Deze versie van het V&A is vervangen door V&A 12-004 d.d. 16 september 2015.

Artikel 18a en artikel 18d, Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18a, eerste, tweede, zesde en achtste lid, en artikel 18d, eerste lid, onderdeel d, Wet op de loonbelasting 1964

Pensioenrichtleeftijd vóór 67 jaar (Vraag & Antwoord 12-004 d.d. 190314)

Vraag
Op 1 januari 2014 is de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd in werking getreden. De fiscale pensioenrichtleeftijd is verhoogd naar 67 jaar en de jaarlijkse opbouwruimte is beperkt tot ten hoogste 1,9% voor regelingen gebaseerd op het eindloonstelsel en ten hoogste 2,15% voor regelingen gebaseerd op het middelloonstelsel. Moet in een pensioenregeling van een werknemer die na 1949 is geboren altijd een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar of ouder worden opgenomen?

Antwoord
Nee. Ook na het invoeren van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, waarbij de pensioenrichtleeftijd is verhoogd naar 67 jaar, mag in een pensioenregeling van een werknemer die na 1949 is geboren een pensioenrichtleeftijd lager dan 67 jaar worden opgenomen. Voorwaarde is dat de omvang van het op te bouwen ouderdomspensioen niet hoger is dan het op basis van algemeen aanvaarde actuariŽle grondslagen naar de lagere pensioenrichtleeftijd herrekende fiscaal maximale ouderdomspensioen ingaande op 67 jaar. Dit volgt uit artikel 18a, zesde lid, van de Wet LB. Deze herrekening kan zowel plaatsvinden in de opbouwfase als op de ingangsdatum van het pensioen. In de opbouwfase leidt de herrekening tot een lagere jaarlijkse maximale opbouw voor het ouderdomspensioen.


Maximale opbouwpercentages voor een ouderdomspensioen
In het overzicht hieronder zijn de maximale, herrekende opbouwpercentages opgenomen voor ouderdomspensioen ingaande op 67, 66, 65, 64, 63, 62, 61 en 60 jaar.

TABEL 1

Pensioenleeftijd volgens pensioenregeling

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een eindloonstelsel

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een middelloonstelsel

67

1,90

2,15

66

1,76

1,99

65

1,63

1,84

64

1,52

1,72

63

1,41

1,60

62

1,32

1,49

61

1,23

1,39

60

1,15

1,30



Gevolgen voor het partnerpensioen
Als in de pensioenregeling een pensioenrichtleeftijd lager dan 67 jaar is opgenomen, betekent dit niet dat ook de maximale opbouwpercentages per (bereikbaar) dienstjaar voor het partnerpensioen en het wezenpensioen van de artikelen 18b en 18c van de Wet LB op een lager (actuarieel herrekend) niveau moeten worden vastgesteld. Vanzelfsprekend is het aantal (bereikbare) dienstjaren voor het partner- en wezenpensioen wel lager dan bij een in de regeling opgenomen pensioenrichtleeftijd van 67 jaar.


Maximale opbouwpercentages voor een ouderdomspensioen plus 70% partnerpensioen
Men kan er ook voor kiezen om de omvang van het partnerpensioen in de pensioenregeling te stellen op 70% van het ouderdomspensioen. Bij een pensioenrichtleeftijd van lager dan 67 jaar is het opbouwpercentage van het partnerpensioen dan lager dan het toegestane wettelijke maximum van artikel 18b van de Wet LB. Ten opzichte van de situatie bij een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar wordt het partnerpensioen in dit geval immers evenredig verlaagd met de verlaging van het opbouwpercentage voor het ouderdomspensioen.

Door eerst een partnerpensioen op basis van het wettelijk maximum van artikel 18b van de Wet LB toe te zeggen en deze toezegging direct te laten volgen door een ruil van partnerpensioen naar ouderdomspensioen, wordt de actuariŽle herrekening van het ouderdomspensioen gedeeltelijk gecompenseerd. Het naar het ouderdomspensioen te ruilen partnerpensioen is gelijk aan het verschil tussen het in eerste instantie toegezegde fiscaal maximale partnerpensioen en het partnerpensioen van 70% van het ouderdomspensioen. Het resultaat van deze ruil leidt dan tot de volgende maximale opbouwpercentages van het ouderdomspensioen.

TABEL 2

Pensioenleeftijd volgens pensioenregeling

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een eindloonstelsel

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een middelloonstelsel

67

1,90

2,15

66

1,78

2,02

65

1,68

1,90

64

1,58

1,79

63

1,49

1,69

62

1,41

1,59

61

1,33

1,51

60

1,26

1,43



Maximale opbouwpercentages voor een ouderdomspensioen voor de toepassing van artikel 10aa UBLB
In het overzicht hieronder zijn de maximale, herrekende verlaagde opbouwpercentages opgenomen voor ouderdomspensioen ingaande op 67, 66, 65, 64, 63, 62, 61 en 60 jaar voor de toepassing van de combinatie van een verlaagde franchise met een verlaagd opbouwpercentage als bedoeld in artikel 10aa UBLB.

