Deze versie van het V&A is vervangen door Vraag & Antwoord 08-087 d.d. 17 november 2017.

Artikel 38b Wet op de loonbelasting 1964, artikel 38d Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 38a Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2004)

Artikel 38d, tweede en derde lid, Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 38a, derde lid, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2004)

Overkookregeling prepensioen in eindloon- en middelloonstelsel bij uitstel van de in de regeling vastgestelde prepensioendatum (Vraag & Antwoord 08-087 d.d. 171115)

Algemeen
Met het invoeren van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL) is er voor de na 1949 geboren werknemers een einde gekomen aan de mogelijkheden om met fiscale facilitering een prepensioen op te bouwen. Op grond van artikel 38b van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) en artikel 38d, tweede lid, onderdeel a, Wet LB blijft artikel 38a Wet LB (tekst 2004) van toepassing voor de eerder opgebouwde aanspraken op prepensioen.

Vraag
In prepensioenregelingen is vaak de mogelijkheid opgenomen om de ingangsdatum van het prepensioen uit te stellen indien wordt doorgewerkt na de in de regeling vastgestelde prepensioendatum. Volgens artikel 38a, derde lid, Wet LB (tekst 2004) kan het prepensioen dan worden verhoogd tot maximaal 100% van het pensioengevend loon.

Moet een prepensioen dat is gebaseerd op een middelloon- of eindloonstelsel bij uitstel van de in de regeling vastgestelde prepensioendatum altijd ingaan bij het bereiken van de 100%-grens van artikel 38a, derde lid, Wet LB (tekst 2004)?

Antwoord
Nee. Het prepensioen hoeft niet altijd verplicht in te gaan bij het bereiken van de 100%-grens.

Bij uitstel van de in de regeling vastgestelde prepensioendatum mogen de opgebouwde rechten volgens artikel 38a, derde lid, Wet LB (tekst 2004) door actuariële herrekening worden verhoogd totdat de grens van 100% van het pensioengevend loon is bereikt. Ook dan hoeft het prepensioen evenwel niet verplicht in te gaan. Het prepensioen mag in dat geval voor het meerdere boven de 100%-grens worden omgezet in ouderdomspensioen of partnerpensioen. Dit volgt uit de tweede volzin van artikel 38a, derde lid, Wet LB (tekst 2004), waarin artikel 18e, tweede lid, Wet LB (tekst 2004) van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Deze omzetting van het surplus boven de 100% in ouderdomspensioen of partnerpensioen pleegt men in de praktijk wel aan te duiden met de term ‘overkook’. Indien wordt doorgewerkt tot de 65e verjaardag zal het gehele prepensioen op deze wijze overkoken naar het ouderdomspensioen of het partnerpensioen. Op grond van artikel 38d, derde lid, Wet LB kan een ouderdomspensioen meer bedragen dan de in artikel 18a van de Wet LB opgenomen maxima voor zover dat het gevolg is van de omzetting van een op 31 december 2005 bestaande aanspraak op een prepensioen. Bij overkook van het prepensioen naar het partnerpensioen geldt dat het partnerpensioen na de omzetting (inclusief de tijdsevenredige inbouw van de AOW-uitkering) niet hoger mag zijn dan 70% van het pensioengevend loon. Voor het berekenen van de maximale overkook naar het partnerpensioen moet men rekening houden met de eventuele nog na de in de regeling vastgestelde prepensioendatum op te bouwen rechten op partnerpensioen.

Uitstel van de ingangsdatum van het prepensioen is overigens alleen mogelijk indien en voor zover de pensioengerechtigde na de in de regeling vastgestelde prepensioendatum blijft doorwerken in dezelfde dienstbetrekking, in een tegenwoordige dienstbetrekking bij een andere werkgever, als ondernemer of als resultaatgenieter. Zie voor een nadere uitleg Vraag & Antwoord 08-086 en onderdeel 7.2 van het besluit van 6 november 2015, nr. BLKB2015/830M.

Indien de prepensioenregeling niet de mogelijkheid van overkook naar een hoger ouderdoms- of partnerpensioen bevatte, moet het prepensioen ingaan zodra dit pensioen het niveau van 100% heeft bereikt. Ingang van een prepensioen is evenwel niet verplicht indien in de regeling is opgenomen dat het prepensioen bij het bereiken van het maximum op dat niveau wordt bevroren. Om te voorkomen dat het prepensioen op dat moment onzuiver wordt – met als gevolg toepassing van artikel 19b, eerste lid, onderdeel a of c en slot, Wet LB – moet de bepaling waaruit de bevriezing blijkt al in de regeling zijn opgenomen voordat het maximum is bereikt. De behandeling van de overkook van een prepensioen op eindloon- of middelloonbasis vertoont gelijkenis met de overkook van een op één van dezelfde stelsels gebaseerd overbruggingspensioen. Zie Vraag en Antwoord 08-065.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 7 van het vervallen besluit CPP2004/244M (besluit van 8 juli 2004).