Artikel 38n Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 38p Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 38n, tweede lid, onderdeel b, Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 38p, tweede lid, Wet op de loonbelasting 1964

Uitkeringsperiode oudedagsverplichting (Vraag & Antwoord 17-029 d.d. 101117)

Inleiding
Op grond van artikel 38n van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) is het vanaf 1 april 2017 tot en met 31 december 2019 mogelijk het volledige in eigen beheer verzekerde deel van de opgebouwde pensioenaanspraak af te kopen of om te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting (ODV). Op het moment van de afkoop of omzetting mag de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak fiscaal geruisloos worden prijsgegeven voor zover de waarde in het economische verkeer van die aanspraak hoger is dan de fiscale balanswaarde van de tegenover die aanspraak staande pensioenverplichting.

Vraag
Een dga heeft zijn in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak op 1 juli 2017 omgezet in een ODV. Op welke wijze dient de ODV-uitkeringsperiode te worden vastgesteld in de volgende situaties:

  1. de dga bereikt op 1 januari 2019 de AOW-leeftijd, als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene ouderdomswet en de eerste ODV-termijn wordt uitgekeerd op 1 augustus 2017;
  2. de dga bereikt op 1 januari 2019 de AOW-leeftijd en de eerste ODV-termijn wordt uitgekeerd op 1 februari 2019;
  3. de dga heeft op 1 januari 2016 de AOW-leeftijd bereikt en de eerste ODV-termijn wordt uitgekeerd op 1 juli 2017.

En op welke wijze dienen de eerste en de laatste ODV-jaaruitkering te worden vastgesteld?

Antwoord

Algemeen
Ten aanzien van de uitkeringsperiode van een ODV geldt over het algemeen het volgende:

1. AOW-leeftijd 1 januari 2019, eerste ODV-termijn 1 augustus 2017
De eerste ODV-termijn wordt uitgekeerd vr het bereiken van de AOW-leeftijd. De standaard uitkeringsperiode van 20 jaar wordt verlengd met de periode gelegen tussen de uitkering van de eerste ODV-termijn en het bereiken van de AOW-leeftijd. In deze situatie bedraagt de ODV-uitkeringsperiode 215/12 jaar.

De eerste ODV-jaaruitkering wordt vastgesteld door de beginstand van de ODV (na oprenting) te delen door 215/12. Indien de jaaruitkering in meerdere termijnen wordt uitgekeerd, dienen deze termijnuitkeringen met een gelijke tussenperiode plaats te vinden. In het laatste jaar wordt de jaaruitkering vastgesteld door de beginstand van de ODV te delen door 5/12. De op jaarbasis berekende uitkering wordt vervolgens herrekend met inachtneming van de resterende uitkeringsduur van vijf maanden, zodat uiteindelijk niet meer wordt uitgekeerd dan de beginstand van de ODV.
Deze systematiek van vaststellen van de eerste en de laatste ODV-jaaruitkering geldt voor alle mogelijke situaties en zal in het onderstaande daarom niet herhaald worden.

2. AOW-leeftijd 1 januari 2019, eerste ODV-termijn 1 februari 2019
De eerste ODV-termijn wordt uitgekeerd binnen twee maanden n het bereiken van de AOW-leeftijd. In dit geval bedraagt de uitkeringsperiode 20 jaar. De laatste ODV-termijn wordt uitgekeerd op 1 februari 2038 ingeval van jaartermijnen of 1 januari 2039 in geval van maandtermijnen.

3. AOW-leeftijd 1 januari 2016, eerste ODV-termijn 1 juli 2017
De eerste ODV-termijn wordt meer dan twee maanden n het bereiken van de AOW-leeftijd uitgekeerd. De standaard uitkeringsperiode van 20 jaar wordt verminderd met de periode tussen het bereiken van de AOW-leeftijd en de uitkering van de eerste ODV-termijn. In deze situatie bedraagt de uitkeringsperiode 186/12 jaar.