensioen is groter dan het inkomensverlagend effect van de over het hogere fiscale inkomen meer verschuldigde belasting en premie volksverzekeringen. Het hierna opgenomen voorbeeld laat dat zien.

Voorbeeld (cijfers per 1 januari 2009, bedragen in )

Gehuwde pensioengerechtigde met 50 opbouwjaren voor de AOW

Inkomen vóór 65 jaar

Inkomen na 65 jaar

Ouderdomspensioen

 

33.000

 

33.000

AOW-compensatie resp. AOW-uitkering

Bij:

17.451

Bij:

8.725

Premiecompensatie over ouderdomspensioen (in dit geval het maximum van 17,9% van 32.127, ongebruteerd)

Bij:

5.750

 

n.v.t.

Totaal pensioeninkomen

Totaal:

56.201

Totaal:

41.725

Inkomensheffing zonder korting

Af:

22.226

Af:

10.253

Heffingskorting

Bij:

2.007

Bij:

935

Netto

Totaal:

35.982

Totaal:

32.407

Conclusie: Nu het netto inkomen na 65 jaar lager is dan het netto-inkomen vr 65 is het niet toegestaan bij de opbouw van het overbruggingspensioen uit te gaan van een gebruteerde premiecompensatie.

Voor ongehuwden kan dit anders zijn. Zij ontvangen immers na hun 65e verjaardag een hogere AOW-uitkering (per 1 januari 2009: 12.701). Ook ongehuwden komen echter slechts in uitzonderingsgevallen in aanmerking voor een maximaal overbruggingspensioen van de dubbele AOW-uitkering voor gehuwden plus de gebruteerde premiecompensatie.

Let op!
Met het invoeren van de Wet VPL is er een einde gekomen aan de mogelijkheden om een overbruggingspensioen op te bouwen. Op grond van artikel 38b Wet LB blijft artikel 18e (tekst 2004) Wet LB van toepassing voor eerder opgebouwde aanspraken op overbruggingspensioen. Artikel 38f, tweede lid, Wet LB bevat overgangsrecht voor oudere werknemers. Voor werknemers die zijn geboren vr 1 januari 1950 blijven de artikelen 18, 18e en 18g van de Wet LB, zoals deze luidden op 31 december 2004, onder voorwaarden van toepassing. Alleen deze oudere werknemers die voldoen aan de voorwaarden van het overgangsrecht kunnen na het invoeren van de Wet VPL nog overbruggingspensioen opbouwen.

De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 9 van het vervallen besluit CPP2003/1610M (besluit van 10 februari 2004).