Artikel 18a en artikel 18d, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2014)

Artikel 18a, eerste, tweede, zesde en achtste lid, en artikel 18d, eerste lid, onderdeel d, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2014)

Pensioenopbouw Wet VAP en pensioenrichtleeftijd vůůr 67 jaar (Vraag & Antwoord 12-004 d.d. 170317)

Inleiding
Op 1 januari 2013 zijn de maatregelen van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Wet VAP) in werking getreden. Per 1 januari 2014 is de fiscale pensioenrichtleeftijd verhoogd naar 67 jaar en is de jaarlijkse opbouwruimte beperkt tot ten hoogste 1,9% voor regelingen gebaseerd op het eindloonstelsel en ten hoogste 2,15% voor regelingen gebaseerd op het middelloonstelsel. Op 1 januari 2015 zijn de maatregelen van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen (Witteveen 2015) in werking getreden. De fiscaal maximaal te hanteren opbouwpercentages zijn verder verlaagd en er is een maximum voor het pensioengevend loon geÔntroduceerd.

Dit V&A 12-004 is alleen van belang voor de pensioenopbouw in 2014 onder de werking van de Wet VAP. Voor de pensioenopbouw in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017 onder de werking van Witteveen 2015 met een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar wordt verwezen naar V&A 14-008. Voor de pensioenopbouw met ingang van 1 januari 2018 onder de werking van Witteveen 2015 met een pensioenrichtleeftijd van 68 jaar wordt verwezen naar V&A 17-012. V&A 05-046 heeft betrekking op de pensioenopbouw van werknemers die na 1949 zijn geboren in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2013 onder de werking van de Wet VPL.

Vraag
Moest voor de pensioenopbouw in 2014 onder de werking van de Wet VAP in een pensioenregeling van een werknemer die na 1949 is geboren altijd een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar of ouder worden opgenomen?

Antwoord
Nee. Ook na het invoeren van de Wet VAP, waarbij de pensioenrichtleeftijd is verhoogd naar 67 jaar, mocht in een pensioenregeling van een werknemer die na 1949 is geboren een pensioenrichtleeftijd lager dan 67 jaar worden opgenomen. Voorwaarde was dat de omvang van het op te bouwen ouderdomspensioen niet hoger was dan het op basis van algemeen aanvaarde actuariŽle grondslagen naar de lagere pensioenrichtleeftijd herrekende fiscaal maximale ouderdomspensioen ingaande op 67 jaar. Dit volgt uit artikel 18a, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). Deze herrekening kon zowel plaatsvinden in de opbouwfase als op de ingangsdatum van het pensioen. In de opbouwfase leidde de herrekening tot een lagere jaarlijkse maximale opbouw voor het ouderdomspensioen.


Maximale opbouwpercentages voor een ouderdomspensioen onder de werking van de Wet VAP
In het overzicht hieronder zijn opgenomen de maximale, herrekende opbouwpercentages voor ouderdomspensioen ingaande op 67, 66, 65, 64, 63, 62, 61 en 60 jaar onder de werking van de Wet VAP. De herrekende maximale opbouwpercentages voor de pensioenopbouw in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2013 onder de werking van de Wet VPL, de pensioenopbouw in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017 onder de werking van Witteveen 2015 met een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar en de pensioenopbouw met ingang van 1 januari 2018 onder de werking van Witteveen 2015 met een pensioenrichtleeftijd van 68 jaar zijn opgenomen in respectievelijk V&A 05-046, V&A 14-008 en V&A 17-012.

TABEL 1

Pensioenleeftijd volgens pensioenregeling

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een eindloonstelsel Wet VAP

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een middelloonstelsel Wet VAP

67

1,90

2,15

66

1,76

1,99

65

1,63

1,84

64

1,52

1,72

63

1,41

1,60

62

1,32

1,49

61

1,23

1,39

60

1,15

1,30


Gevolgen voor het partnerpensioen
Als in de pensioenregeling een pensioenrichtleeftijd lager dan 67 jaar was opgenomen, betekende dit niet dat ook de maximale opbouwpercentages per (bereikbaar) dienstjaar voor het partnerpensioen en het wezenpensioen van de artikelen 18b en 18c van de Wet LB op een lager (actuarieel herrekend) niveau moesten worden vastgesteld. Vanzelfsprekend was het aantal (bereikbare) dienstjaren voor het partner- en wezenpensioen wel lager dan bij een in de regeling opgenomen pensioenrichtleeftijd van 67 jaar.