TABEL 3

Pensioenleeftijd volgens pensioenregeling

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een eindloonstelsel
(artikel 10aa, eerste lid, UBLB)

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een middelloonstelsel
(artikel 10aa, tweede lid, UBLB)

Maximaal 1,70%

Maximaal 1,80%

Maximaal 1,95%

Maximaal 2,05%

67

1,70

1,80

1,95

2,05

66

1,57

1,66

1,80

1,89

65

1,46

1,54

1,67

1,76

64

1,36

1,44

1,56

1,64

63

1,26

1,34

1,45

1,52

62

1,18

1,25

1,35

1,42

61

1,10

1,17

1,26

1,33

60

1,03

1,09

1,18

1,24



Maximale opbouwpercentages voor een ouderdomspensioen plus 70% partnerpensioen voor de toepassing van artikel 10aa UBLB
In het overzicht hieronder zijn de maximale, herrekende verlaagde opbouwpercentages opgenomen voor ouderdomspensioen ingaande op 67, 66, 65, 64, 63, 62, 61 en 60 jaar gecombineerd met een partnerpensioen van 70% van het ouderdomspensioen voor de toepassing van de combinatie van een verlaagde franchise met een verlaagd opbouwpercentage als bedoeld in artikel 10aa van het UBLB.

Ook bij toepassing van de verlaagde opbouwpercentages en franchises van artikel 10aa van het UBLB is het mogelijk om de omvang van het partnerpensioen in de pensioenregeling te stellen op 70% van het ouderdomspensioen. Bij een pensioenrichtleeftijd van lager dan 67 jaar is het opbouwpercentage van het partnerpensioen dan lager dan het toegestane wettelijke maximum van artikel 18b van de Wet LB in combinatie met artikel 10aa van het UBLB. Ten opzichte van de situatie bij een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar wordt het partnerpensioen in dit geval immers evenredig verlaagd met de verlaging van het opbouwpercentage voor het ouderdomspensioen vanwege de actuariŽle herrekening naar de lagere pensioenrichtleeftijd.

Door eerst een partnerpensioen op basis van het wettelijk maximum van artikel 18b van de Wet LB in combinatie met artikel 10aa van het UBLB toe te zeggen en deze toezegging direct te laten volgen door een ruil van partnerpensioen naar ouderdomspensioen, wordt de actuariŽle herrekening van het ouderdomspensioen gedeeltelijk gecompenseerd. Het naar het ouderdomspensioen te ruilen partnerpensioen is gelijk aan het verschil tussen het in eerste instantie toegezegde fiscaal maximale partnerpensioen en het partnerpensioen van 70% van het ouderdomspensioen. Het resultaat van deze ruil leidt dan bij toepassing van de verlaagde opbouwpercentages en franchises van artikel 10aa van het UBLB tot de volgende maximale opbouwpercentages van het ouderdomspensioen.

TABEL 4

Pensioenleeftijd volgens pensioenregeling

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een eindloonstelsel
(artikel 10aa, eerste lid, UBLB)

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een middelloonstelsel
(artikel 10aa, tweede lid, UBLB)

Maximaal 1,70%

Maximaal 1,80%

Maximaal 1,95%

Maximaal 2,05%

67

1,70

1,80

1,95

2,05

66

1,59

1,69

1,83

1,92

65

1,50

1,59

1,72

1,81

64

1,41

1,49

1,62

1,71

63

1,33

1,41

1,53

1,61

62

1,26

1,33

1,44

1,52

61

1,19

1,26

1,36

1,43

60

1,12

1,19

1,29

1,35



Slotopmerkingen

Artikel 18a, zesde lid, van de Wet LB laat de directe toekenning van een ouderdomspensioen op basis van tabel 2 of 4 zonder de omweg van de ruil van het partnerpensioen niet toe. Slechts via de weg van toezegging van een maximaal partnerpensioen, direct gevolgd door een (gedeeltelijke) ruil daarvan naar het ouderdomspensioen op basis van artikel 18d, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB, kan deze situatie worden bereikt. Uiteraard kan er alleen een ruil van partnerpensioen plaatsvinden als er daadwerkelijk een partnerpensioen is toegezegd.

Omdat de rechten van de partner door de (gedeeltelijke) ruil van het partnerpensioen naar het ouderdomspensioen worden aangetast, zal de partner moeten instemmen met de ruil. Het door de ruil ontstane verlies aan partnerpensioen kan op grond van artikel 18d, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB niet worden gecompenseerd.

De bovenstaande opbouwpercentages gelden als een algemeen toepasbare richtlijn. Daarvan kan in individuele omstandigheden worden afgeweken. Daarvoor moet aannemelijk worden gemaakt dat in dat individuele geval een ander actuarieel herrekend opbouwpercentage moet worden toegepast.

Bij beschikbare-premieregelingen kan men voor 2014 uitgaan van de premiestaffels van het beleidsbesluit Loonheffingen. Pensioenen; beschikbare-premieregelingen en premie- en kapitaalovereenkomsten (besluit van 12 februari 2013, nr. BLKB2013/43M, Staatscourant 2013 nr. 4432). Voor een werknemer die na 1949 is geboren kan men alleen de staffels gebruiken met leeftijdsklassen tot 67 jaar. Bij ingang van het pensioen vůůr 67 jaar is het dan aanwezige kapitaal de tegenwaarde van de herrekende aanspraken ten opzichte van 67 jaar.