Deze versie van het V&A is vervangen door Vraag & Antwoord 14-006 d.d. 31 januari 2017.

Artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18a, achtste lid, Wet op de loonbelasting 1964

Omvang AOW-franchise vanaf 1 januari 2015 (Vraag & Antwoord 14-006 d.d. 070115)

Inleiding
Op 1 januari 2015 zijn de maatregelen van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen en Wijziging van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen en het Belastingplan 2014 (Witteveen 2015) in werking getreden. Vanaf 1 januari 2015 geldt voor de fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw het uitgangspunt dat een volledig ouderdomspensioen van 75% van het gemiddeld genoten loon in ten minste 40 jaar kan worden opgebouwd. De jaarlijkse ruimte voor pensioenopbouw is per 1 januari 2015 beperkt tot ten hoogste 1,875% voor regelingen gebaseerd op het middelloonstelsel en tot ten hoogste 1,657% voor regelingen gebaseerd op het eindloonstelsel.

Vraag
Heeft het wijzigen van de norm voor een volledig pensioen naar een in ten minste 40 dienstjaren op te bouwen ouderdomspensioen ter grootte van 75% van het gemiddeld genoten loon gevolgen voor de omvang van de AOW-franchise?

Antwoord

Ja, het wijzigen van het uitgangspunt van een volledig pensioen naar een in ten minste 40 dienstjaren op te bouwen ouderdomspensioen ter grootte van 75% van het gemiddeld genoten loon heeft gevolgen voor de omvang van de AOW-franchise.

Middelloonregeling
In een middelloonregeling wordt met het fiscaal maximale opbouwpercentage van 1,875% in 40 jaar een ouderdomspensioen opgebouwd van 75% van het gemiddeld genoten loon. In artikel 18a, achtste lid, van de Wet LB is bepaald dat voor het toetsen van de fiscale pensioenmaxima voor elk meetellend dienstjaar rekening gehouden moet worden met een evenredig deel van de AOW-uitkering voor een gehuwde. Bij het maximale opbouwpercentage in een middelloonregeling van 1,875% moet dan ook jaarlijks 1/40-deel van de AOW-uitkering worden ingebouwd. Om te bereiken dat dit bedrag ook bij het gebruik van de franchisemethode wordt ingebouwd, moet de AOW-uitkering voor het berekenen van de franchise vanaf 1 januari 2015 worden vermenigvuldigd met de factor 100/75.

Het hierna opgenomen voorbeeld laat zien dat het resultaat van de inbouw- en de franchisemethode ook bij toepassing van de per 1 januari 2015 geldende franchise gelijk is. Gegeven zijn een loon van € 40.000, een pensioenopbouwpercentage in een middelloonregeling van 1,875% en de wettelijk voorgeschreven AOW-inbouw. In het voorbeeld is voor het bedrag van de in te bouwen AOW uitgegaan van de AOW-uitkering voor een gehuwde/samenwonende per 1 januari 2015 ad. € 9.481,32.

Voorbeeld inbouw AOW middelloonregeling (bedragen in euro’s)
Inbouwmethode Franchisemethode

Loon

40.000,00

Loon

40.000,00

Franchise 100/75 x 9.481,32

12.641,76

Pensioenopbouw 1,875%

750,00

Pensioengrondslag

27.358,24

AOW-inbouw (1/40 * AOW)

237,04

Ouderdomspensioen

512,96

Ouderdomspensioen 1,875%

512,96



Eindloonregeling
In een eindloonregeling wordt vanaf 1 januari 2015 met het fiscaal maximale opbouwpercentage van 1,657% in 40 jaar een ouderdomspensioen opgebouwd van 66,28% van het laatste loon. Artikel 18a van de Wet LB gaat er van uit dat de maximale opbouw in een middelloonregeling gelijkwaardig is aan de maximale opbouw in een eindloonregeling. Het in een eindloonregeling in 40 jaar op te bouwen ouderdomspensioen van 66,28% van het laatste loon wordt dus gelijkwaardig geacht aan het in een middelloonregeling op te bouwen ouderdomspensioen van 75% van het gemiddelde loon. Weliswaar is het fiscaal maximale opbouwpercentage in een eindloonregeling lager dan in een middelloonregeling, maar dit wordt gecompenseerd door de in een eindloonregeling over de verstreken dienstjaren toe te kennen backservice bij een verhoging van de pensioengrondslag. In artikel 18a, achtste lid, van de Wet LB is bepaald dat voor het toetsen van de fiscale pensioenmaxima voor elk meetellend dienstjaar rekening gehouden moet worden met een evenredig deel van de AOW-uitkering voor een gehuwde. Bij het maximale opbouwpercentage in een eindloonregeling van 1,657% moet jaarlijks 1/40-deel van de AOW-uitkering worden ingebouwd. Om te bereiken dat dit bedrag ook bij het gebruik van de franchisemethode wordt ingebouwd, moet de AOW-uitkering voor het berekenen van de franchise vanaf 1 januari 2015 worden vermenigvuldigd met de factor 100/66,28.

Het hierna opgenomen voorbeeld laat zien dat het resultaat van de inbouw- en de franchisemethode ook bij toepassing van de per 1 januari 2015 geldende franchise gelijk is. Gegeven zijn een loon van € 40.000, een pensioenopbouwpercentage in een eindloonregeling van 1,657% en de wettelijk voorgeschreven AOW-inbouw. In het voorbeeld is voor het bedrag van de in te bouwen AOW uitgegaan van de AOW-uitkering voor een gehuwde/samenwonende per 1 januari 2015 ad. € 9.481,32.

