Artikel 18a, 18b en 32ba Wet op de loonbelasting 1964

Uitstroom oudere werknemers (Vraag & Antwoord 12-002 d.d. 141014)

Vraag

Een werkgever wil n of meer oudere werknemers stimuleren tot het nemen van ontslag dan wel hen zelf ontslaan onder toekenning van een ontslagvergoeding. De kans bestaat dat de vergoeding bij de werkgever wordt belast met de extra eindheffing van 52% van artikel 32ba van de Wet LB. Het gaat hier om de eindheffing op regelingen voor vervroegde uittreding.

Hoe kan de werkgever in dit geval de ontslagvergoeding fiscaal gefacilieerd aan de werknemer doen toekomen zonder dat de eindheffing van artikel 32ba van de Wet LB is verschuldigd?

Antwoord

De werkgever kan in een dergelijk geval onderzoeken of en zo ja, in welke mate de pensioenregeling van de werknemer(s) met behulp van de ontslaguitkering kan worden verbeterd. Voor zover een dergelijke verbetering binnen de wettelijke fiscale grenzen mogelijk is en ook tot stand komt, wordt de extra eindheffing van 52% voorkmen.

De werkgever kan verbetering van de pensioenregeling tot stand brengen door de ontslaguitkering(en) in de vorm van een koopsom voor pensioen te storten bij een fiscaal en volgens de Pensioenwet toegelaten pensioenuitvoerder. Dat kan het reguliere pensioenfonds zijn dat de bestaande pensioenregeling uitvoert, maar ook een aparte pensioenverzekeraar. In ruil voor de koopsom ontvang(t)(en) de ontslagen werknemer(s) hogere pensioenrechten. Voor alle werknemers kunnen dat hogere ouderdoms- of partnerpensioenrechten zijn. Bij werknemers die zijn geboren vr 1950 kunnen dat ook rechten zijn op een hoger prepensioen of een ouderdomspensioen dat ingaat voor de 65ste verjaardag. In beide gevallen kunnen de ontslagen werknemers de hogere rechten gebruiken voor een vervroegde pensionering om zo de nadelige gevolgen van het ontslag op te vangen. Uiteraard moet de pensioenregeling de vervroeging van de ingangsdatum wel mogelijk maken.

Werkgevers bij wie de bovenstaande ontslagproblematiek speelt, kunnen bij hun pensioenfonds, bij een pensioenverzekeraar of bij een pensioenadviseur laten berekenen wat de maximaal mogelijke verbetering van de pensioenrechten van de werknemer(s) over het verleden is. Als voorbeelden van mogelijke verbeteringen kunnen worden genoemd:

  1. Maximalisering van het opbouwpercentage.
    Niet alle pensioenregelingen in Nederland benutten het maximale opbouwpercentage dat fiscaal mogelijk is. Zo zijn er middelloonregelingen met een opbouwpercentage dat lager is dan het voor die regeling geldende wettelijke maximum.
  2. Maximalisering van de pensioengrondslag.
    Er zijn pensioenregelingen met een AOW-franchise die hoger is dan de fiscaal minimaal vereiste franchise. Dat verschil levert een extra bedrag op voor de grondslag waarover pensioen kan worden opgebouwd. Een extra grondslag voor pensioenopbouw kan ook aanwezig zijn als in de pensioenregeling niet over alle loonbestanddelen pensioen wordt opgebouwd.
  3. Maximalisering van de premie in een beschikbare-premieregeling.
    Als sprake is van een beschikbare-premieregeling waarvan de ingelegde premies onder het fiscale maximum lagen, kan de niet benutte ruimte worden ingehaald door aanvullende premies te storten.

Voor de wijze waarop de aanvullende pensioenopbouw kan worden berekend, kan de Handreiking inhaal en inkoop van pensioen elders op deze site dienst doen.

Ten overvloede wordt gewezen op twee attentiepunten die ook zijn opgenomen in de genoemde handreiking:

  1. Bij de berekeningen dienen alle reeds bestaande voorwaardelijke en onvoorwaardelijke pensioenaanspraken in de beschouwing te worden betrokken. Een voorwaardelijke pensioeninkoop die voortvloeit uit het Sociaal Akkoord 2004 zal bijvoorbeeld meegenomen moeten worden, tenzij de inkoop als gevolg van het ontslag vervalt.
  2. De mogelijkheid bestaat dat werknemers in het verleden bovenstaande onderbenutting van de fiscale pensioenfaciliteiten hebben gecompenseerd met extra lijfrentepremies. In dat geval kunnen nadelige consequenties ontstaan in de sfeer van de inkomstenbelasting (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel k, Wet IB 2001).