Artikel 38c Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 38c, derde lid, Wet op de loonbelasting 1964

Omzetten in hoger ouderdomspensioen van de tot pensioendatum uitgestelde aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i Wet LB (tekst 2004) (Vraag & Antwoord 09-003 d.d. 070916)

Vraag
Volgens artikel 38c, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) is het mogelijk om de na uitstel van de ingangsdatum herrekende aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i Wet LB (tekst 2004) om te zetten in aanspraken op ouderdomspensioen. Kan deze omzetting ook nog op pensioendatum plaatsvinden?

Antwoord
Ja, het omzetten van de na uitstel van de ingangsdatum herrekende aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i Wet LB (tekst 2004) in aanspraken op ouderdomspensioen kan ook nog op pensioendatum plaatsvinden. Voor het omzetten is het niet noodzakelijk om de uitkeringen uit de regeling voor vervroegde uittreding daadwerkelijk voor pensioendatum (gedeeltelijk) te laten ingaan.

De hier bedoelde omzetting staat in artikel 38c, derde lid, Wet LB. Omzetten is toegestaan voor aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in het tweede lid van dat artikel. Volgens het tweede lid is er een regeling voor vervroegde uittreding indien er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden.

  1. Er moet sprake zijn van een op 31 december 2004 bestaande regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde, en
  2. ingevolge die regeling kunnen na 31 december 2005 nog uitsluitend uitkeringen kunnen worden gedaan aan werknemers:
    1. die voor 1 januari 2006 reeds een of meer uitkeringen ingevolge deze regeling genoten, of
    2. die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt en ten aanzien van wie de uitkeringen die ingevolge deze regeling worden gedaan worden herrekend ingeval de uitkeringen later ingaan dan op de in de regeling vastgestelde ingangsdatum, met dien verstande dat de verhoging van de uitkeringen niet lager is dan 50% van de verhoging van de uitkeringen bij een herrekening met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen.

De omschrijving “ingeval de uitkeringen later ingaan dan op de in de regeling vastgestelde ingangsdatum” kan de indruk wekken dat sprake is van een voorwaarde. In dat geval zou uitstel tot de pensioendatum leiden tot het wettelijk verplicht laten vervallen van de aanspraken. De uitkeringen gaan immers niet later in, maar in het geheel niet meer. Dit is niet de bedoeling geweest van de indiener van het amendement dat heeft geleid tot de huidige tekst van artikel 38c,derde lid, Wet LB. Overeenkomstig de bedoeling van de wetgever kan de omzetting ook plaatsvinden als de uitkeringen ingevolge de regeling voor vervroegd uittreden worden uitgesteld tot aan de pensioendatum (Kamerstukken II, 29760, amendement 30, Brief SZW 13 december 2005, nr. AV/PB/05/101854 en Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, Aanhangsel van de Handelingen 1057). Uiteraard is de omzetting op pensioendatum slechts mogelijk indien deze mogelijkheid is opgenomen in de regeling voor vervroegde uittreding.