Voorbeeld inbouw AOW eindloonregeling (bedragen in euro’s)
Inbouwmethode Franchisemethode

Loon

40.000,00

Loon

40.000,00

Franchise 100/66,28 x 9.481,32

14.304,95

Pensioenopbouw 1,657%

662,80

Pensioengrondslag

25.695,05

AOW-inbouw (1/40 * AOW)

237,04

Ouderdomspensioen

425,76

Ouderdomspensioen 1,657%

425,76



Beschikbare-premieregeling
Indien de pensioenopbouw in een beschikbare-premieregeling is gericht op de opbouw in 40 jaar van een ouderdomspensioen van 75% van het gemiddeld genoten loon c.q. 66,28% van het laatste loon wordt de jaarlijkse fiscale opbouwruimte volledig benut. Op grond van artikel 18a, achtste lid, van de Wet LB moet voor het toetsen van de fiscale pensioenmaxima voor elk meetellend dienstjaar rekening worden gehouden met een evenredig deel van de AOW-uitkering voor een gehuwde. Bij de maximale pensioenopbouw in een beschikbare-premieregeling moet dan jaarlijks 1/40-deel van de AOW-uitkering worden ingebouwd.

Indien de gehanteerde premiestaffels zijn uitgedrukt in een percentage van de pensioengrondslag (pensioengevend loon -/- AOW-franchise), geldt voor de omvang van de AOW-franchise het volgende. Voor premiestaffels op basis van een middelloonstelsel (zoals het geval is in de premiestaffels van het besluit van 17 december 2014, nr. BLKB2014/2132M, Staatscourant 2014, nr. 36872) moet de omvang van de AOW-franchise worden gesteld op het bedrag van de AOW-uitkering maal de factor 100/75. Voor premiestaffels op basis van een eindloonstelsel moet de omvang van de AOW-franchise worden gesteld op het bedrag van de AOW-uitkering maal de factor 100/66,28.

Pensioenregeling met meerdere opbouwstelsels
Indien in een pensioenregeling meerdere opbouwstelsels worden toegepast (combinatieregelingen), dient voor elk deel van de regeling rekening te worden gehouden met de eigen, bij het opbouwstelsel passende fiscaal minimaal in aanmerking te nemen AOW-franchise. Een combinatie van verschillende opbouwstelsels in één pensioenregeling doet zich voor indien voor de opbouw van het ouderdomspensioen en het partnerpensioen bij overlijden na de ingang van de pensioenuitkeringen wordt uitgegaan van het middelloonstelsel, terwijl voor het op risicobasis verzekerde partnerpensioen bij vooroverlijden wordt uitgegaan van het eindloonstelsel. In dat geval geldt voor de opbouw van het (fiscaal maximale) ouderdomspensioen en partnerpensioen bij overlijden na ingang van de pensioenuitkeringen een AOW-franchise van 100/75 * AOW-uitkering. Voor het toe te kennen (fiscaal maximale) partnerpensioen bij vooroverlijden geldt een AOW-franchise van 100/66,28 * AOW-uitkering. Indien men het gebruik van meerdere AOW-franchises in één regeling ongewenst vindt, kan het bedrag van de voor de gehele pensioenregeling in aanmerking te nemen AOW-franchise minimaal gesteld worden op het bedrag van de franchise voor een eindloonregeling. Ook kan tot 1 januari 2018 gebruik gemaakt worden van een tijdelijke tegemoetkoming (zie hieronder).

Tijdelijke tegemoetkoming
Uit de praktijk zijn signalen ontvangen dat het hanteren van twee verschillende franchises in combinatieregelingen tot grote uitvoeringsproblemen leidt. Op dit moment blijkt het voor pensioenuitvoerders niet mogelijk te zijn om in combinatieregelingen twee verschillende AOW-franchises te gebruiken. Met het oog op een soepele implementatie van de Wet Witteveen 2015 per 1 januari 2015 wordt er voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017 een oplossing geboden voor het geconstateerde uitvoeringsprobleem.

Voor combinatieregelingen, waarin de opbouw van het ouderdomspensioen plaatsvindt op basis van het middelloon- of beschikbare premiestelsel, wordt in onderdeel 2.6 van het beleidsbesluit van 23 september 2014, nr. BLKB2014/1702M (Staatscourant 2014, nr. 28039) onder de hierna genoemde voorwaarde goedgekeurd dat voor het op risicobasis verzekerde partner- en/of wezenpensioen op basis van het eindloonstelsel de berekening van de AOW-franchise mag plaatsvinden met toepassing van de franchisefactor voor het middelloonstelsel (100/75).

Voor deze tegemoetkoming geldt de voorwaarde dat de pensioengrondslag voor het op risicobasis verzekerde partner- en/of wezenpensioen wordt bepaald op basis van ten hoogste het pensioengevend loon op het moment van overlijden van de werknemer. Het bereikbaar pensioengevend loon dat de gewezen werknemer binnen de vastgestelde loopbaanontwikkeling in zijn functie zou hebben kunnen bereiken, moet daarbij buiten beschouwing blijven. Wel mag rekening worden gehouden met de ontbrekende dienstjaren. Hierbij worden de begrippen ‘bereikbaar pensioengevend loon’ en ‘ontbrekende dienstjaren’ opgevat met inachtneming van artikel 18b, vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. De uitkeringen van het aldus berekende partner- en/of wezenpensioen mogen wel worden geïndexeerd binnen de grenzen van artikel 18d, van de Wet op de loonbelasting 1964.