Deze versie van het V&A is vervangen door Vraag & Antwoord 15-011 d.d. 17 november 2017.

Artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 18d Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 18d, eerste lid, onderdeel b, Wet op de loonbelasting 1964

Voortgezette opbouw bij gedeeltelijk vervroegd ingegaan pensioen (Vraag & Antwoord 15-011 d.d. 171215)

Vraag
Een werknemer van 65 jaar laat zijn pensioen voor 40% vervroegd ingaan. Hij verlaagt op hetzelfde moment zijn deeltijdfactor van 100% naar 70% en werkt door in dezelfde dienstbetrekking tot de pensioenrichtleeftijd van 67 jaar. Kan de pensioenopbouw in die 2 jaar zonder fiscale bezwaren worden voortgezet in dezelfde regeling bij dezelfde pensioenuitvoerder?

Antwoord
Ja, dat kan.

Er zijn wel voorwaarden en beperkingen verbonden aan de voortgezette opbouw:

  1. Er ontstaan 2 reeksen van uitkeringen binnen één pensioenregeling, te weten één reeks die ingaat op 65 jaar en één die ingaat op 67 jaar. Elk van deze uitkeringsreeksen moet aan de wettelijke bepalingen voldoen. Zo moet de variatie in de uitkeringen bij elk van beide delen voldoen aan de eisen van artikel 18d, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB):
  2. Ook voor het tweede deel van het pensioen geldt dat de ingangsdatum moet voldoen aan de begrenzingen van artikel 18a, vierde lid, Wet LB.
  3. De 100%-grens van artikel 18a Wet LB geldt voor de beide delen tezamen. Op het moment dat bijvoorbeeld de som van beide uitkeringsreeksen uitkomt op 100% van het pensioengevend loon voordat de werknemer de AOW-leeftijd heeft bereikt, dient de voortgezette opbouw van het pensioen te worden gestopt. Uiteraard dient bij het beoordelen van de 100%-grens rekening te worden gehouden met de verplichte, tijdsevenredige AOW-inbouw. In principe is verdere pensioenopbouw bij het bereiken van de 100%-grens niet meer mogelijk. Dit kan anders zijn voor werknemers op wie een uitzondering als bedoeld in artikel 18d Wet LB van toepassing is.

De voortgezette pensioenopbouw is niet mogelijk over het deel van de diensttijd waarvoor de werknemer zijn pensioen vervroegd heeft laten ingaan en waarvoor hij niet meer werkt (in dit geval: 30%). De deeltijdfaciliteit van artikel 10a, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB) geldt niet voor dat deel. Volgens deze bepaling hoeft voor de pensioenopbouw van een werknemer die in de periode van 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum minder is gaan werken, onder voorwaarden geen rekening gehouden te worden met de vermindering van de diensttijd. Indien voldaan wordt aan de voorwaarden kan de werknemer pensioen blijven opbouwen over de voorheen geldende pensioengevende diensttijd. Deze maatregel beoogt werknemers te stimuleren om langer door te werken met behulp van een kortere werkweek, meestal in het kader van een seniorenregeling. De maatregel heeft niet tot doel dat werknemers hun pensioen (voor een deel) vervroegd laten ingaan als zij in deeltijd doorwerken. Voor zover het pensioen is ingegaan mag daarom bij doorwerken geen extra diensttijd boven de werkelijke (deeltijd)diensttijd in aanmerking worden genomen bij de voorgezette opbouw. In deze casus betekent dat een voortgezette opbouw over maximaal 70% van de voorheen geldende volledige diensttijd. Zou de werknemer uit de vraag zijn pensioen voor 20% vervroegd hebben laten ingaan in plaats van voor 40%, dan zou hij met gedeeltelijke toepassing van artikel 10a, vierde lid, UBLB zijn pensioenopbouw voor 80% van de volledige diensttijd mogen voortzetten ondanks de feitelijke diensttijd van 70%.