Deze versie van het V&A is vervangen door Vraag & Antwoord 10-009 d.d. 17 november 2017.

Artikel 32ba Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 32ba, derde en achtste lid, Wet op de loonbelasting 1964 juncto de artikelen 12.2 en 12.2a Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011

Pseudo-eindheffing 52% over drukkende uitkeringen regeling voor vervroegde uittreding vanaf 1 januari 2011 (Vraag & Antwoord 10-009 d.d. 101117)

Vraag
Met ingang van 1 januari 2011 wordt een door een inhoudingsplichtige gedane en op hem drukkende uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding alsmede een door een inhoudingsplichtige voldane en op hem drukkende bijdrage of premie aan een fonds dat of een verzekeraar die een zodanige regeling uitvoert, aangemerkt als loon dat als een pseudo-eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 52%. De op het loon van een werknemer ingehouden bijdragen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding worden met ingang van 1 januari 2011 volledig tot het loon gerekend.

Een inhoudingsplichtige doet vanaf 2011 uitkeringen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding. Deze uitkeringen kunnen in beginsel afkomstig zijn uit de volgende vijf bronnen:

  1. uit bedragen die zijn ingehouden op het loon van werknemers en die niet tot het loon hebben behoord;
  2. uit bijdragen en premies waarop geen eindheffing heeft plaatsgevonden, daaronder begrepen de overheveling van gelden uit een fonds dat onder het overgangsrecht als bedoeld in artikel 38c van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) viel, naar een niet onder het overgangsrecht vallend fonds;
  3. uit de rendementsaangroei op premies, bijdragen en inhoudingen;
  4. uit bijdragen en premies waarop een eindheffing van 26% heeft plaatsgevonden;
  5. uit bedragen die zijn ingehouden op het loon van werknemers en die voor de helft niet tot het loon hebben behoord.

Hoe verloopt vanaf 1 januari 2011 de pseudo-eindheffing over de uitkeringen uit de onder 1 tot en met 5 genoemde bronnen?

Antwoord
Op de uitkeringen die afkomstig zijn uit de bronnen 1, 2 en 3 vindt met ingang van 1 januari 2011 bij de inhoudingsplichtige een pseudo-eindheffing plaats van 52%.

Op de uitkeringen die afkomstig zijn uit de bronnen 4 en 5 vindt met ingang van 1 januari 2011 een (aanvullende) pseudo-eindheffing plaats van 26%.

Toelichting
Bij de invoering in 2005 van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL) is aangegeven dat de pseudo-eindheffing gefaseerd werd ingevoerd. Dit hield in dat van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011 de werknemerspremies ten behoeve van deze regelingen nog voor de helft aftrekbaar waren. Over de werkgeversbijdragen werd in deze periode slechts de helft van de pseudo-eindheffing opgelegd, dat wil zeggen 26% in plaats van 52%. Met ingang van 1 januari 2011 wordt de volledige pseudo-eindheffing opgelegd en zijn de werknemersbijdragen niet meer aftrekbaar.

Hierbij is destijds opgemerkt dat het uiterst aantrekkelijk zou zijn om in 2005 extra premies in een bestaand VUT-fonds te storten en deze bedragen na 2005 te gebruiken voor het doen van uitkeringen, waarbij tot het bedrag van de in 2005 gestorte bedragen de in artikel 32ba Wet LB bedoelde pseudo-eindheffing niet zou gelden voor die uitkeringen. Het voorgaande gold eveneens voor de situatie dat ter zake van een overgangsregeling als bedoeld in artikel 38c Wet LB extra bedragen werden gestort, die op het moment dat de laatste uitkeringen uit dat fonds werden gedaan overgeheveld konden worden naar een niet onder het overgangsrecht vallend fonds.

Zoals in de memorie van toelichting bij de Wet VPL is aangekondigd, zou de bovengenoemde ontgaansmogelijkheid worden voorkomen. Hiertoe is destijds in artikel 106 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (URLB 2001) een bepaling opgenomen. Op grond van dit artikel 106 URLB 2001 waren de volgende door de inhoudingsplichtige gedane uitkeringen destijds alsnog belast met pseudo-eindheffing:

Artikel 106 URLB 2001 is vanaf 1 januari 2011 opgenomen in artikel 12.2 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB 2011).

Voornoemd beleid, dat voorkomt dat via voorfinanciering de pseudo-eindheffing van artikel 32ba Wet LB kon worden ontlopen, wordt ook na 2011 gecontinueerd. Om te voorkomen dat de eindheffing van 52% via voorfinanciering kan worden beperkt tot een pseudo-eindheffing van 26%, is in artikel 12.2a URLB 2011 een bepaling opgenomen. Voor de volgende uitkeringen heeft dat de navolgende consequenties: