Artikel 18e (tekst 2004), artikel 18h en artikel 38f Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18e, eerste lid, (tekst 2004), artikel 18h, tweede lid, en artikel 38f, tweede lid, Wet op de loonbelasting 1964

Berekening van het maximale overbruggingspensioen bij pensioenopbouw die geheel of gedeeltelijk in eigen beheer plaatsvindt (Vraag & Antwoord 08-062 d.d. 110209)

Vraag

Wat is het maximale overbruggingspensioen bij een geheel of gedeeltelijk in eigen beheer gehouden pensioen?

Antwoord

Let op!
Met het invoeren van de Wet VPL is er een einde gekomen aan de mogelijkheden om een overbruggingspensioen op te bouwen. Artikel 38f, tweede lid, Wet LB bevat overgangsrecht voor werknemers die zijn geboren vr 1 januari 1950. Voor deze oudere werknemers blijven de artikelen 18, 18e en 18g van de Wet LB van toepassing, zoals deze luidden op 31 december 2004. De inhoud van dit vraag en antwoord is thans alleen nog van belang voor deze groep oudere werknemers.

Voor een geheel of gedeeltelijk in eigen beheer gehouden pensioen bestaat een maximaal overbruggingspensioen uit de som van:

  1. het bedrag van de AOW-uitkering die bij de opbouw van het ouderdomspensioen in aanmerking is genomen (AOW-compensatie) en
  2. het verschil tussen de over het ouderdomspensioen verschuldigde premie volksverzekeringen vr en na de 65-jarige leeftijd (premiecompensatie).

Het is alleen mogelijk een maximaal overbruggingspensioen op te bouwen indien de tijdsevenredige opbouw plaatsvindt in ten minste 10 jaar, direct voorafgaand aan de in de regeling vastgestelde pensioendatum. Het maximale opbouwpercentage bedraagt 10% per opbouwjaar.

AOW-compensatie: bedrag ingebouwde AOW-uitkering
Artikel 10c, onderdeel e, van het UBLB bepaalt dat de compensatie van de AOW-uitkering bij een geheel of gedeeltelijk in eigen beheer verzekerd pensioen moet zijn afgestemd op het ingevolge artikel 18a, achtste lid, van de Wet LB in de pensioenregeling voor de inbouw van AOW in aanmerking genomen bedrag. Op grond van artikel 10c, onderdeel c, van het UBLB moet dit bedrag tenminste gelijk zijn aan de AOW-uitkering voor ongehuwden.

Premiecompensatie
In de Memorie van toelichting is bij artikel 18, tweede lid, onderdeel b, van de Wet LB opgemerkt dat men de premiecompensatie zodanig mag bepalen dat ook compensatie plaatsvindt van de over die compensatie verschuldigde belasting en premie volksverzekeringen (brutering) (Wet fiscale behandeling van pensioenen (Wet van 29 april 1999, Stb. 211), Kamerstukken II, 26 020, nr. 3, blz. 20-21). Brutering is slechts toegestaan voorzover nodig om het netto inkomen uit het ouderdomspensioen en het overbruggingspensioen vr 65 jaar op hetzelfde niveau te houden als het netto inkomen uit het ouderdomspensioen en de AOW-uitkering na 65 jaar. Het netto pensioeninkomen vr 65 jaar kan door de brutering dus niet hoger worden dan het netto pensioeninkomen na 65. Dit geldt ook voor de brutering van de in het nabestaandenoverbruggingspensioen opgenomen premiecompensatie (zie Vraag & Antwoord 08-068).

De brutering van de premiecompensatie kent daarom de volgende beperkingen:

Doorgaans geen brutering van de premiecompensatie bij gehuwden
Omdat het netto pensioeninkomen vr 65 jaar door de brutering niet hoger kan worden dan het netto pensioeninkomen na 65 jaar, kan er bij gehuwden doorgaans geen brutering plaatsvinden. De oorzaak hiervan is het feit dat het inkomen na 65 jaar de enkelvoudige AOW-uitkering voor gehuwden omvat terwijl het overbruggingspensioen vr 65 jaar mag uitgaan van de dubbele AOW-uitkering. Dit inkomensverhogend effect van het overbruggingspensioen is groter dan het inkomensverlagend effect van de over het hogere fiscale inkomen meer verschuldigde belasting en premie volksverzekeringen. Het hierna opgenomen voorbeeld laat dat zien.

Voorbeeld (cijfers per 1 januari 2009, bedragen in )

Ongehuwde pensioengerechtigde met 50 opbouwjaren voor de AOW

Inkomen vóór 65 jaar

Inkomen na 65 jaar

Ouderdomspensioen

 

33.000

 

33.000

AOW-compensatie resp. AOW-uitkering

Bij:

12.701

Bij:

12.701

Premiecompensatie over ouderdomspensioen (in dit geval het maximum van 17,9% van 32.127, ongebruteerd)

Bij:

5.750

 

n.v.t.