Maximale opbouwpercentages voor een ouderdomspensioen plus 70% partnerpensioen
Men kon er ook voor kiezen om de omvang van het partnerpensioen in de pensioenregeling te stellen op 70% van het ouderdomspensioen. Bij een pensioenrichtleeftijd lager dan 67 jaar was het opbouwpercentage van het partnerpensioen dan lager dan het toegestane wettelijke maximum van artikel 18b van de Wet LB. Ten opzichte van de situatie bij een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar werd het partnerpensioen in dit geval immers evenredig verlaagd met de verlaging van het opbouwpercentage voor het ouderdomspensioen.

Door eerst een partnerpensioen op basis van het wettelijk maximum van artikel 18b van de Wet LB toe te zeggen en deze toezegging direct te laten volgen door een ruil van partnerpensioen naar ouderdomspensioen, werd de actuariŽle herrekening van het ouderdomspensioen gedeeltelijk gecompenseerd. Het naar het ouderdomspensioen te ruilen partnerpensioen was gelijk aan het verschil tussen het in eerste instantie toegezegde fiscaal maximale partnerpensioen en het partnerpensioen van 70% van het ouderdomspensioen. Het resultaat van deze ruil leidde dan tot de volgende maximale opbouwpercentages van het ouderdomspensioen.

TABEL 2

Pensioenleeftijd volgens pensioenregeling

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een eindloonstelsel Wet VAP

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een middelloonstelsel Wet VAP

67

1,90

2,15

66

1,78

2,02

65

1,68

1,90

64

1,58

1,79

63

1,49

1,69

62

1,41

1,59

61

1,33

1,51

60

1,26

1,43


Maximale opbouwpercentages voor een ouderdomspensioen voor de toepassing van artikel 10aa UBLB onder de werking van de Wet VAP
In het overzicht hieronder zijn opgenomen de maximale, herrekende verlaagde opbouwpercentages voor ouderdomspensioen ingaande op 67, 66, 65, 64, 63, 62, 61 en 60 jaar voor de toepassing van de combinatie van een verlaagde franchise met een verlaagd opbouwpercentage als bedoeld in artikel 10aa UBLB onder de werking van de Wet VAP.

TABEL 3

Pensioenleeftijd volgens pensioenregeling

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een eindloonstelsel
(artikel 10aa, eerste lid, UBLB)
Wet VAP

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een middelloonstelsel
(artikel 10aa, tweede lid, UBLB)
Wet VAP

Maximaal 1,70%

Maximaal 1,80%

Maximaal 1,95%

Maximaal 2,05%

67

1,70

1,80

1,95

2,05

66

1,57

1,66

1,80

1,89

65

1,46

1,54

1,67

1,76

64

1,36

1,44

1,56

1,64

63

1,26

1,34

1,45

1,52

62

1,18

1,25

1,35

1,42

61

1,10

1,17

1,26

1,33

60

1,03

1,09

1,18

1,24

De herrekende maximale opbouwpercentages voor de pensioenopbouw met toepassing van artikel 10aa UBLB in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017 onder de werking van Witteveen 2015 met een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar zijn opgenomen in V&A 14-008. Voor de herrekende maximale opbouwpercentages voor de pensioenopbouw met ingang van 1 januari 2018 onder de werking van Witteveen 2015 met een pensioenrichtleeftijd van 68 jaar wordt verwezen naar V&A 17-012.


Maximale opbouwpercentages voor een ouderdomspensioen plus 70% partnerpensioen voor de toepassing van artikel 10aa UBLB onder de werking van de Wet VAP
In het overzicht hieronder zijn opgenomen de maximale, herrekende verlaagde opbouwpercentages voor ouderdomspensioen ingaande op 67, 66, 65, 64, 63, 62, 61 en 60 jaar gecombineerd met een partnerpensioen van 70% van het ouderdomspensioen voor de toepassing van de combinatie van een verlaagde franchise met een verlaagd opbouwpercentage als bedoeld in artikel 10aa van het UBLB onder de werking van de Wet VAP. De herrekende maximale opbouwpercentages voor de pensioenopbouw met toepassing van artikel 10aa UBLB in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017 onder de werking van Witteveen 2015 met een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar zijn opgenomen in V&A 14-008. Voor de herrekende maximale opbouwpercentages voor de pensioenopbouw met ingang van 1 januari 2018 onder de werking van Witteveen 2015 met een pensioenrichtleeftijd van 68 jaar wordt verwezen naar V&A 17-012.

