Artikel 38n Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 38o Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 38n, derde lid, Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 38o, tweede lid, Wet op de loonbelasting 1964

Grondslagen fiscale balanswaarde pensioenverplichting in eigen beheer bij afkoop of omzetten in een oudedagsverplichting (Vraag & Antwoord 17-014 d.d. 010417)

Vraag
Volgens artikel 38n van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) is het vanaf 1 april 2017 tot en met 31 december 2019 mogelijk om de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak volledig af te kopen of om te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting (ODV). Bij afkoop of omzetting mag de pensioenaanspraak worden prijsgegeven voor zover de waarde in het economische verkeer van die aanspraak hoger is dan de fiscale balanswaarde van de tegenover die aanspraak staande pensioenverplichting. De fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting is ook de waarde waarvoor de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak kan worden afgekocht (artikel 38o, tweede lid, Wet LB) of omgezet in een ODV (artikel 38n, tweede lid, Wet LB). In het derde lid van artikel 38n Wet LB is de fiscale balanswaarde omschreven als “de voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in aanmerking te nemen waarde”.

Tegen welke grondslagen moet de ‘fiscale balanswaarde’ als bedoeld in artikel 38n, derde lid, Wet LB worden berekend?

Antwoord
Door in artikel 38n, derde lid, Wet LB de term “in aanmerking te nemen waarde” te gebruiken, heeft de wetgever willen benadrukken dat als de eerder in de aangifte vennootschapsbelasting opgenomen balanswaarde van de pensioenverplichting is berekend tegen onjuiste rekengrondslagen, deze waarde niet kan dienen als uitgangspunt voor de fiscale balanswaarde op het moment van afkoop in de zin van artikel 38n, derde lid, Wet LB (zie ook V&A 17-013).

Uit de arresten van de Hoge Raad van 28 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6313 en 1 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6038 is af te leiden dat de fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting moet worden berekend tegen de rekengrondslagen ten tijde van het aangaan van de verplichting. Indien de rekengrondslagen nadien - per saldo - zwaarder worden, mag de verplichting tegen deze zwaardere rekengrondslagen worden berekend. In dat geval moet bij een daaropvolgende verlichting - per saldo - van de rekengrondslagen de verplichting dienovereenkomstig lager worden gewaardeerd, echter niet lager dan de waarde berekend tegen de rekengrondslagen ten tijde van het aangaan van de erplichting. In het arrest van 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3082 heeft de Hoge Raad deze waarderingsregel genuanceerd. Het waarderen van de verplichting tegen de rekengrondslagen ten tijde van het aangaan van de verplichting is niet toegestaan indien dit in strijd komt met het voorzichtigheidsbeginsel en realiteitsbeginsel van goed koopmansgebruik.

De voor de fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting te hanteren rekengrondslagen bestaan uit de factoren rente en sterfte. Gezien de vigerende rentestand dient voor de factor rente uitgegaan te worden van de fiscaal minimaal in aanmerking te nemen rente van 4% als vermeld in artikel 3.29 Wet IB 2001. Voor de factor sterfte kan worden uitgegaan van de door het Actuarieel Genootschap gepubliceerde meest recente periodetafel (GBM/GBV) waarvan het einde van de waarnemingsperiode voor de balansdatum ligt en zonder leeftijdscorrectie als bedoeld in artikel 8, zesde lid, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2016). Indien wordt uitgaan van een lichtere rekengrondslag sterfte, zal er een zodanige leeftijdscorrectie in aanmerking moeten worden genomen dat de waarde gelijk is aan de waarde berekend tegen de meest recente overlevingstafel. Het hanteren van een waarderingsstelsel dat is gebaseerd op - per saldo - lichtere rekengrondslagen is onder de huidige marktomstandigheden strijdig met goed koopmansgebruik.