Artikel 38d Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 38a Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2004)

Artikel 38d, derde lid, Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 38a, derde en zevende lid, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2004)

Overkookregeling prepensioen in een beschikbare-premiestelsel bij uitstel van de in de regeling vastgestelde prepensioendatum (Vraag & Antwoord 08-089 d.d. 171117)

Vraag
Hoe werkt de overkookregeling van artikel 38a, derde lid, tweede volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) (tekst 2004) in geval van uitstel van de in de regeling vastgestelde prepensioendatum indien het prepensioen werd opgebouwd op basis van beschikbare premies?

Antwoord
Voor een op basis van beschikbare premies opgebouwd prepensioen wordt de beoordeling van het maximum uitgesteld tot de datum waarop het prepensioen feitelijk ingaat, maar uiterlijk tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Dit volgt uit artikel 38a, zevende lid, Wet LB (tekst 2004).

Bij uitstel van de ingangsdatum van het prepensioen is het mogelijk om de bestaande aanspraak op prepensioen op actuariële grondslag te herrekenen totdat de grens van 100% van het pensioengevend loon is bereikt. Ook dan hoeft het prepensioen echter nog niet verplicht in te gaan. Het prepensioen mag men in dat geval voor het meerdere boven de 100%-grens omzetten in ouderdoms- of partnerpensioen. Dit volgt uit de tweede volzin van artikel 38a, derde lid, Wet LB (tekst 2004), waarin artikel 18e, tweede lid, Wet LB (tekst 2004) van overeenkomstige toepassing wordt verklaard voor het prepensioen. Deze omzetting van het surplus boven de 100% in ouderdomspensioen of partnerpensioen pleegt men in de praktijk wel aan te duiden met de term ‘overkook’. Indien wordt doorgewerkt tot de 65e verjaardag zal het gehele prepensioen op deze wijze overkoken naar het ouderdomspensioen of het partnerpensioen. Op grond van artikel 38d, derde lid, Wet LB kan een ouderdomspensioen meer bedragen dan de in artikel 18a van de Wet LB opgenomen maxima voor zover dat het gevolg is van de omzetting van een op 31 december 2005 bestaande aanspraak op een prepensioen. Bij overkook van het prepensioen naar het partnerpensioen geldt dat het partnerpensioen na de omzetting (inclusief de tijdsevenredige inbouw van de AOW-uitkering) niet hoger mag zijn dan 70% van het pensioengevend loon. Voor het berekenen van de maximale overkook naar het partnerpensioen moet men rekening houden met de eventuele nog na de in de regeling vastgestelde prepensioendatum op te bouwen rechten op partnerpensioen.

Indien de prepensioenregeling niet de mogelijkheid van overkook naar een hoger ouderdoms- of partnerpensioen bevat, moet het prepensioen ingaan zodra dit pensioen het niveau van 100% heeft bereikt. Ingang van een prepensioen is evenwel niet verplicht indien in de regeling is opgenomen dat het prepensioen bij het bereiken van het maximum op dat niveau wordt bevroren. Om te voorkomen dat het prepensioen op dat moment onzuiver wordt – met als gevolg toepassing van artikel 19b, eerste lid, Wet LB – moet de bepaling waaruit de bevriezing blijkt al in de regeling zijn opgenomen voordat het maximum is bereikt.

De behandeling van de overkook van een prepensioen op beschikbare-premiebasis vertoont gelijkenis met de overkook van een op hetzelfde stelsel gebaseerd overbruggingspensioen. Zie Vraag en Antwoord 08-065.

Let op!
Met het invoeren van de Wet VPL is er een einde gekomen aan de mogelijkheden om prepensioen op te bouwen. Artikel 38a Wet LB (tekst 2004) blijft van toepassing voor eerder opgebouwde aanspraken op prepensioen.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 9 van het vervallen besluit CPP2004/244M (besluit van 8 juli 2004).