Deze versie van het V&A is vervangen door Vraag & Antwoord 08-086 d.d. 17 november 2017.

Artikel 38b Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 38a Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2004)

Artikel 38a, derde lid, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2004)

Prepensioen en uitstel van de in de regeling vastgestelde prepensioendatum (Vraag & Antwoord 08-086 d.d. 171115)

Vraag
Een prepensioen gaat normaal gesproken in op de in de regeling vastgestelde prepensioendatum.

Is het mogelijk om het prepensioen feitelijk later te laten ingaan en zo ja, wat zijn dan de voorwaarden?

Antwoord
Ja, de prepensioenuitkeringen kunnen later ingaan dan de in de regeling vastgestelde prepensioendatum. Dit volgt uit artikel 38a, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) (tekst 2004).

Voorwaarde voor uitstel: doorwerken
Voorwaarde bij elke vorm van uitstel is dat de werknemer in de nieuwe dienstbetrekking niet minder gaat werken. Bij een afname van de omvang van het dienstverband in de nieuwe dienstbetrekking (overgang naar deeltijdwerk) moet het pensioen uit de oude dienstbetrekking naar rato ingaan (deeltijdpensioen). In onderdeel 7 van het besluit van 6 november 2015, nr. BLKB2015/830M is een goedkeuring onder voorwaarden opgenomen voor de situatie dat een voormalige werknemer doorwerkt als ondernemer of ingeval de (gewezen) werknemer belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden als bedoeld in afdeling 3.4 van de Wet IB 2001 geniet. In alle gevallen moet de verzekeraar van het uit een vorige dienstbetrekking afkomstige slapersrecht wel toetsen of en in welke mate de (gewezen) werknemer nog doorwerkt. Bij deze toetsing kan worden volstaan met een verklaring van de (gewezen) werknemer zelf over de mate van doorwerken. Ondanks deze toetsing blijft de inhoudingsplicht van artikel 6, vijfde lid, Wet LB van kracht. Bij het beŽindigen of verminderen van de werkzaamheden in de dienstbetrekking bij een andere werkgever, de werkzaamheden in de onderneming of de werkzaamheden als resultaatgenieter dient het prepensioen direct in te gaan, hetzij volledig, hetzij gedeeltelijk naar de mate van de vermindering van de omvang van de werkzaamheden. Dit uitgangspunt geldt bij elke verdere vermindering van de werkzaamheden. De werknemer dient de uitvoerder direct op de hoogte te brengen van elke vermindering van de werkzaamheden.

In de parlementaire behandeling zijn de uitstelregimes voor prepensioen en overbruggingspensioen aan elkaar gelijkgesteld. Ingevolge artikel 38a, derde lid, van de Wet LB (tekst 2004) is de in artikel 18e, tweede lid, van de Wet LB (tekst 2004) opgenomen uitstelregeling voor overbruggingspensioenen van overeenkomstige toepassing op prepensioenen. Zie ook: Wet fiscale behandeling van pensioenen (Wet van 29 april 1999, Stb. 211), Kamerstukken II, 26 020, nr. 6, blz. 25. Het overbruggingspensioen volgt in artikel 18e, eerste lid, onderdeel a, Wet LB (tekst 2004) op zijn beurt weer het regime dat geldt voor het ouderdomspensioen. Zie hiervoor vraag en antwoord 08-045. Daarnaast is het in strijd met het inkomensvervangende karakter van het prepensioen als de aanvang daarvan wordt uitgesteld terwijl de werkzaamheden worden beŽindigd. Op grond van het voorgaande is het in overeenstemming met de strekking van een prepensioenregeling dat de aanvang van het prepensioen direct aansluit op het beŽindigen van de werkzaamheden.

Indien de in de regeling vastgestelde prepensioendatum wordt uitgesteld zonder dat sprake is van voortzetting van de dienstbetrekking, wordt de regeling onzuiver en treedt artikel 19b, eerste lid, aanhef, onderdeel a en slot, van de Wet LB in werking. De gehele aanspraak wordt dan belast.

Zelfs indien artikel 19b niet van toepassing zou zijn, zou uitstel zonder doorwerken de pensioengerechtigde niet baten omdat dan de pensioentermijnen op een ongebruikelijk tijdstip zouden worden genoten. Op grond van artikel 13a, tweede lid, van de Wet LB, zouden de termijnen dan toch moeten worden belast alsof ze normaal direct na afloop van de beŽindiging van de werkzaamheden zouden zijn uitgekeerd.

Artikel 38a, tweede lid, onderdeel a, Wet LB (tekst 2004) bepaalt dat de uitkeringen van het prepensioen uiterlijk moeten eindigen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Uitstel van in de prepensioenregeling vastgestelde prepensioeningangsdatum naar een datum na het bereiken van de 65-jarige leeftijd is dan ook niet mogelijk. Uiterlijk op de laatste dag voor de 65ste verjaardag moeten de opgebouwde prepensioenrechten worden omgezet in een hoger ouderdoms- en/of partnerpensioen. Dit volgt uit artikel 38a, tweede lid, onderdeel c, Wet LB (tekst 2004). Zie hiervoor Vraag en Antwoord 08-087.

Let op!
Met het invoeren van de Wet VPL is er een einde gekomen aan de mogelijkheden om een prepensioen op te bouwen. Op grond van artikel 38b Wet LB blijft artikel 38a (tekst 2004) Wet LB van toepassing voor eerder opgebouwde aanspraken op prepensioen.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 6 van het vervallen besluit CPP2004/244M (besluit van 8 juli 2004).