Artikel 38c Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 38c, tweede lid, Wet op de loonbelasting 1964

VUT-regeling en compenseren verhoging AOW-leeftijd (Vraag & Antwoord 12-009 d.d. 171012)

Vraag
De door een VUT-uitvoerder uitgevoerde VUT-regeling omvat een maandelijkse VUT-uitkering tot de maand waarin de VUT-gerechtigde 65 jaar wordt. Vanaf de eerste dag van de maand waarin de VUT-gerechtigde de 65-jarige leeftijd bereikt, heeft hij recht op een levenslang ouderdomspensioen. De VUT-gerechtigden worden geconfronteerd met de verschillende maatregelen ten aanzien van de ingang van de AOW-leeftijd:

Door de AOW-maatregelen is het mogelijk dat VUT-gerechtigden in meer of mindere mate te maken krijgen met de situatie dat het moment waarop de AOW-uitkeringen worden ontvangen niet meer direct aansluit bij het moment waarop de VUT-uitkeringen stoppen.

Is het binnen de fiscale regels van artikel 38c Wet LB mogelijk om met de VUT-regeling de gevolgen van de maatregelen ten aanzien van de ingang van de AOW-uitkeringen te compenseren?

Antwoord
Het antwoord hangt af van de vraag op welke van de twee genoemde soorten verschuivingen van de ingangsdatum van de AOW de compensatie betrekking heeft.

Werknemers die vr 1950 zijn geboren kunnen onder de in artikel 38c Wet LB opgenomen voorwaarden ook na het invoeren van de Wet VPL nog steeds gebruik maken van de in artikel 18i Wet LB (tekst 2004) opgenomen VUT-regelingen. Op 31 december 2004 bestaande VUT-regelingen voor deze werknemers kunnen binnen de kaders van artikel 18i Wet LB (tekst 2004) worden voortgezet. Dit betekent onder meer dat de VUT-uitkeringen uiterlijk moeten eindigen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Deze voorwaarde beperkt de mogelijkheden om de AOW-maatregelen te compenseren in de VUT-regeling.

Compensatie voor verschuiving van de ingangsdatum van de AOW naar de 65e verjaardag
De voorwaarden van artikel 18i Wet LB (tekst 2004) laten alleen compensatie van het verschuiven van de AOW-ingangsdatum naar de 65ste verjaardag toe. De VUT-regeling mag voorzien een tijdsevenredige laatste VUT-uitkering in de maand waarin de VUT-gerechtigde de 65-jarige leeftijd bereikt. Hiermee kan compensatie geboden worden voor de in die maand over de periode voorafgaand aan de 65ste verjaardag nog niet ontvangen AOW-uitkering. Wel moet hierbij worden gelet op een eventuele samenloop van de (voortgezette) VUT-uitkering met de uitkeringen van het ouderdomspensioen. Indien het ouderdomspensioen ingaat op de eerste dag van de maand waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt, mag de (voortgezette) VUT-uitkering in het algemeen alleen voorzien in een compensatie van de vr de 65ste verjaardag nog niet ontvangen AOW-uitkering. Bij het in die situatie voortzetten van de volledige VUT-uitkering tot de 65ste verjaardag, bestaat de niet te verwaarlozen kans dat de VUT-uitkering door de samenloop met het ouderdomspensioen hoger is dan hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet worden geacht. De VUT-regeling voldoet dan niet meer aan de voorwaarden van artikel 18i van de Wet LB (tekst 2004).

Compensatie voor verschuiving van de ingangsdatum van de AOW tot een datum na de 65e verjaardag
Het is fiscaal niet toegestaan om het verschuiven van de ingangsdatum van de AOW-uitkering naar een datum gelegen na de 65ste verjaardag te compenseren in de VUT-regeling. In dat geval eindigen de VUT-uitkeringen immers niet meer uiterlijk bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. De VUT-regeling voldoet ook in dit geval niet meer aan de voorwaarden van artikel 18i Wet LB (tekst 2004).

Fiscale gevolgen voor een VUT-regeling van het niet meer voldoen aan de voorwaarden van artikel 18i Wet LB (tekst 2004)
Als een VUT-regeling niet meer voldoet aan de voorwaarden van artikel 18i Wet LB (tekst 2004), moet in beginsel op dat moment de gehele waarde van de regeling in de heffing van loonbelasting worden betrokken (artikel 19b, eerste lid, onderdeel a, Wet LB (tekst 2004). In de meeste gevallen zullen de niet langer onder artikel 18i Wet LB (tekst 2004) vallende VUT-regelingen evenwel aangemerkt kunnen worden als een regeling voor vervroegde uittreding (RVU) in de zin van artikel 32ba Wet LB. Voor de VUT-uitkeringsgerechtigden verandert er hierdoor niets. De aan de inmiddels als RVU kwalificerende VUT-regeling te ontlenen aanspraak wordt niet direct in de belastingheffing betrokken op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel d, Wet LB. De ontvangen RVU/VUT-uitkeringen zijn bij de RVU/VUT-uitkeringsgerechtigde belast op grond van artikel 10, eerste en vijfde lid, Wet LB.

Het kwalificeren van de VUT-regeling als RVU in de zin van artikel 32ba Wet LB heeft wel gevolgen voor de werkgever(s) en werknemers die premies of bijdragen betalen voor de regeling en voor de VUT-uitvoerder. De werkgever is over de op hem drukkende, voor de regeling aan de VUT-uitvoerder betaalde premies of bijdragen een extra eindheffing van 52% verschuldigd (artikel 32ba, eerste lid, Wet LB). De op het loon van werknemers ingehouden bijdragen voor de VUT-regeling worden volledig tot het loon gerekend. Dit betekent dat de werknemer de bijdrage voor de VUT-regeling uit het netto loon moet betalen. Voor zover de uitkeringen, bijdragen en premies (geacht worden te) drukken op de VUT-uitvoerder is deze de extra eindheffing van artikel 32ba Wet LB van 52% verschuldigd.