Deze versie van het V&A is vervangen door Vraag & Antwoord 08-095 d.d. 17 december 2015.

Artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18a, zevende lid, Wet op de loonbelasting 1964

Begrip pensioengevend loon bij de toets aan de 100%-grens (Vraag & Antwoord 08-095 d.d. 20 december 2010)

Vraag

Artikel 18a, zevende lid, van de Wet LB schrijft een toets voor van het ouderdomspensioen aan 100% van het pensioengevend loon. Welke loonbestanddelen mogen deel uitmaken van dat begrip pensioengevend loon in geval van een feitelijke toetsing?

Antwoord

Het begrip pensioengevend loon in het bedoelde wetsartikel omvat alle loonbestanddelen die voor de Wet LB als pensioengevend in aanmerking komen. Ook loonbestanddelen die op grond van de tussen partijen geldende regeling bij de opbouw niet in aanmerking komen tellen mee bij de toets. Voorbeeld: het loon dat op grond van artikel 10b, eerste lid, tweede volzin van het UBLB feitelijk is uitgesloten van de opbouw in een eindloonregeling. Dat loon mag dus wel worden opgenomen in het pensioengevend loon waaraan de hoogte van het feitelijke pensioen wordt getoetst. Loonbestanddelen die bij de werknemer op grond van de wettelijke bepalingen nooit meegenomen kunnen worden bij de pensioenopbouw tellen evenwel ook niet mee bij de toets. Voorbeelden hiervan zijn het genot van een ter beschikking gestelde auto (zie artikel 10b, eerste lid, eerste volzin, van het UBLB) en het loon in natura voor een geheel of gedeeltelijk in eigen beheer verzekerd pensioen (zie artikel 10c, onderdeel a, van het UBLB). Deze voordelen mogen bij de toets dus geen deel uitmaken van het pensioengevend loon.