Totaal pensioeninkomen

Totaal:

51.451

Totaal:

45.701

Inkomensheffing zonder korting

Af:

20.089

Af:

11.923

Heffingskorting

Bij:

2.007

Bij:

935

Netto

Totaal:

33.369

Totaal:

34.713

Conclusie: Nu het netto-inkomen vr 65 jaar lager is dan het netto-inkomen na 65 jaar is het mogelijk om de premiecompensatie in het overbruggingspensioen door middel van brutering te verhogen. Gezien de omvang van het pensioeninkomen is de brutering maximaal gelijk aan de over de premiecompensatie en de brutering zelf verschuldigde inkomstenbelasting: 42/58 * 5.750 = 4.163. Het netto pensioeninkomen vr 65 jaar mag door de brutering niet hoger worden dan het netto pensioeninkomen na 65 jaar. Het netto pensioeninkomen vr 65 jaar is 1.344 lager dan het netto pensioeninkomen na 65 jaar. De maximale brutering is dan: 100/58 * 1.344 = 2.317.

Na de brutering komt het voorbeeld er als volgt uit te zien:

Ongehuwde pensioengerechtigde met 50 opbouwjaren voor de AOW

Inkomen vóór 65 jaar

Inkomen na 65 jaar

Ouderdomspensioen

 

33.000

 

33.000

AOW-compensatie resp. AOW-uitkering

Bij:

12.701

Bij:

12.701

Premiecompensatie over ouderdomspensioen (in dit geval het maximum van 17,9% van 32.127, ongebruteerd)

Bij:

5.750

 

n.v.t.

Verhoging overbruggingspensioen door brutering premiecompensatie

Bij:

2.317

 

0

Totaal pensioeninkomen

Totaal:

53.768

Totaal:

45.701

Inkomensheffing zonder korting

Af:

21.062

Af:

11.923

Heffingskorting

Bij:

2.007

Bij:

935

Netto

Totaal:

34.713

Totaal:

34.713

Doorgaans geen brutering van de premiecompensatie bij gehuwden
Omdat het netto pensioeninkomen vr 65 jaar door de brutering niet hoger kan worden dan het netto pensioeninkomen na 65 jaar, kan er bij gehuwden doorgaans geen brutering plaatsvinden. De oorzaak hiervan is het feit dat het inkomen na 65 jaar de enkelvoudige AOW-uitkering voor gehuwden omvat terwijl het overbruggingspensioen vr 65 jaar mag uitgaan van de dubbele AOW-uitkering. Dit inkomensverhogend effect van het overbruggingspensioen is groter dan het inkomensverlagend effect van de over het hogere fiscale inkomen meer verschuldigde belasting en premie volksverzekeringen.
Het hierna opgenomen voorbeeld laat dat zien.

Voorbeeld (cijfers per 1 januari 2009, bedragen in )

Gehuwde pensioengerechtigde met 50 opbouwjaren voor de AOW

Inkomen vóór 65 jaar

Inkomen na 65 jaar

Ouderdomspensioen

 

33.000

 

33.000

AOW-compensatie resp. AOW-uitkering

Bij:

12.701

Bij:

8.725

Premiecompensatie over ouderdomspensioen (in dit geval het maximum van 17,9% van 32.127, ongebruteerd)

Bij:

5.750

 

n.v.t.

Totaal pensioeninkomen

Totaal:

51.451

Totaal:

41.725

Inkomensheffing zonder korting

Af:

20.089

Af:

10.253

Heffingskorting

Bij:

2.007

Bij:

935

Netto

Totaal:

33.369

Totaal:

32.407

Nu het netto inkomen na 65 jaar lager is dan het netto-inkomen vr 65 jaar, is het niet toegestaan bij de opbouw van het overbruggingspensioen uit te gaan van een gebruteerde premiecompensatie.

Slotopmerking
Dit V&A is alleen van belang voor werknemers die na het invoeren van de Wet VPL onder de werking van het overgangsrecht van artikel 38f van de Wet LB nog een overbruggingspensioen kunnen opbouwen. In het V&A is het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2008, nr. 42.782 verwerkt. De Hoge Raad heeft beslist dat het voor een geheel of gedeeltelijk in eigen beheer gehouden pensioen mogelijk is om voor een in tenminste tien jaar op te bouwen overbruggingspensioen rekening te houden met het volledige bedrag van de bij de opbouw van het ouderdomspensioen ingebouwde AOW-uitkering. Tot het verschijnen van het arrest is in eigen beheer gehouden pensioenregelingen voor de AOW-compensatie in het overbruggingspensioen veelal aangesloten bij het daadwerkelijk voor de opbouw van het ouderdomspensioen in aanmerking genomen tijdsevenredige deel van de AOW-uitkering. Het aanpassen van de pensioenregeling aan het arrest van de Hoge Raad betekent dan een extra opbouw van overbruggingspensioen.

Na het invoeren van de Wet VPL kunnen volgens het overgangsrecht van artikel 38f van de Wet LB echter alleen werknemers die zijn geboren vr 1 januari 1950 nog overbruggingspensioen opbouwen. Niet onder het overgangsrecht vallende werknemers kunnen hun opgebouwde overbruggingspensioen dus niet meer aanpassen aan het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2008.

De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 10 van het vervallen besluit CPP2003/1610M (besluit van 10 februari 2004).