Deze versie van het V&A is vervangen door V&A 13-007 d.d. 16 september 2015.

Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964

Uitkeringsperiode periodieke uitkeringen uit een stamrecht (Vraag & Antwoord 13-007 d.d. 230913)

Vraag
Een natuurlijk persoon heeft een stamrechtaanspraak in de vorm van een recht op periodieke uitkeringen. Hij is geen kind of pleegkind in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, 1, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). Welke uitkeringsperiode moet een stamrecht op het leven van deze persoon minimaal hebben tussen de eerste en de laatste uitkering?

Antwoord

De minimale uitkeringsperiode van een stamrecht hangt af van de leeftijd van deze stamrechtgerechtigde op het moment van het ingaan van de uitkeringen. Om te weten hoe lang deze periode minimaal moet zijn, kunnen de stamrechtdebiteur en de stamrechtgerechtigde de tabel gebruiken van artikel 3.4, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB 2011).

Toelichting:

Volgens de definitie van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet LB moet de uitkering uit het stamrecht een periodieke uitkering zijn. De uitkeringsperiode van een dergelijke uitkering pleegt afhankelijk te zijn van het leven van de uitkeringsgerechtigde. De lengte van de uitkeringsperiode is daardoor onzeker. Er moet echter wel voldoende onzekerheid zijn over die periode. De verzekeraar van het stamrecht moet voldoende kans hebben op voordeel als gevolg van het overlijden van de stamrechtgerechtigde.

De Hoge Raad heeft bepaald dat een periodieke uitkering aan iemand die op het ingangsmoment van de uitkering een sterftekans heeft van ongeveer 1 % (exact: 0,94%) voldoende onzekerheid biedt om te kunnen spreken van een periodieke uitkering in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet LB. Zie Hoge Raad, 30 oktober 1991, nr. 27 215 (ECLI:NL:HR:1991:ZC4756). Op grond van dit arrest kan een tabel worden gemaakt van minimaal vereiste uitkeringsperioden tussen de eerste en de laatste uitkering, behorende bij elke leeftijd bij ingang van het stamrecht.

Voor uitkeringen in termijnen afkomstig van stamrechtspaarrekeningen of stamrechtbeleggingsrechten is een dergelijke tabel van minimale perioden tussen de eerste en de laatste uitkering opgenomen in artikel 3.4, eerste lid, van de URLB 2011. Deze tabel is opgesteld met analoge toepassing van het bovengenoemde arrest voor uitkeringen in termijnen. Het ligt voor de hand om voor de periodieke uitkeringen uit een stamrecht dezelfde tabel te hanteren als veilig uitgangspunt voor de sterftekans. Een redelijke wetsuitleg brengt daarom met zich mee dat een voorziene uitkeringsperiode van een stamrecht die in overeenstemming is met de tabel van artikel 3.4, eerste lid, van de URLB 2011, altijd geacht wordt een sterftekans van tenminste 0,94% op te leveren.