Ook bij toepassing van de verlaagde opbouwpercentages en franchises van artikel 10aa van het UBLB was het mogelijk om de omvang van het partnerpensioen in de pensioenregeling te stellen op 70% van het ouderdomspensioen. Bij een pensioenrichtleeftijd van lager dan 67 jaar was het opbouwpercentage van het partnerpensioen dan lager dan het toegestane wettelijke maximum van artikel 18b van de Wet LB in combinatie met artikel 10aa van het UBLB. Ten opzichte van de situatie bij een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar werd het partnerpensioen in dit geval immers evenredig verlaagd met de verlaging van het opbouwpercentage voor het ouderdomspensioen vanwege de actuariŽle herrekening naar de lagere pensioenrichtleeftijd.

Door eerst een partnerpensioen op basis van het wettelijk maximum van artikel 18b van de Wet LB in combinatie met artikel 10aa van het UBLB toe te zeggen en deze toezegging direct te laten volgen door een ruil van partnerpensioen naar ouderdomspensioen, werd de actuariŽle herrekening van het ouderdomspensioen gedeeltelijk gecompenseerd. Het naar het ouderdomspensioen te ruilen partnerpensioen was gelijk aan het verschil tussen het in eerste instantie toegezegde fiscaal maximale partnerpensioen en het partnerpensioen van 70% van het ouderdomspensioen. Het resultaat van deze ruil leidde dan bij toepassing van de verlaagde opbouwpercentages en franchises van artikel 10aa van het UBLB tot de volgende maximale opbouwpercentages van het ouderdomspensioen.

TABEL 4

Pensioenleeftijd volgens pensioenregeling

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een eindloonstelsel
(artikel 10aa, eerste lid, UBLB)
Wet VAP

Maximaal opbouwpercentage ouderdomspensioen in een middelloonstelsel
(artikel 10aa, tweede lid, UBLB)
Wet VAP

Maximaal 1,70%

Maximaal 1,80%

Maximaal 1,95%

Maximaal 2,05%

67

1,70

1,80

1,95

2,05

66

1,59

1,69

1,83

1,92

65

1,50

1,59

1,72

1,81

64

1,41

1,49

1,62

1,71

63

1,33

1,41

1,53

1,61

62

1,26

1,33

1,44

1,52

61

1,19

1,26

1,36

1,43

60

1,12

1,19

1,29

1,35

De herrekende maximale opbouwpercentages voor de pensioenopbouw met toepassing van artikel 10aa UBLB in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017 onder de werking van Witteveen 2015 met een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar zijn opgenomen in V&A 14-008. Voor de herrekende maximale opbouwpercentages voor de pensioenopbouw met ingang van 1 januari 2018 onder de werking van Witteveen 2015 met een pensioenrichtleeftijd van 68 jaar wordt verwezen naar V&A 17-012.


Slotopmerkingen
Artikel 18a, zesde lid, van de Wet LB liet de directe toekenning van een ouderdomspensioen op basis van tabel 2 of 4 zonder de omweg van de ruil van het partnerpensioen niet toe. Slechts via de weg van toezegging van een maximaal partnerpensioen, direct gevolgd door een (gedeeltelijke) ruil daarvan naar het ouderdomspensioen op basis van artikel 18d, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB, kon deze situatie worden bereikt. Uiteraard kon er alleen een ruil van partnerpensioen plaatsvinden als er daadwerkelijk een partnerpensioen was toegezegd.

Omdat de rechten van de partner door de (gedeeltelijke) ruil van het partnerpensioen naar het ouderdomspensioen worden aangetast, moest de partner instemmen met de ruil. Het door de ruil ontstane verlies aan partnerpensioen kan op grond van artikel 18d, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB niet worden gecompenseerd.

De bovenstaande opbouwpercentages golden als een algemeen toepasbare richtlijn. Daarvan kon in individuele omstandigheden worden afgeweken. Daarvoor moest aannemelijk worden gemaakt dat in dat individuele geval een ander actuarieel herrekend opbouwpercentage moest worden toegepast.

Bij beschikbare-premieregelingen kon men voor 2014 uitgaan van de premiestaffels van het beleidsbesluit Loonheffingen. Pensioenen; beschikbare-premieregelingen en premie- en kapitaalovereenkomsten (besluit van 12 februari 2013, nr. BLKB2013/43M, Staatscourant 2013 nr. 4432). Voor een werknemer die na 1949 is geboren kon men alleen de staffels gebruiken met leeftijdsklassen tot 67 jaar. Bij ingang van het pensioen vůůr 67 jaar is het dan aanwezige kapitaal de tegenwaarde van de herrekende aanspraken ten opzichte van 67 jaar.