Artikel 39f Wet op de loonbelasting 1964, artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013), artikel 11a Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013), artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964, artikel 18b Wet op de loonbelasting 1964, artikel 18c Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 19b Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013), artikel 11a Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013), artikel 18a, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964, artikel 18b, zesde lid, Wet op de loonbelasting 1964, artikel 18c, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 19b, eerste lid, Wet op de loonbelasting 1964

Wettelijke gevolgen als het uiterste tijdstip voor de aankoop van een recht op pensioen- of loonstamrechtuitkeringen bij expiratie of deblokkering is verstreken (Vraag & Antwoord 18-009 d.d. 241018)

Vraag
De fiscale wet- en regelgeving stelt bij de expiratie van een pensioen- of loonstamrechtpolis of bij de deblokkering van een loonstamrechtspaarrekening of een loonstamrechtbeleggingsrecht een uiterst tijdstip voor de aankoop van een recht op pensioen- of loonstamrechtuitkeringen. Hierbij kan onder omstandigheden een redelijke termijn in acht worden genomen (zie Vraag & Antwoord 10-001). Welke fiscale gevolgen verbindt de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) aan het verstrijken van dit uiterste tijdstip, dan wel van de redelijke termijn voor de aankoop van een recht op pensioen- of loonstamrechtuitkeringen?

Antwoord
Door het verstrijken van het uiterste tijdstip, dan wel van de redelijke termijn voor aankoop van een pensioen- of loonstamrechtuitkering treedt artikel 19b, eerste lid, onderdeel a, Wet LB in werking. Er is dan geen sprake meer van een pensioen- en/of loonstamrechtregeling in de zin van de Wet LB. In dat geval wordt de waarde van de pensioen- of loonstamrechtaanspraak op het tijdstip dat onmiddellijk vooraf gaat aan het verstrijken van het uiterste tijdstip, dan wel van de redelijke termijn, aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de aanspraak. De uitvoerder van het pensioen of het loonstamrecht moet op dat moment de verschuldigde loonheffingen inhouden en afdragen en kan de eventuele netto-uitkeringen reserveren tot deze door de gerechtigde worden opgevraagd.

Toelichting uiterste tijdstip en redelijke termijn
Een ouderdomspensioen mag niet later in gaan dan op het tijdstip waarop de werknemer of de gewezen werknemer de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet. Een loonstamrecht mag niet later ingaan dan in het jaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd, als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt.

Een partner- of wezenpensioen mag niet later in gaan dan op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de werknemer of gewezen werknemer is overleden dan wel, ingeval de partner of de wees recht heeft op een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, niet later dan op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin dat recht eindigt. Een loonstamrecht ten behoeve van de partner en/of wezen gaat in bij het overlijden van de werknemer of de gewezen werknemer.

In de hiervoor beschreven situaties mag onder bepaalde omstandigheden een redelijke termijn in acht worden genomen (zie Vraag & Antwoord 10-001).

Let op