Deze versie van het V&A is vervangen door Vraag & Antwoord 08-065 d.d. 10 november 2017.

Artikel 38f Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 18e Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2004)

Artikel 18e, tweede lid, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2004)

Overkook overbruggingspensioen in eindloon- en middelloonstelsel bij uitstel van de in de regeling vastgestelde pensioendatum (Vraag & Antwoord 08-065 d.d. 140116)

Algemeen
Met het invoeren van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL) is er voor de na 1949 geboren werknemers een einde gekomen aan de mogelijkheden om met fiscale facilitering een overbruggingspensioen op te bouwen. Op grond van artikel 38b van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) blijft artikel 18e Wet LB (tekst 2004) van toepassing voor de eerder opgebouwde aanspraken op overbruggingspensioen.

Vraag
Pensioenregelingen bevatten vaak de mogelijkheid om de ingangsdatum van het ouderdomspensioen en het overbruggingspensioen uit te stellen bij doorwerken na de in de regeling vastgestelde pensioendatum. Volgens artikel 18e, tweede lid, Wet LB (tekst 2004) is het dan mogelijk om het opgebouwde overbruggingspensioen om te zetten in een hoger overbruggingspensioen.

Moet het overbruggingspensioen in een eindloon- of middelloonstelsel altijd ingaan bij het bereiken van de 100%-grens (volledige AOW- en premiecompensatie voor de nog resterende periode tot 65 jaar)?

Antwoord
Nee. Het overbruggingspensioen hoeft niet altijd in te gaan bij het bereiken van de 100%-grens. Het is mogelijk om de bestaande aanspraak op overbruggingspensioen bij uitstel van het pensioen op actuariële grondslag te herrekenen totdat de grens van 100% van de som van de maximaal toegestane AOW-compensatie en de maximaal toegestane premiecompensatie is bereikt. Ook dan hoeft het overbruggingspensioen echter nog niet in te gaan. Het overbruggingspensioen mag men in dat geval voor het meerdere boven de 100%-grens omzetten in ouderdoms- of partnerpensioen. Deze omzetting in ouderdoms- of partnerpensioen pleegt men in de praktijk wel aan te duiden als 'overkook'. Bij doorwerken tot of na de 65e verjaardag zal het gehele overbruggingspensioen op deze wijze overkoken naar het ouderdoms- of partnerpensioen. Op grond van artikel 38f, derde lid, Wet LB kan een ouderdomspensioen meer bedragen dan de in artikel 18a Wet LB opgenomen maxima voor zover dat het gevolg is van de omzetting van een op 31 december 2005 bestaande aanspraak op een overbruggingspensioen. Bij overkook van het overbruggingspensioen naar het partnerpensioen geldt dat het partnerpensioen na de omzetting (inclusief de tijdsevenredige inbouw van de AOW-uitkering) niet hoger mag zijn dan 70% van het pensioengevend loon. Voor het berekenen van de maximale overkook naar het partnerpensioen moet men rekening houden met de eventuele nog in de regeling op te bouwen rechten op partnerpensioen.

Uitstel van de ingangsdatum van het overbruggingspensioen is overigens alleen mogelijk indien en voor zover de pensioengerechtigde na de in de regeling vastgestelde pensioendatum blijft doorwerken in een tegenwoordige dienstbetrekking, als ondernemer of als resultaatgenieter. Zie voor een nadere uitleg Vraag & Antwoord 08-045 en onderdeel 7.2 van het besluit van 6 november 2015, nr. BLKB2015/830M.

Indien de pensioenregeling niet de mogelijkheid van overkook naar een hoger ouderdoms- of partnerpensioen bevat, moet het overbruggingspensioen – en op grond van artikel 18e, eerste lid, onderdeel a, Wet LB (tekst 2004) daarmee ook het ouderdomspensioen – ingaan zodra dit pensioen het 100%-niveau heeft bereikt. Hetzelfde geldt indien geen (verdere) overkook naar het ouderdoms- of partnerpensioen (meer) mogelijk is. Voortgezette actuariële verhoging tot boven de 100%-grens bij verder uitstel heeft immers een onzuiver overbruggingspensioen tot gevolg. Ook voor het ouderdomspensioen en het partnerpensioen geldt dat onzuiverheid optreedt bij het overschrijden van het wettelijk maximum. Verplichte ingang van een pensioen is evenwel niet aan de orde indien het pensioen volgens de pensioenregeling bij het bereiken van het maximum op dat niveau wordt bevroren. Om onzuiverheid van het pensioen te voorkomen – met als gevolg toepassing van artikel 19b, eerste lid, onderdeel a of c en slot, Wet LB – moet de bepaling waaruit de bevriezing blijkt al in de regeling zijn opgenomen voordat het maximum is bereikt.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 13 van het vervallen besluit CPP2003/1610M (besluit van 10 februari 2004).