Artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 19d Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18a, derde lid, Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 19d, onderdeel a, Wet op de loonbelasting 1964

Surplus pensioenkapitaal bijlage IV of V BPR-besluit uitkeren aan werknemer (Vraag & Antwoord 18-005 d.d. 240518)

Inleiding
In onderdeel 6 van het besluit van 23 november 2017, nr. 2017-187605 (BPR-besluit) zijn onder voorwaarden twee varianten van de afwijkende premieovereenkomst aangewezen als pensioenregeling. Het betreft regelingen met een premieovereenkomst gericht op een fiscaal aanvaardbaar maximaal middelloonpensioen en regelingen met een premieovereenkomst op basis van ten hoogste de kostprijs van een fiscaal aanvaardbaar nominaal middelloonpensioen. De voorwaarden voor deze aanwijzing zijn opgenomen in respectievelijk bijlage IV en V van het BPR-besluit. EÚn van de in het BPR-besluit gestelde voorwaarden is dat in de pensioenregeling moet zijn bepaald dat het pensioen inclusief de toegekende indexatie zowel per jaar als in totaal niet uitgaat boven een middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). Als uitgangspunt geldt dat de toets op deze grens jaarlijks plaatsvindt. De verzekeraar kan er echter ook voor kiezen om de toets toe te passen op het moment waarop de in de regeling opgebouwde waarde het regime van bijlage IV of V van het BPR-besluit geheel of gedeeltelijk verlaat, maar uiterlijk op pensioeningangsdatum. Uit de regeling moet blijken wanneer de toets plaatsvindt. Als na het vaststellen van het fiscaal maximale, ge´ndexeerde pensioen nog pensioenkapitaal overblijft, moet dit surplus aan pensioenkapitaal aan de verzekeraar dan wel aan de (ex-)werkgever vervallen. Ingeval het surplus aan pensioenkapitaal aan de verzekeraar vervalt, kan deze er voor kiezen om dit toe te voegen aan het pensioenkapitaal van de overige deelnemers aan de betreffende regeling.

Vraag
Werkgever en werknemer zijn een afwijkende premieovereenkomst als bedoeld in onderdeel 6 van het BPR-besluit overeengekomen. In de pensioenovereenkomst is bepaald dat een eventueel surplus aan pensioenkapitaal door de verzekeraar zal worden uitgekeerd aan de werkgever. In aanvulling hierop zegt de werkgever toe dat een door de werkgever van de verzekeraar te ontvangen surplus aan pensioenkapitaal ten goede zal komen aan de (nabestaanden van de) werknemer.

Is een dergelijke aanvullende toezegging in overeenstemming met de voorwaarden van bijlage IV of V van het BPR-besluit?

Antwoord
Nee, het is niet in overeenstemming met de voorwaarden van bijlage IV of V van het BPR-besluit dat een door de werkgever van de verzekeraar te ontvangen surplus aan pensioenkapitaal op enigerlei wijze ten goede komt of kan komen aan de (nabestaanden van de) werknemer.

In onderdeel 6 en de bijlagen IV en V van het BPR-besluit is uitdrukkelijk aangegeven dat het in de aangewezen afwijkende premieovereenkomst op te bouwen pensioen inclusief de toegekende indexatie zowel per jaar als in totaal niet hoger mag zijn dan een middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB Wet LB. Indien de werkgever toezegt dat het van de verzekeraar te ontvangen surplus aan pensioenkapitaal ten goede zal komen aan de (nabestaanden van de) werknemer, is er feitelijk sprake van het door de werkgever toekennen van extra pensioen bovenop het reeds fiscaal maximale pensioen en/of van een fiscaal niet toelaatbare vorm van restbegunstiging. In beide gevallen zal het pensioen door het ten goede komen van het surplus aan pensioenkapitaal niet langer voldoen aan de fiscale voorwaarden voor pensioen. Dit zal tot gevolg hebben dat de aanspraak op pensioen niet langer als zodanig is aan te merken en dat de waarde van de pensioenaanspraak op grond van artikel 19b Wet LB direct volledig in de belastingheffing wordt betrokken. Bovendien zal in dat geval op grond van artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen revisierente in rekening worden gebracht bij de (nabestaanden van de) werknemer.